Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-000650-14 Uitspraak d.d.: 1 mei 2015 TEGENSPRAAK Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 28 januari 2014 met parketnummer 19-830337-12 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], thans verblijvende en ingeschreven in de FPA Transfore, Gebouw Westerdok, Havennoordzijde 45, 7607 ES Almelo. Het hoger beroep De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. De stand van het onderzoek in hoger beroep Het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep richt zich tegen de aan verdachte in eerste aanleg opgelegde maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar, zoals bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht, na een vordering van de officier van justitie tot oplegging van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De advocaat-generaal is voornemens overeenkomstig te vorderen. Zijdens de verdediging is aangekondigd dat – evenals in eerste aanleg – het verweer zal worden gevoerd dat het opzet op het verdachte ten laste gelegde levensdelict alsmede de poging daartoe niet kan worden bewezen, omdat verdachte als gevolg van de haar voorgeschreven medicatie acathisie zou hebben ontwikkeld en daardoor verstoken was van ieder inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen. Verdachte zou daarom vrijgesproken moeten worden van het haar ten laste gelegde, aldus de raadsman van verdachte, mr. J.A.W. Knoester. Het hof beschikt thans over de navolgende in voornoemd kader relevante stukken: a. De rapportage van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, van 12 juni 2013, opgemaakt door A.C. Bruijns, psychiater, en B.H. Boer, klinisch psycholoog. De conclusie daarvan luidt dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis, bestaande uit een sensitiviteit voor het ontwikkelen van psychoses, geclassificeerd als een psychotische stoornis niet anderszins omschreven. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, bestaande uit persoonlijkheids-problematiek. Verdachte heeft een kwetsbare, zwak gestructureerde persoonlijkheid, die niet goed bestand is tegen spanningen, hetgeen zich in stressvolle omstandigheden kan uiten in stemmingswisselingen en woede-uitbarstingen. Ook de realiteitstoetsing komt dan sterk onder druk te staan, wat kan leiden tot dissociatie en psychose. Het is niet met zekerheid te stellen, maar beslist niet uit te sluiten dat een acute verhoging van de dosering van het middel venlafaxine de psychische toestand kan hebben beïnvloed en dat de psychotische vertekening, de sterke onrust en het agressieve gedrag deels te verklaren zijn als gevolg van een overdosering venlafaxine. Ook los van een eventuele invloed van het medicatiegebruik op verdachtes psychische toestand is haar eerdergenoemde psychotische- en persoonlijk-heidsproblematiek van doorslaggevende invloed geweest op haar functioneren ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Een gedwongen psychiatrische opname voor de duur van maximaal een jaar in het kader van een artikel 37-maatregel is van een te korte duur om te verwachten dat deze interventie het recidivegevaar voldoende kan beperken. Dat maakt dat een tbs-behandeling noodzakelijk wordt geacht. Het beperkte probleeminzicht van verdachte en de façade van normaliteit, waardoor zij onbewust behandelaars op een verkeerd spoor kan zetten, staan een behandeling in een voorwaardelijk kader in de weg. Het Pieter Baan Centrum adviseert de rechtbank om verdachte volledig ontoerekenings-vatbaar de achten voor de ten laste gelegde feiten en haar de maatregel van terbeschikking-stelling met bevel tot verpleging op te leggen. b. De rapportages van drs. A. de Jong, gz-psycholoog, en dr. T.W.D.P van Os, psychiater en psychoanalyticus, van 24 oktober 2013 respectievelijk 28 oktober 2013, waarin de vraag diende te worden beantwoord of kon worden volstaan met een minder zware maatregel dan door het Pieter Baan Centrum was geadviseerd. In deze rapportages wordt geconcludeerd dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis der geestvermogens, te weten een psychotische stoornis NAO blijkens haar gevoeligheid voor het ontwikkelen van psychoses. Er zijn geen aanwijzingen voor chronisch aanwezige psychotische fenomenen, zoals bij schizofrenie. Het is zeker niet uit te sluiten dat de psychotische fenomenen en