GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht arrest van de zesde kamer van 12 mei 2015 zaaknummer hof: 200.105.604 (bodemzaak I) (zaaknummer rechtbank Utrecht: 304088) in de zaak van de stichting Stichting Sint Antonius Ziekenhuis, gevestigd te Nieuwegein, appellante, advocaat: mr. M.J.J. de Ridder, tegen: 1 [dochter M], wonende te [woonplaats], en
(7e)factuur dateert van 15 juli 2011 en ziet op de werkzaamheden die door mr. Ten Brummelhuis zijn verricht in de periode 10 februari 2011 tot 18 mei 2011. Het betreft 61,40 uur tegen een uurtarief van € 230,- en het factuurbedrag sluit op € 17.813,49. St. Antonius betwist dat de gevorderde kosten de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets (ex artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW) kan doorstaan. Bovendien betwist St. Antonius dat [geïntimeerden] schade lijden nu zij aanspraak (kunnen) maken op de rechtsbijstandpolis van DAS. Het hof oordeelt als volgt. 2.17 Uit de gespecificeerde onderbouwing van de facturen valt op te maken dat niet alleen veel (en/of langdurig) overleg is gevoerd met [geïntimeerden] en dat er ook flink wat correspondentie is gevoerd, doch er zijn ook vele uren besteed aan de buitengerechtelijke schadeafwikkeling met de deskundigen (buro Van Dijk, dhr. [C], Heling en partners (dhr. [D]), mevr. [E]), bestudering van de (vele) rapporten, overleg met de verzekeraar MediRisk en overleg met de medisch adviseur (en bestudering van diens rapporten). In de laatste periode na het deelgeschil is ook regelmatig overleg gevoerd met de advocaat van St. Antonius, mr. De Ridder. Het geschil tussen partijen is van meet af aan taai geweest en St. Antonius heeft ook in de buitengerechtelijke fase stevig (geharnast) verweer gevoerd. Al met al zijn de buitengerechtelijke uren die mr. Ten Brummelhuis aan deze zeer lastige zaak heeft besteed, naar het oordeel van het hof niet buitensporig geweest en het aantal bestede uren kan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in art. 6: 96 lid 2 sub b en c BW doorstaan. De door mr. Ten Brummelhuis gehanteerde tarieven kunnen ook de redelijkheidstoets doorstaan, nu het om gebruikelijk advocatentarieven gaat. Dat de rechtsbijstandsverzekeraar van [geïntimeerden] (DAS) de buitengerechtelijke kosten zou vergoeden is ongemotiveerd gesteld door St. Antonius en betwist door [geïntimeerden] Het gevorderde bedrag zal aldus worden toegewezen. Kosten mediation 2.18 Een laatste dispuut tussen partijen betreft de kosten van mr. Ten Brummelhuis voor zijn bijstand bij de mediation in 2012 (-2013). In art. 8.4 van de mediation-overeenkomst van12 oktober 2012 is opgenomen dat partijen ieder voor zich de aan eigen zijde gevallen kosten dragen. De kosten van de mediator zijn gedragen door St. Antonius. Het moge zo zijn dat mr. Ten Brummelhuis en/of [geïntimeerden] hebben begrepen dat St. Antonius óók de kosten van mr. Ten Brummelhuis zou dragen, maar dat volgt niet uit genoemde bepaling in de mediation-overeenkomst. Ook met toepassing van het Haviltexcriterium kan rechtens niet geconcludeerd worden dat [geïntimeerden] gerechtvaardigd erop mochten vertrouwen dat St. Antonius de kosten van mr. Ten Brummelhuis zou dragen: dit kan worden afgeleid uit de tekst van art. 8.4, die niet voor meerdere uitleg vatbaar is. 3Slotsom 3.1 Het hof verwijst naar de samenvatting en overzicht van de gevoerde procedures in eerste aanleg naar de rechtsoverwegingen 3.8-3.10 in het tussenarrest van 14 januari 2014. In de daaropvolgende rechtsoverwegingen 3.11-3.12 heeft het hof een samenvatting en overzicht gegeven van de procedures in hoger