GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.113.479 (zaaknummer rechtbank Utrecht 257334) arrest van de zesde kamer van 9 juni 2015 [appellant sub 1] , wonende te [plaatsnaam], appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, hierna: [appellant sub 1], advocaat: mr. F.H. Tak, en [appellante sub 2], wonende te [plaatsnaam],appellante in het principaal hoger beroep,geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,hierna: [appellante sub 2],advocaat: mr. F.H. Tak, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [plaatsnaam], geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof verwijst naar zijn arrest in de hoofdzaak en in het incident van 4 maart 2014. In dit arrest heeft het hof [appellant sub 1] in de hoofdzaak ontvankelijk verklaard in de door hem ingestelde vorderingen in reconventie en [appellant sub 1] in het incident in de gelegenheid gesteld om [appellante sub 2] op de voet van artikel 118 Rv op te roepen en derhalve met inachtneming van de voor dagvaarding geldende termijnen als partij in dit geding op te roepen tegen de rol van dinsdag 18 maart 2014, teneinde haar als partij in het geding te betrekken en alsnog haar standpunt te laten bepalen ten aanzien van de reconventionele vorderingen van [appellant sub 1] alsmede het geschil in hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de reconventionele vorderingen en de vermeerderingen van eis van [geïntimeerde]. Het hof heeft verder bepaald dat [appellant sub 1] een afschrift van de processtukken van de eerste aanleg en het hoger beroep met alle producties, waaronder een afschrift van het arrest, (ongeveer) tegelijkertijd met de oproeping per aangetekende post met bericht van ontvangst aan [appellante sub 2] dient toe te zenden. 1.2 [appellant sub 1] heeft op de rol van 18 maart 2014 een akte genomen tot overlegging oproepingsexploit ex artikel 118 Rv. [appellante sub 2] heeft op de rol van 18 maart 2014 een memorie na tussenkomst houdende referte genomen. 1.3 Vervolgens hebben partijen aanvullende stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2De verdere motivering van de beslissing 2.1 Zoals al is overwogen in het arrest van 4 maart 2014 zijn [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [geïntimeerde] de kinderen, geboren uit het huwelijk van de op [datum] overleden [de vader] (vader van partijen) en de op 4 januari 2005 overleden [de moeder] (moeder van partijen, verder: [de moeder]). Zij zijn de enige erfgenamen van [de moeder], ieder voor een gelijk deel. 2.2 [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie een aantal vorderingen ingesteld tegen [appellant sub 1] en [appellante sub 2]. Deze zien op de toedeling aan [appellant sub 1] van de tot de nalatenschap van [de moeder] behorende woning aan de [straatnaam] te [plaatsnaam] (verder: de woning) en de vaststelling van het bedrag dat [appellant sub 1] wegens overbedeling aan [geïntimeerde] en [appellante sub 2] verschuldigd is. 2.3 [appellant sub 1] heeft in eerste aanleg in reconventie vorderingen jegens [geïntimeerde] ingesteld. Deze hebben onder meer betrekking op: I. de betaling van alle bedragen aan de nalatenschap die [geïntimeerde] zonder rechtsgrond aan de nalatenschap heeft onttrokken dan wel bedragen die hij uit hoofde van hypothecaire geldleningen met [de moeder] nog aan de nalatenschap verschuldigd is. II. het doen van rekening en verantwoording door [geïntimeerde] aan [appellant sub 1] en het voldoen van een bedrag aan de nalatenschap als blijkens de rekening en verantwoording aan de nalatenschap zal toekomen; III. het bewerkstelligen dat de waarde van diverse door [geïntimeerde] verkochte, tot de nalatenschap behorende onroerende zaken, aan alle erfgenamen ten goede komt, met inbegrip van de uit deze onroerende zaken ontvangen huurpenningen verminderd met exploitatiekosten; IV. de medewerking van [geïntimeerde] aan toedeling van de woning aan [appellant sub 1] en de vaststelling van het bedrag dat [appellant sub 1] wegens overbedeling aan [geïntimeerde] en [appellante sub 2] verschuldigd is. V. het gelasten van de verdeling van de nalatenschap en vaststelling van het aan [geïntimeerde], [appellant sub 1] en [appellante sub 2] toekomende bedrag. 2.4 De rechtbank heeft in haar vonnis van 2 mei 2012 de vorderingen van [geïntimeerde] in conventie jegens [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en de vorderingen van [appellant sub 1] in reconventie jegens [geïntimeerde] gedeeltelijk toegewezen als volgt. 2.5 De rechtbank heeft in conventie bepaald dat: de woning bij toedeling aan [appellant sub 1] moet worden gewaardeerd op € 390.000,-, op welk bedrag € 40.000,- in mindering komt, zodat [appellant sub 1] bij toedeling van de woning aan hem aan [geïntimeerde] en [appellante sub 2] ieder € 110.000,- moet betalen; [appellant sub 1] vanaf 1 januari 2006 tot de datum waarop de woning aan hem wordt geleverd de huur van € 252,70 per maand, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente, aan de nalatenschap van [de moeder] moet voldoen; de door [geïntimeerde] betaalde: gemeentelijke belastingen voor de woning over 2006 tot en met 2010 van in totaal € 2.504,13; waterschapslasten over 2008 tot en met 2010 van in totaal € 207,32; premies voor de opstalverzekering voor de woning voor een bedrag van € 279,66 en de door hem betaalde onderhoudskosten van de woning voor een bedrag van € 805,63; moeten worden aangemerkt als vorderingen van [geïntimeerde] op de nalatenschap van [de moeder]. 