gedragsmatige ontregeling samenhangen met een postpartum-depressie/psychose of een onderliggende bipolaire stoornis, waarvan het beloop nog onduidelijk is. Het is evenmin uit te sluiten dat de psychose versterkt is door het gebruik van venlafaxine. Er zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het kunnen vaststellen van een persoonlijkheidsstoornis. Onderzoekers achten het risico van herhaling van een delict zoals het haar ten laste gelegde wel aanwezig, toegespitst op gevaar voor eigen kinderen (maar een kinderwens is afwezig) en suïcidegevaar, maar achten opname in een psychiatrisch ziekenhuis in het kader van een artikel 37-maatregel afdoende om het verlies van haar zoon te verwerken, een delictscenario op te stellen en een terugvalpreventieplan te maken. Indien nodig kan nadien een (ambulante) behandeling in een vrijwillig kader worden vervolgd. Het vonnis van de rechtbank van 28 januari 2014 is (mede) gebaseerd op vorenstaande rapportages. Het advies van drs. A. de Jong en dr. T.W.D.P. van Os werd overgenomen. Ter regiezitting van 29 augustus 2014 heeft het hof het verzoek van de verdediging toegewezen om drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, gehoord op die terechtzitting, als forensisch-medisch deskundige te laten rapporteren. Voorts achtte het hof aanvullende rapportage van de hiervoor reeds genoemde deskundigen A.C. Bruijns, B.H. Boer, T.W.D.P van Os en A. de Jong noodzakelijk, nu de door hen opgemaakte rapportages inmiddels ouder dan één jaar waren. Ter nadere regiezitting van het hof van 17 april 2015 zijn de navolgende stukken aan de orde gekomen. c. De brief van 6 maart 2015 van drs. B.H. Boer en dr. P.K.J. Ronhaar, als psycholoog respectievelijk psychiater verbonden aan het Pieter Baan Centrum, aan de raadsheer-commissaris in strafzaken van dit hof, waaruit blijkt dat aanvullende gedragskundige rapportage niet mogelijk was, omdat verdachte haar medewerking daaraan weigerde. In dit verband is nog van belang te melden dat A.C. Bruijns, psychiater en mederapporteur in het onderzoek van het Pieter Baan Centrum van 12 juni 2013, inmiddels gepensioneerd is en P.K.J. Ronhaar in deze zaak in zijn plaats is getreden. Ronhaar heeft destijds ‘meegelezen’ en is daardoor bekend met de zaak. d. De brief van dr. T.W.D.P. van Os aan de raadsheer-commissaris in strafzaken van dit hof van 13 januari 2015, waarin deze de opdracht van het hof om aanvullend te rapporteren teruggeeft. De opgegeven reden daarvoor is – kort samengevat – dat er bij onderzoeker vragen zijn gerezen over de uitkomsten van het onderzoek van drs. S.J.M. Eikelenboom-Schieveld, met name over (de datering van) de door haar gebruikte bloedmonsters en de kennelijk niet eensluidende bevindingen van het Erasmus Medisch Centrum. Verdachte heeft evenwel geen toestemming aan onderzoeker gegeven om contact op te nemen met Eikelenboom voornoemd. Van Os stelt dat, nu hij niet kan verifiëren waarop Eikelenboom haar bevindingen heeft gebaseerd en hij met haar diagnostiek rekening dient te houden bij de beantwoording van de gebruikelijke vraagstelling, hij niet in staat is om aan de opdracht van het hof te voldoen. Voorts meldt Van Os in zijn brief dat in de gesprekken die hij met verdachte heeft gehad op 23 oktober 2013 en 16 december 2014 naar voren komt “dat onderzochte meer dan een jaar zonder medicatie binnen detentie goed heeft gefunctioneerd maar dat ze in december 2014 opnieuw dusdanig ontregelde dat ze in samenspraak met de psychiater werd ingesteld op een antipsychoticum”. Uit de brief van mederapporteur, drs. A. de Jong, aan de raadsheer-commissaris in strafzaken van 23 februari 2015 komt naar voren dat verdachte weliswaar te kennen heeft gegeven medewerking te willen verlenen aan (aanvullend) psychologisch onderzoek, maar dat zij geen toestemming gaf voor het opvragen van informatie bij het medisch/ psychologisch personeel van de PIV te Zwolle, noch om een gesprek met haar ouders en haar partner te voeren. Voorts stelt De Jong afhankelijk te zijn van mederapporteur Van Os en diens bevindingen ten aanzien van de specifieke medische en farmaceutische problematiek in deze zaak. Nu Van Os zijn opdracht heeft teruggegeven, is De Jong evenmin in staat om te rapporteren. Ook De Jong maakt melding van verdachtes terugval in december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.