GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.153.914/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/370640 / KL ZA 14-216) arrest van de eerste kamer van 21 april 2015 in de zaak van [appellante], wonende te [woonplaats 1], appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna: [appellante], advocaat: mr. J.B. Streefkerk, kantoorhoudend te Almere, die ook heeft gepleit, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats 2], geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. A.H.H. Nauta, kantoorhoudend te Lelystad, die ook heeft gepleit. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 8 juli 2014 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 augustus 2014, - de memorie van grieven met producties, - de memorie van antwoord. 2.2 Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellante] luidt: "Het Uw Gerechtshof moge behagen, bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, eventueel onder aanvulling en verbetering van de gronden, het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland, rechtsprekende in kort geding d.d. 8 juli 2014, rolnummer: C/16/37064G / KL ZA 14-216, te vernietigen en alsnog de gevraagde voorzieningen af te wijzen." 3De vaststaande feiten 3.1 Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van genoemd vonnis van 8 juli 2014 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, voor zover in hoger beroep nog van belang, luiden: 3.1.1 [geïntimeerde] en [appellante] zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 april 2007 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 8 mei 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.1.2 Tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoorde de voormalig echtelijke woning aan [adres] te [woonplaats 1] (hierna: de woning). 3.1.3 Bij beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 oktober 2010 is aan [appellante] machtiging verleend tot het te gelde maken van de woning, ook als dit dient in te houden dat [geïntimeerde] tot ondertekening van een koopakte dan wel een machtiging aan de hypotheekverstrekker moet overgaan. Bij vonnis van 7 december 2010 heeft de voorzieningenrechter [geïntimeerde] onder meer gelast mee te werken aan verkoop bevorderende activiteiten, waaronder bezichtiging van de woning door de makelaar met potentiële kopers op alle dagen en uren buiten aanwezigheid van partijen en/of andere personen en/of huisdieren, onder veroordeling om aan [appellante] een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag dat hij niet aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 5.000,- is bereikt. 3.1.4 Op 9 december 2010 heeft de verkopende makelaar een verkoopbord, dat met zuignappen aan de buitenzijde van het bovenraam van de woning kan worden geplaatst, bij [geïntimeerde] achtergelaten. 3.1.5 Het vonnis van 7 december 2010 is op 10 december 2010 aan [geïntimeerde] betekend. 3.1.6 Op 24 december 2010 is aan de advocaat van [geïntimeerde] telefonisch meegedeeld dat [appellante] zeer verbolgen was over het feit dat het verkoopbord nog niet was geplaatst. 3.1.7 Op 4 januari 2011 is bij deurwaardersexploot aan [geïntimeerde] bevel gedaan om de uit het vonnis van 7 december 2010 voortvloeiende dwangsommen van in totaal € 5.000,- over de periode 11 december 2010 tot en met 24 december 2010 aan [appellante] te voldoen. 3.1.8 De woning is in juni 2011 verkocht en is overgedragen aan de kopers. 3.1.9 Op 19 juli 2012 heeft de bij de verkoop betrokken makelaar het volgende aan de voormalig advocaat van [geïntimeerde] geschreven. 'Op voorhand zullen wij nooit een positie willen innemen die neigt naar een voorkeur voor een bepaalde partij. Wel kan ik naar mijn mening de realiteit schetsen zoals ik het ervaren heb. Over de gehele verkooptraject gezien kan ik niet zeggen dat de verkoop is tegengewerkt. We hebben niet voor een dichte deur gestaan en de heer [geïntimeerde] was ook altijd conform afspraak niet aanwezig ten tijde van een bezichtiging. Het is wel zo dat de woning zich niet ideaal presenteerde maar dat is niet vreemd in dergelijke situaties en heeft ook voornamelijk te maken met de algehele kwaliteit van de woning (keuken, badkamer, vloeren etc). Deze situatie komt veelvuldig voor en is echt geen uitzondering op de andere scheidingen waar het onderlinge contact tussen de eigenaren slecht is. (...)' 3.1.10 Op 15 mei 2013 heeft de bij de verkoop betrokken makelaar het volgende aan de huidige advocaat van [geïntimeerde] geschreven. 'Wij hebben in 2011 in opdracht van de heer [geïntimeerde] en mevrouw [appellante] de woning aan de [adres] verkocht. Er was sprake van een moeizame onderlinge relatie tussen de eigenaren. Dit heeft echter geen afwijkende beperkingen, zoals gebruikelijk bij soortgelijke scheidingssituaties, tot gevolg gehad voor onze dienstverlening.' 3.1.11 Op 24 maart 2014 is op verzoek van [appellante] beslag gelegd onder de Sociale Verzekeringsbank op het AOW-pensioen van [geïntimeerde]. 4Het geschil en de beslissing van de voorzieningenrechter 4.1 [geïntimeerde] heeft bestreden dat hij dwangsommen heeft verbeurd en heeft op die grond opheffing van het hiervoor genoemde derdenbeslag gevorderd, onder terugbetaling van alle door de Sociale Verzekeringsbank ingehouden bedragen. De voorzieningenrechter heeft die vordering toegewezen. 5Grief I 5.1 [appellante] voert in haar eerste grief aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte ten aanzien van de gevorderde opheffing van het derdenbeslag een spoedeisend belang heeft aangenomen. Deze grief faalt, aangezien het in dit kort geding gaat om de beweerdelijke onrechtmatigheid van een op een AOW-pensioen gelegd beslag. Terecht heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat het spoedeisend belang in een dergelijk geval volgt uit de aard van de vordering. Dat is niet anders indien, zoals in dit geschil, [appellante] de tweede beslaglegger is. Het tweede beslag leidt er immers toe dat op de vordering van de eerste beslaglegger maandelijks minder wordt afgelost, met als gevolg dat op grond van dat eerste beslag gedurende langere tijd inhoudingen plaatsvinden.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.