2.6 De rechtbank heeft in reconventie: [geïntimeerde] opgedragen vanaf de datum van overlijden van [de moeder] aan [appellant sub 1] rekening en verantwoording af te leggen over het beheer van de effectenrekening 45.62.44.050; bepaald dat bij de verdeling van de nalatenschap van [de moeder] een bedrag van ƒ 800.000,- (€ 363.024,17) en de over dit bedrag door [de moeder] betaalde rente, als gift in mindering moet worden gebracht op het erfdeel van [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] aan de nalatenschap moet voldoen de over de totale gift verschuldigde rente van zes procent vanaf 4 januari 2005 en dat [geïntimeerde] geen hoger bedrag hoeft in te brengen dan zijn erfdeel; bepaald dat bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschap van [de moeder] de vordering van [de moeder] op [geïntimeerde] van ƒ 590.000 (€ 249.125,34) bij de activa moeten worden betrokken; bepaald dat [geïntimeerde] de huurpenningen over 2005 voor zover deze aan hem persoonlijk zijn toegekomen aan de nalatenschap van [de moeder] moet betalen. 2.7 De rechtbank heeft zowel in conventie als in reconventie de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders gevorderde, met inbegrip van de vorderingen, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, afgewezen. 2.8 [appellant sub 1] komt in het principaal hoger beroep met twaalf grieven genummerd I tot en met XII op tegen de vonnissen van de rechtbank in reconventie (behoudens tegen het comparitievonnis van 28 januari 2009) en vermeerdert zijn eis in reconventie. Deze grieven betreffen: de afwijzing door de rechtbank van de door [appellant sub 1] gevorderde rekening en verantwoording door [geïntimeerde] (grief I); het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.9 - 4.11 van het tussenvonnis van 21 april 2010 dat [appellant sub 1] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die tot het oordeel kunnen leiden dat de psychische toestand van [de moeder] van dien aard was dat zij niet in staat was haar financiële belangen te behartigen en de afwijzing van zijn vordering in reconventie onder III (grief II en III); de overweging in rechtsoverweging 4.14 van het tussenvonnis van 21 april 2010 ter zake van de gevorderde rekening en verantwoording door [geïntimeerde] ten aanzien van appartementen van [de moeder] in Amerika (grief IV); de overweging in rechtsoverweging 4.16 van het tussenvonnis van 21 april 2010 ter zake van de gevorderde rekening en verantwoording door [geïntimeerde] ten aanzien van de effectenrekening 45.62.44.050 vanaf 30 juni 1999 tot het overlijden van [de moeder] (grief V); de overweging in rechtsoverweging 4.18 van het tussenvonnis van 21 april 2010 ter zake van de betalingen en opnames van de bankrekeningen die in rechtsoverweging 4.17 van het tussenvonnis van 21 april 2010 zijn vermeld (grief VI); de afwijzing in het eindvonnis van 2 mei 2012 van de vordering van [appellant sub 1] in reconventie onder I (grief VII); de overweging in rechtsoverweging 4.25 van het tussenvonnis van 21 april 2010 dat [appellant sub 1] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht voor zijn beroep op misbruik van omstandigheden door [geïntimeerde] ter zake van verkoop van panden door [de moeder] aan [geïntimeerde] op 8 april 2003 (grief VIII); de overweging in rechtsoverweging 4.29 van het tussenvonnis van 21 april 2010 ter zake van de overeenkomst van koop van de woning door [appellant sub 1] en de afwijzing in het eindvonnis van 2 mei 2012 van de vordering van [appellant sub 1] tot toedeling van de woning voor € 147.478,60 (grief IX) de overweging in rechtsoverweging 2.15 van het tussenvonnis van 1 september 2010 ter zake van de gift van ƒ 800.000,- (€ 363.024,17) in verband met de aflossing door [de moeder] van hypothecaire geldleningen van [geïntimeerde] (grief X); de overweging in rechtsoverweging 2.30 van het tussenvonnis van 1 september 2010 ter zake van rente op de schuld van ƒ 549.000,- (€ 249.125,34) van [geïntimeerde] aan [de moeder] (grief XI); de afwijzing in het eindvonnis van 2 mei 2012 van de vordering het vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad te verklaren (grief XII). [appellant sub 1] vermeerdert zijn eis in reconventie met een bedrag van € 690.798,23 ter zake van gelden die door [geïntimeerde] zijn onttrokken aan het vermogen van [de moeder] en de betaling van bedragen van € 125.658,03 aan hem en [appellante sub 2], althans een bedrag van € 376.974,10 aan de nalatenschap. Daarnaast vordert [appellant sub 1] dat het hof bepaald dat [geïntimeerde] zijn aandeel in de vorderingen van de nalatenschap op hem van ƒ 800.000,- (€ 363.024,17) en ƒ 549.000,- (€ 249.125,34) heeft verbeurd aan [appellant sub 1] en [appellante sub 2]. 2.9 [appellant sub 1] en [appellante sub 2] komen in het principaal hoger beroep met drie grieven genummerd XIII tot en met XV op tegen de vonnissen van de rechtbank in conventie (behoudens tegen het comparitievonnis van 28 januari 2009). Deze grieven betreffen: de overweging van de rechtbank in rechtsoverweging 2.4 van het tussenvonnis van 24 november 2010 inzake de vernieuwing van de keuken, de aanleg van de tuin en de door [appellant sub 1] uitgevoerde werkzaamheden (grief XIII); de waardering door de rechtbank in rechtsoverweging 2.8 van het eindvonnis van 2 mei 2012 van de woning op € 390.000,- (grief XIV); de overwegingen van de rechtbank in rechtsoverweging 2.10 van het tussenvonnis van 24 november 2010 en de de toewijzing van de vordering in 3.3 van het eindvonnis van 2 mei 2012 inzake vaste lasten en huuropbrengsten van de woning (grief XV). 2.10 De vorderingen in het principaal hoger beroep strekken ertoe (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.