← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2015:4205

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.165.530/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 3413371 CV EXPL 14-7116) arrest van de eerste kamer van 9 juni 2015 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats], appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: voorheen mr. H. Killi, kantoorhoudend te Arnhem, die zich heeft onttrokken, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats], geïntimeerde, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. J.S. Staijen, kantoorhoudend te Deventer. 1Het geding in eerste instantie 1.1 In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 6 januari 2015 van de rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, locatie Zwolle (hierna: de kantonrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij exploot van 19 februari 2015 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van het vonnis van 6 januari 2015, met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 10 maart 2015. De conclusie van de appeldagvaarding strekt tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde], kosten rechtens. 2.2 Na de introductie is de zaak op de rol van 24 maart 2015 vier weken aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. 2.3 Ter rolle van 21 april 2015 heeft mr. Killi zich onttrokken aan de zaak en haar cliënt schriftelijk gewezen op de gevolgen daarvan. De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van 12 mei 2015 voor het stellen van een nieuwe advocaat door [appellant]. 2.4 Op de rol van 12 mei 2015 heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld voor [appellant] en heeft [geïntimeerde] arrest gevraagd, te wijzen op het procesdossier. 3De beoordeling 3.1 [geïntimeerde] heeft zonder nadere toelichting arrest gevraagd. 3.2 Indien [geïntimeerde] heeft beoogd verval van instantie te vorderen, geldt dat verval van instantie krachtens art. 251 Rv slechts kan worden gevorderd indien de proceshandeling waarvoor de zaak staat langer dan twaalf maanden niet is verricht en nadat de rechter, op verlangen van de wederpartij van de partij die de proceshandeling moet verrichten, een roldatum heeft bepaald waarop deze wederpartij verval van instantie kan vorderen, dan wel kan vragen om een laatste uitstel te verlenen aan de partij die de proceshandeling moet verrichten, of om arrest te vragen. Verval van instantie kan op die door de rechter bepaalde roldatum slechts worden gevorderd indien het voornemen daartoe ten minste twee weken vóór die roldatum aan de nalatige partij is aangezegd. De rechter wijst de vordering tot verval van instantie vervolgens toe, tenzij de proceshandeling alsnog wordt verricht of de wederpartij van de partij die het verval vordert aannemelijk maakt dat voor de vertraging van het geding een reden bestaat die deze in redelijkheid kan rechtvaardigen. Aangezien in deze zaak geen proceshandeling valt aan te wijzen doe door [appellant] langer dan twaalf maanden niet is verricht, is verval van instantie thans niet aan de orde. 3.3 Indien [geïntimeerde] heeft beoogd bij arrest niet-ontvankelijk verklaring dan wel verwerping van het appel te vragen omdat [appellant] niet van grieven heeft gediend, geldt dat [appellant] nog niet voor grieven heeft gestaan. Het hof zal de zaak daarom aanhouden en verwijzen naar de rol van 21 juli 2015 voor het indienen van de memorie van grieven en voor het (opnieuw) stellen van een advocaat door [appellant]. Wellicht ten overvloede wijst het hof op het bepaalde in art. 6.4 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr). Deze bepaling houdt in - voor zover hier relevant en gelezen in samenhang met art. 6.2 Lpr - dat, indien zich op de roldatum twee weken na de onttrekking geen nieuwe advocaat stelt, het recht van die partij vervalt om de proceshandeling waarvoor zij staat, te verrichten. De wederpartij kan alsdan verzoeken arrest te wijzen. 3.4 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. De beslissing Het hof, rechtdoende in hoger beroep: verwijst de zaak naar de rol van 21 juli 2015 voor het stellen van een nieuwe advocaat door [appellant] en voor het nemen van de memorie van grieven door [appellant]; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. B.J.H. Hofstee en mr. D.H. de Witte, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 9 juni 2015.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.