← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2015:2540

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.123.934 beslissing op verzoek ex artikel 31 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, alsmede op het verzoek om aan de proceskostenveroordeling in het incident alsnog een voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden Het hof heeft in de zaak [partijnaam 1] en [partijnaam 2]/Het Restauratiehuis op 10 maart 2015 arrest in het incident gewezen. Het hof heeft kennis genomen van een verzoek van mr. M.H.G. Plieger bij brief van 18 maart 2015 namens [partijnaam 1] en [partijnaam 2] om kennelijke fouten te verbeteren, alsmede een verzoek om aan de proceskostenveroordeling in het incident alsnog een voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden. Het Restauratiehuis is in de gelegenheid gesteld op dit verzoek te reageren. Deze heeft bij brief van mr. E.J. Nieuwenhuys van 24 maart 2015 gereageerd. Mr. Plieger voornoemd heeft daarop dezelfde dag “gerepliceerd”, waarna mr. Nieuwenhuys voornoemd op 25 maart 2015 heeft aangegeven te menen dat het debat met de eerste ronde reeds gesloten was. Het hof oordeelt als volgt. Ten onrechte menen [partijnaam 1] en [partijnaam 2] dat de toewijzing onder 3.1 sub f niet zou berusten op een daartoe gerichte vordering. De bedoelde vordering is vermeld (en toegelicht) op p. 6 bovenaan van de incidentele memorie van Het Restauratiehuis. De enkele omstandigheid dat de bedoelde stukken door Het Restauratiehuis niet met een afzonderlijke letter zijn aangeduid, doet daaraan niet af. Dat het hof onder 3.1 sub h en i [partijnaam 1] en [partijnaam 2] heeft veroordeeld tot het overleggen van bankafschriften, betekent evenmin dat meer is toegewezen dan gevorderd. Het Restauratiehuis had gevorderd “opgave van de rekening waarvan betaald is en van wie de gelden op die rekening afkomstig zijn”. Het hof heeft dit onderdeel van de vordering slechts geconcretiseerd. Volgens vaste rechtspraak vindt een kostenveroordeling ook ambtshalve plaats. [partijnaam 1] en [partijnaam 2] zijn in het incident vrijwel volledig in het ongelijk gesteld. Hun veroordeling in de kosten van het incident is dus geen fout. Ook uit hetgeen [partijnaam 1] en [partijnaam 2] overigens aanvoeren, kan niet volgen dat sprake is van een bij bedoeld arrest gemaakte kennelijke fout. [partijnaam 1] en [partijnaam 2] hebben verder nog verzocht om alsnog aan de proceskostenveroordeling in het incident een voorwaarde van zekerheidsstelling te verbinden. Naar analogie van artikel 235 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is dat mogelijk. Voor die analogie bestaat grond omdat het arrest thans ten uitvoer kan worden gelegd, terwijl tegen de toewijzing van de vordering ex artikel 843a Rv nu nog geen rechtsmiddel kan worden aangewend (artikel 337 lid 2 Rv). Het hof ziet grond om inderdaad alsnog aan de tenuitvoerlegging van het dictum onder 3.6 de voorwaarde te verbinden dat Het Restauratiehuis voorafgaand zekerheid stelt, alles voor het geval tenuitvoerlegging plaatsvindt voorafgaand aan het eindarrest. Beslissing Het hof: verbindt aan de tenuitvoerlegging van het dictum onder 3.6 van het arrest in het incident van 10 maart 2015 de voorwaarde dat Het Restauratiehuis voorafgaand zekerheid stelt, voor zover die tenuitvoerlegging plaatsvindt voordat in de hoofdzaak eindarrest is gewezen; wijst het verzochte voor het overige af. Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.E. de Boer en J.G.J. Rinkes en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 april 2015.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.