beroep. Voor alle duidelijkheid zal het hof per zaak de vorderingen en de grieven op een rijtje zetten en de betreffende eindbeslissingen van het hof. 3.2 In bodemzaak I heeft St. Antonius hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 29 februari 2012 (volgend op de deelgeschilprocedure). Grief 1 ziet op de verklaring voor recht betreffende het jaarlijkse bedrag van de verzorgingskosten van [Moeder] van € 84.000,- over de jaren juli 2006-juli 2010 (dit is totaal € 336.000). Het oordeel van de rechtbank (rechtsoverweging 4.11 en dictum 5.1) dat de wettelijke rente hierover steeds verschuldigd is vanaf de datum dat de kosten van verzorging zijn gemaakt (en niet vanaf 10 juli 2006 over het totaal gevorderde bedrag), onderschrijft het hof en maakt die tot de zijne. Het hof heeft in rechtsoverweging 2.2 van dit arrest geoordeeld dat St. Antonius jaarlijks ten behoeve van de verzorgingskosten van [Moeder] aan [geïntimeerden] dient te vergoeden een bedrag van € 51.598,-. Grief 1 slaagt dus deels. Grief 2 ziet op de begroting voor de kosten van de verbouwing van de [adres] te [woonplaats dochter M]. Het hof heeft in rechtsoverweging 2.4 die kosten op nihil gesteld nu voor de verbouwing van de woning een WMO-vergoeding is ontvangen van € 110.136,-. Grief 2 slaagt aldus. Met grief 3 is St. Antonius opgekomen tegen de hoogte van het toegekende smartengeld van € 100.000,-. Het hof heeft in het tussenarrest van 14 januari 2014 in rechtsoverweging 3.28 het smartengeld begroot op een bedrag van € 67.155,-. Grief 3 slaagt deels. Het (deels) slagen van de grieven brengt met zich dat het vonnis van 29 februari 2012 vernietigd moet worden. Met grief 4 heeft St. Antonius aangevoerd dat de vorderingen van [dochter M] en [dochter S] pro se zouden moeten worden afgewezen. Het hof heeft in dit arrest in rechtsoverweging 2.3 deze grief verworpen. Het hof zal (hierna onder 3.5) nog oordelen over grief 5 met betrekking tot de proceskostenveroordeling van St. Antonius in het vonnis van 29 februari 2012. 3.3 In bodemzaak II hebben [geïntimeerden] hoger beroep ingesteld tegen zowel de afwijzing van de provisionele vordering in het vonnis in het incident van 11 april 2012 als tegen het tussenvonnis van 20 juni 2012 om bij wege van prorogatie aan het hof de overige geschilpunten ter beslissing voor te leggen. De zes grieven tegen het vonnis in het incident ontberen thans enige relevantie, zodat deze grieven niet besproken worden en het vonnis in het incident in stand blijft. Wat betreft de overige vorderingen van [geïntimeerden] geldt het volgende. Op uitnodiging van het hof hebben partijen ervoor gekozen al hun (overige) geschilpunten aan het hof voor te leggen, ook die geschilpunten die nog niet eerder door de rechtbank zijn beoordeeld en waarover ook overigens niet of nauwelijks debat is gevoerd. Het hof heeft dan ook, bij wijze van prorogatie, de resterende vorderingen van [geïntimeerden] beoordeeld. In overleg met partijen is eveneens gekozen voor begroting van de toekomstige schade. Omwille van procesrechtelijke duidelijkheid zal het hof het tussenvonnis van 20 juni 2012 vernietigen en beslissen als volgt wat betreft de toegewezen vorderingen: a.
- a)De kosten van verzorging van [Moeder] bedragen jaarlijks, te rekenen vanaf 10 juli 2006, € 51.598,-. De toekomstige kosten van verzorging zijn gefixeerd tot 2 augustus 2021 (de leeftijd van 95 jaar van [Moeder]), zonder enige sterftekanscorrectie. St. Antonius is gehouden een bedrag van € 20.000,- (per jaar) te vergoeden indien [Moeder] geen gebruik meer maakt van de dagopvang (totdat zij de leeftijd van 95 jaar bereikt).
