GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer 200.164.436/01 (zaaknummers: Hoge Raad: 14/02768 en Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, HA RK 14-91) beschikking na verwijzing door de Hoge Raad van de eerste civiele kamer van 28 mei 2015 inzake [de curator], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van (de heer) [A] wonende te [woonplaats 1] appellant, hierna te noemen: de curator, advocaat: mr. J.H. Mastenbroek, kantoorhoudende te Groningen, tegen [A], wonende te [woonplaats 2], appellant, hierna te noemen: [A], advocaat: mr. G.B. de Jong, kantoorhoudende te Hoogezand. 1Het geding in hoger beroep na verwijzing 1.1 Voor de voorgeschiedenis verwijst het hof naar de beschikking van de Hoge Raad van 16 januari 2015 (gepubliceerd onder: ECLI:NL:HR:2015:87). Daarbij heeft de Hoge Raad de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 14 mei 2014 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar dit hof verwezen. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit: - een brief van 4 februari 2015 van mr. De Jong met het verzoek tot voortprocederen, met bijlagen; - een journaalbericht van 12 februari 2015 van mr. De Jong met bijlagen; - een journaalbericht van 17 februari 2015 van mr. Mastenbroek met een beroepschrift na verwijzing met bijlagen - een journaalbericht van 20 februari 2015 van mr. De Jong met bijlagen. 1.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 maart 2015. Namens de curator was mr. Mastenbroek aanwezig, vergezeld door een stagiaire. [A] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Ook mevrouw [B], de ex-echtgenote van [A], was ter zitting aanwezig. 2De vaststaande feiten 2.1 Bij vonnis van 4 april 2012 is [A] in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. A.L. Goederee tot rechter-commissaris en aanstelling van mr. [de curator] tot curator. 2.2 Tot de failliete boedel behoort onder meer de woning van [A] te [woonplaats 2] (hierna de woning). Ter financiering van deze woning is [A] samen met [B] een geldlening van € 318.250,- aangegaan bij de SNS bank (hierna: de bank) waarvoor zij beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn. Tot zekerheid voor de voldoening van deze geldlening is bij akte van 28 augustus 2003 een recht van hypotheek op de woning gevestigd ten behoeve van de bank. 2.3 De WOZ-waarde van de woning bedroeg blijkens een WOZ-beschikking over het jaar 2013 in dat jaar € 136.000,- . 2.4 [A] heeft aan de curator bericht dat (door een derde) aan de maandelijkse verplichtingen jegens de bank wordt voldaan en te kennen gegeven in de woning te willen blijven wonen. De bank heeft aan de curator laten weten geen aanleiding te hebben om tot executie over te gaan aangezien de renteverplichtingen worden nagekomen, er geen betalingsachterstanden zijn en er sprake is van onderwaarde. 2.5 Bij brief van 15 januari 2014 heeft de curator aan de bank op grond van artikel 58 Faillissementswet( Fw) een termijn gesteld van zes maanden om over te gaan tot executie uitoefening van het hypotheekrecht - van de woning, bij gebreke waarvan de curator tot opeising van de woning zal overgaan (en deze zelf zal verkopen). 2.6 De bank heeft daarop een aanvang gemaakt met de openbare verkoop van de woning en een executieveiling gepland op 15 mei 2014. Deze executieveiling is ingetrokken na de hierna nader te noemen beschikking van de rechter-commissaris van 2 april 2014. 2.7 De door de curator bij brief van 15 januari 2014 aan de bank gestelde termijn is inmiddels verstreken zonder dat de woning door de bank is verkocht. 3De beoordeling 3.1 Bij brieven van 14 en 19 maart 2014 heeft [A] de rechter-commissaris verzocht de door de curator aan de bank gestelde termijn, om tot executie van zijn woning over te gaan, ongedaan te maken. 3.2 Bij beschikking van 2 april 2014 heeft de rechter-commissaris het (eigenlijke) verzoek van [A] om de termijnstelling door de curator ongedaan te maken afgewezen, op de grond dat niet gesteld kan worden dat de termijnstelling niet rechtsgeldig is geschied. Het verzoek is vervolgens door de rechter-commissaris aldus begrepen dat (ex artikel 69 Fw) verzocht wordt om te bevelen dat de curator zal nalaten de woning van [A] te [woonplaats 2] na afloop van de thans gestelde termijn op te eisen en met toepassing van de artikelen 101 of 176 Fw te verkopen. Dat verzoek is toegewezen. 3.3 De curator heeft vervolgens op 7 april 2014 bij de rechtbank Groningen beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris en verzocht het verzoek van [A] alsnog af te wijzen. 