GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.139.480/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel C07/155680/HZ ZA 09-405) arrest van de tweede kamer van 28 april 2015 in de zaak van 1 [appellant 1], wonende te [woonplaats 1], hierna: [appellant 1], 2. [appellant 2], wonende te [woonplaats 1], hierna: [appellant 2], appellanten, in eerste aanleg: gedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten], advocaat: mr. H.J.F. Dullemond, kantoorhoudend te Zwolle, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats 2], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. M.E. Dekker, kantoorhoudend te Zwolle. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 22 februari 2012 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, 23 januari 2013 van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zwolle en 19 juni 2013 van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 17 september 2013, - de memorie van grieven van [appellant 2], - de memorie van antwoord. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellant 2] in de memorie van grieven luidt: "te vernietigen de vonnissen van de rechtbank Zwolle-Lelystad/Overijssel van 22 februari 2012, 23 januari 2013 en 19 juni 2013 gewezen tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant 2] als gedaagde, en opnieuw rechtdoende: geïntimeerde in haar vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, als dan deze haar te ontzeggen met veroordeling van geïntimeerde om aan appelante te betalen de volgens gebruikelijke tarief te begrote bijdrage in de proceskosten van belde instanties." 3Rolverwijzing 3.1 Op de dag waartegen [appellanten] [geïntimeerde] heeft gedagvaard, zijnde 14 januari 2014, heeft mr. Dullemond ter rolle meegedeeld dat [appellant 1] in staat van faillissement is verklaard. Het hof heeft in verband hiermee ambtshalve het Centraal Insolventieregister geraadpleegd. Blijkens dit register is [appellant 1] op 10 september 2013 door de rechtbank Overijssel in staat van faillissement verklaard (zaaknummer F.8/13/770). Dit brengt in het onderhavige geval met zich dat het geding in hoger beroep ingevolge het bepaalde in artikel 29 F van rechtswege is geschorst na de inschrijving van de zaak ter rolle voor wat het geding tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] betreft, nu het gaat om een rechtsvordering die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft, als bedoeld in art. 26 F. 3.2 Blijkens de akte van levering, op 1 november 2006 verleden voor mr. [notaris], notaris te [plaats], welke akte als onderdeel van productie 2 bij inleidende dagvaarding in het geding is gebracht, zijn [appellant 1] en [appellant 2] in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Gelet op die omstandigheid, brengt het bepaalde in art. 63 F naar het oordeel van het hof met zich dat het geding tussen [appellant 2] en [geïntimeerde] in hoger beroep ingevolge art. bepaalde in artikel 29 F eveneens van rechtswege is geschorst, voor zover de vordering van [geïntimeerde] jegens [appellant 2] - in verband met het bepaalde in artikel 1:96 lid 1 BW omtrent de verhaalbaarheid van de schuld van een echtgenoot op de goederen van de huwelijksgoederengemeenschap - ook is aan te merken als een rechtsvordering die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft, als bedoeld in artikel 26 F. 3.3 De vordering van [geïntimeerde] jegens [appellant 2] behoeft - in verband met het bepaalde in artikel 1:96 lid 1 BW omtrent de verhaalbaarheid van de schuld van een echtgenoot op het privévermogen van die echtgenoot - niet uitsluitend het karakter te hebben van een rechtsvordering die voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft, als bedoeld in artikel 26 F. Dit is het geval indien sprake is van tot het privévermogen van [appellant 2] behorende goederen die [appellant 2] op de voet van artikel 61 F heeft kunnen terugnemen. Het hof zal daarom [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen om bij akte voldoende aannemelijk te maken - zo mogelijk door schriftelijke bescheiden - dat van zodanig privévermogen sprake. Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof beslissen als volgt. 4Beslissing Het gerechtshof: verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 26 mei 2015 voor het nemen door [geïntimeerde] van de akte als bedoeld in overweging 3.3; verstaat dat [appellant 2] daarna in de gelegenheid zal worden gesteld tot het nemen van een antwoordakte; houdt iedere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. W. Breemhaar en mr. M.M.A. Wind en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 28 april 2015.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.