Wrakingskamer Beklagnummer: K14/0625 Wrakingsnummer: W200.165.721 Uitspraakdatum: 2 april 2015 Beslissing gewezen op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door [Verzoeker] geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [adresgegevens]. De procedure Ter zitting van de wrakingskamer van 19 februari 2015 is door verzoeker om wraking verzocht van mrs. Y.A.J.M. van Kuijck, R. de Groot en mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen. Deze raadsheren hebben niet in de wraking berust. De wrakingskamer heeft ter zitting van 19 maart 2015 de verzoeker gehoord. Mr. Prakke-Nieuwenhuizen was gedurende een gedeelte van die zitting aanwezig. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft verzoeker per fax een brief, gedagtekend 19 maart 2015, aan de wrakingskamer gestuurd. De wrakingskamer heeft deze brief niet tot de gedingstukken gerekend, omdat het onderzoek reeds gesloten was. Ontvankelijkheid De wrakingskamer acht het verzoek tijdig gedaan en ook overigens ontvankelijk. De gronden van het verzoek tot wraking Ter onderbouwing van het wrakingsverzoek is - kort gezegd - aangevoerd dat de gewraakte raadsheren op de zitting van 19 februari 2015 hebben aangegeven dat er in de beklagprocedure een eindbeschikking was gedaan, terwijl verzoeker van mening is dat er geen sprake is van een eindbeschikking omdat in die beschikking geen antwoorden zijn gegeven op al zijn klachten. Verzoeker heeft betoogd dat daarom ten onrechte door de gewraakte raadsheren het beeld is geschetst dat het wrakingsverzoek te laat is gedaan. De beoordeling van het verzoek tot wraking Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit lijdt slechts uitzondering indien zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer overweegt met betrekking tot de aangevoerde wrakingsgronden als volgt. Op de wrakingszitting van 19 februari 2015 is de tijdigheid van het wrakingsverzoek aan de orde gesteld. Dat is kennelijk gedaan om verzoeker de gelegenheid te geven om zijn standpunt daarover te geven. Hieruit valt naar het oordeel van de wrakingskamer geen vooringenomenheid af te leiden. Ook uit de opmerkingen van de gewraakte raadsheren, inhoudende dat de beklagprocedure is afgerond met de beschikking van 7 december 2014 valt geen vooringenomenheid af te leiden, nu die opmerkingen feitelijk juist zijn. De omstandigheid dat verzoeker van mening is dat die beschikking onjuist is, maakt dat niet anders. Op grond van het vorenoverwogene zal het wrakingsverzoek worden afgewezen. BESLISSING Het hof (wrakingskamer): Wijst het verzoek tot wraking van mrs. Y.A.J.M. van Kuijck, R. de Groot en mr. R. Prakke-Nieuwenhuizen af. Aldus gewezen door mr. H. Abbink, voorzitter, mrs. R.F.C. Spek en J.P. Bordes, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. W.B. Kok, griffier, en op 2 april 2015 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.