GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.159.797/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/94617/HA ZA 07-492) arrest van de eerste kamer in de incidenten ex artikel 351 en 235 Rv van 20 januari 2015 in de zaak van 1 [appellant 1], wonende te [woonplaats], 2. [appellant 2], wonende te [woonplaats], appellanten, in eerste aanleg: gedaagden, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten], advocaat: mr. M.M.J. Arts, kantoorhoudend te Groningen, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. G.P. Wempe, kantoorhoudend te Drachten. 1Het geding in eerste aanleg 1.1 In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 22 augustus 2007, 11 maart 2009, 17 februari 2010, 30 juni 2010 en 13 oktober 2010 door de rechtbank Groningen, alsmede de rolbeslissing van deze rechtbank d.d. 17 november 2010, waarbij op verzoek van [appellanten] de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep tegen het tussenvonnis van 13 oktober 2010 is opengesteld. 1.2 Vervolgens heeft het gerechtshof Leeuwarden bij arrest van 24 januari 2012 beslist op het door [appellanten] ingestelde hoger beroep tegen het tussenvonnis van 13 oktober 2010, bij welk arrest het hof de zaak ter verdere behandeling en beslissing heeft terugverwezen naar de rechtbank Groningen. 1.3 Daarop is voort geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 2 oktober 2013 en 27 augustus 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, (hierna: de rechtbank). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep, tevens houdende incidentele vordering ex artikel 351 Rv dan wel 235 Rv, d.d. 13 november 2014 (met grieven en een productie), - de memorie van antwoord in het incident (met producties). 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in incident overgelegd en heeft het hof arrest in incident bepaald. 2.3 De incidentele vordering van [appellanten] luidt: "Dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden moge behagen bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad primair de tenuitvoerlegging van het vonnis d.d. 27 augustus 2014, tussen appellanten als gedaagden en geïntimeerde als eiser gewezen, te schorsen, dan wel subsidiair te bepalen dat alsnog voldoende zekerheid wordt gesteld voor betaling van hetgeen door appellanten bij vonnis van 27 augustus 2014 zijn veroordeeld te betalen aan eiser, dus in totaal zekerheid voor een bedrag van minimaal € 115.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, en voorts te bepalen dat indien en zolang er door eiser onvoldoende zekerheid wordt gesteld, gedaagden niet gehouden gedurende onderhavige hoger beroepsprocedure het vonnis van 27 augustus 2014 na te komen, in beide gevallen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van deze incidentele procedure." 3De motivering van de beslissing in de incidenten in hoger beroep 3.1 Op vordering van [geïntimeerde] heeft de rechtbank bij het bestreden vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 81.302,00 aan [geïntimeerde], te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2006. 3.2 In de incidenten vorderen [appellanten] primair op grond van artikel 351 Rv schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis en subsidiair op grond van artikel 235 Rv dat aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde zal worden verbonden dat [geïntimeerde] zekerheid stelt. 3.3 [appellanten] hebben in hun incidentele conclusie aangevoerd dat aan de zijde van [geïntimeerde] sprake is van een restitutierisico. Ter onderbouwing van dit standpunt stellen [appellanten] dat [geïntimeerde] een hypothecaire lening heeft die de waarde van zijn woning (fors) overstijgt en dat [appellanten] reden hebben aan te nemen dat [geïntimeerde] het door hem te ontvangen bedrag zal aanwenden ter aflossing van deze lening. Voorts dient [geïntimeerde] ten aanzien van het op grond van het bestreden vonnis te ontvangen bedrag belasting over winst uit aanmerkelijk belang te betalen. Nu [geïntimeerde] volgens [appellanten] een modaal salaris verdient en hij daarbij veel kosten heeft moeten maken in verband met meerdere rechtszaken tussen partijen, zal [geïntimeerde] naar de mening van [appellanten] niet in staat zijn bij vernietiging van het vonnis waarvan beroep het (gehele) op grond van dat vonnis betaalde bedrag aan [appellanten] terug te betalen. Gelet hierop, alsmede gelet op de omvang van het bedrag, stellen [appellanten] dat [geïntimeerde] inzicht dient te geven in zijn financiële situatie, bij gebreke waarvan de eis in incident zou moeten worden toegewezen. 3.4 [geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord in het incident het standpunt ingenomen dat de hoogte van zijn hypothecaire lening niet significant afwijkt van de WOZ-waarde van zijn woning. Daarbij geeft [geïntimeerde] aan een bovenmodaal salaris te verdienen en behoudens de hypothecaire lening geen schulden te hebben. Mocht het vonnis waarvan beroep in hoger beroep vernietigd worden dan zal [geïntimeerde] een verlies uit aanmerkelijk belang kunnen opvoeren en zodoende restitutie van de betaalde belasting kunnen verkrijgen. [geïntimeerde] stelt voorts dat hij belang heeft bij betaling van het bedrag waartoe [appellanten] veroordeeld zijn, nu [appellanten] eerder zijn aangesproken op paulianeus handelen, waardoor het risico bestaat dat [appellanten] op een later moment niet meer tot betaling van het toegewezen bedrag in staat zullen zijn. 3.5 Het hof overweegt als volgt. De vraag waar het in het onderhavige incident allereerst om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het bestreden vonnis op de voet van artikel 351 Rv. 3.6 Bij de beantwoording van die vraag stelt het hof voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, ECLI:NL:HR: 2008:BC5012):(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.