3.4 Bij beschikking van 14 mei 2014 heeft de rechtbank de beschikking van 2 april 2014 van de rechter-commissaris vernietigd voor zover daarbij het bevel is gegeven dat de curator nalaat de woning van [A], na afloop van de aan de bank gestelde termijn, op te eisen en te verkopen. De rechtbank heeft de curator toegestaan om na afloop van de termijn die de bank is gesteld voor executie, de woning op te eisen en met toepassing van de artikelen 101 of 176 Fw te verkopen. De rechtbank heeft de beschikking bekrachtigd, voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek tot ongedaanmaking van de termijnstelling aan de bank. 3.5 Op 26 mei 2014 heeft [A] tegen de onder 3.4 genoemde beschikking beroep in cassatie ingesteld. De onderdelen 4.1 tot en met 4.3 van het cassatiemiddel betreffen, naar de kern genomen, de klacht dat de rechtbank heeft miskend dat, gelet op de vaststaande feiten en hetgeen hij heeft aangevoerd, de boedel geen rechtens te respecteren belang heeft bij de termijnstelling door de curator en daarop voortbouwend bij de verkoop door hem op grond van de artikelen 58 en 101 Fw. De klacht in onderdeel 4.4. van het middel betreft het feit dat de rechtbank de bevoegdheid van de curator tot c.q. de rechtsgeldigheid van de termijnstelling als vaststaand heeft aangenomen. 3.6 De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 16 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:87) de klachten van de onderdelen 4.1 tot en met 4.3 van het middel gegrond bevonden. Daartoe heeft de Hoge Raad het volgende overwogen: "3.6 In dit geding dient tot uitgangspunt, zoals de rechter-commissaris heeft vastgesteld, dat SNS Bank de haar gestelde termijn niet ongebruikt zal laten verlopen. De curator heeft in zijn beroepschrift voor de rechtbank erkend dat de verwachting is dat SNS Bank de ingezette executieveiling zal voortzetten, en dat hij daarvan ook uitgaat. Voorts dient in cassatie veronderstellenderwijs tot uitgangspunt dat, zoals [A] in zijn verweerschrift in hoger beroep onder verwijzing naar een overgelegde e-mail van SNS Bank van 23 april 2014 heeft betoogd, bij executie van de woning door SNS Bank geen uitkering aan de boedel te verwachten is. 3.7 Hoewel vaststaat dat SNS Bank eigener beweging niet wilde overgaan tot executie van de woning (zie hiervoor in 3.1 onder (iv)), heeft zij naar aanleiding van de termijnstelling van de curator een executieveiling voorbereid. Dit laatste deed zij kennelijk – mede gelet op haar intrekking van de veiling nadat de mogelijkheid van verkoop door de curator op dat moment van de baan was vanwege het hiervoor in 3.3 vermelde bevel van de rechter-commissaris – uitsluitend om te voorkomen dat de curator zou overgaan tot de verkoop en dat ten gevolge daarvan een deel van de opbrengst zou worden aangewend voor een bijdrage in de algemene faillissementskosten. Ondanks de intrekking door SNS Bank van de geplande veiling, diende derhalve ook de rechtbank in hoger beroep ervan uit te gaan dat SNS Bank de door de curator gestelde termijn niet zou laten verlopen, gelet op het daaromtrent door de curator in hoger beroep ingenomen standpunt (zie hiervoor in 3.6), de houding en handelingen van SNS Bank, en de omstandigheid dat de door de curator gestelde termijn van zes maanden ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep op 25 april 2014 nog lang niet was verstreken. 3.8.1 Gelet op hetgeen hiervoor in 3.6 en 3.7 is overwogen, is onbegrijpelijk het oordeel van de rechtbank dat uitoefening door de curator van zijn in art. 58 Fw gegeven bevoegdheden zal leiden tot dekking van de faillissementskosten en dat de curator derhalve een in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de uitoefening van die bevoegdheden. De daarop gerichte klachten van de onderdelen 4.1 – 4.3 zijn gegrond. 3.8.2 Hieraan doet niet af hetgeen de rechtbank in rov. 4.10 heeft overwogen omtrent de afwijzing door de rechter-commissaris van het “oorspronkelijke” verzoek van [A] om de termijnstelling aan SNS Bank “ongedaan te maken”, waartegen [A] in hoger beroep niet is opgekomen. Ook in hoger beroep hield het betoog van [A] met betrekking tot de uitoefening door de curator van zijn bevoegdheden ingevolge art. 58 Fw – het stellen van een termijn en in het verlengde daarvan het opeisen en vervolgens verkopen van de woning – immers onmiskenbaar in (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.