- b)De kosten voor de verbouwing van de woning van [dochter S] begroot het hof op € 75.000,-
- c)Voor extra kleding wordt een eenmalig bedrag toegekend van € 1.000,-.
- d)Voor hulpmiddelen (waaronder een traplift) wijst het hof een bedrag toe van € 6.966,47 en een (eenmalig) bedrag van € 1.150,- (in totaal dus € 8.116,47).
- e)Voor buitengerechtelijke kosten wijst het hof het gevorderde bedrag van € 49.026,45 toe. De overige vorderingen worden afgewezen. 3.4 St. Antonius heeft voorzover het hof bekend in totaal een bedrag van € 515.000,- aan voorschotten betaald. Partijen zullen met inachtneming van de imputatieregels van de artikelen 6:43-44 BW de nog aanvullend te betalen schadevergoeding zelf moeten (laten) uitrekenen. De wettelijke rente over de toegekende bedragen is steeds verschuldigd vanaf het moment dat ze opeisbaar waren. Zo is bijvoorbeeld de wettelijke rente over het smartengeld reeds verschuldigd vanaf het moment dat de schade intrad, dat is 8 januari 2006. 3.5 Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten in alle zaken zowel in eerste aanleg (behoudens de proceskostenveroordeling in het deelgeschil) als in hoger beroep worden gecompenseerd. 4De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: in bodemzaak I (rolnummer 200.105.604) vernietigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 29 februari 2012 en doet opnieuw recht; - verklaart voor recht dat St. Antonius aan [geïntimeerden] jaarlijks, te rekenen vanaf 10 juli 2006 tot aan 2 augustus 2021, gehouden is te vergoeden een bedrag van € 51.598,- ten behoeve van de verzorging/verpleging van [Moeder]; - verklaart voor recht dat St. Antonius gehouden is aan [geïntimeerden] een bedrag van € 20.000,- per jaar te vergoeden te vergoeden in het geval dat [Moeder] geen gebruik meer maakt van de dagopvang (totdat zij de leeftijd van 95 jaar bereikt); - verklaart voor recht dat St. Antonius niet gehouden is de kosten van verbouwing van de woning [adres] te [woonplaats dochter M] (van [dochter M]) aan [geïntimeerden] te vergoeden; - verklaart voor recht dat een vergoeding van € 67.155,- voor immateriële schade (voor [Moeder]) passend is; - verklaart voor recht dat bij de betalings- en renteverplichtingen van St. Antonius rekening dient te worden gehouden met de reeds betaalde voorschotten, met inachtneming van de imputatieregels in art. 6:43-44 BW; in bodemzaak II (rolnummer 200.112.348) vernietigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 20 juni 2012 en doet opnieuw recht; - veroordeelt St. Antonius tot betaling van € 51.598,- (te rekenen per jaar) aan [geïntimeerden], te rekenen vanaf 10 juli 2006 tot aan 2 augustus 2021, ten behoeve van de verzorging/verpleging van [Moeder], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid; - veroordeelt St. Antonius tot betaling van € 75.000,- aan [geïntimeerden], betreffende de verbouwing van de woning (van [dochter S]) te [woonplaats dochter S], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid; - veroordeelt St. Antonius tot betaling van € 1.000,- aan [geïntimeerden], betreffende de kosten voor extra kleding [Moeder], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid; - veroordeelt St. Antonius tot betaling van € 8.116,47 aan [geïntimeerden], betreffende de hulpmiddelen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid; - veroordeelt St. Antonius tot betaling van € 49.026,45 aan [geïntimeerden], betreffende de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid; - verstaat dat bij de betalings- en renteverplichtingen van St. Antonius rekening dient te worden gehouden met de reeds betaalde voorschotten, met inachtneming van de imputatieregels in art. 6:43-44 BW; in het incident (rolnummer 200.106.381 ) bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 11 april 2012; in alle zaken: compenseert de kosten van beide instanties aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt (behoudens de kosten van het deelgeschil); verklaart dit arrest ten aanzien van de veroordelingen tot betaling uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, H. Wammes en P.H. van Ginkel, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 mei 2015.