GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.162.653/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/145602 / FA RK 14-15) beschikking van de familiekamer van 30 juni 2015 inzake [verzoekster], wonende te [A], verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. P.B. Rietberg, kantoorhoudend te Groningen, tegen [verweerder] , wonende te [B], verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. J. van Dijk, kantoorhoudend te Scheemda. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 21 oktober 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift, ingekomen op 13 januari 2015; - het journaalbericht van 20 februari 2015 van mr. Van Dijk, ingekomen op 23 februari 2015; - het "verweerschrift in appel, tevens zelfstandig verzoek", ingekomen op 23 februari 2015; - het "verweerschrift in incidenteel appel", ingekomen op 16 april 2015. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 7 mei 2015 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ter zitting heeft mr. Rietberg mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota. Tevens heeft mr. Rietberg ter zitting enkele ontbrekende producties uit eerste aanleg overgelegd en een beschikking van 12 september 2005 van de (toenmalige) rechtbank Groningen. Het hof zal - zoals reeds ter zitting is medegedeeld - deze beschikking niet meenemen bij de beoordeling, nu deze beschikking zonder reden niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend. 2.3 Op de d.d. 16 juni 2015 en mitsdien na de behandeling ter terechtzitting ingekomen brief van mr. Van Dijk heeft het hof geen acht geslagen. Ditzelfde geldt voor de schriftelijke reactie d.d. 23 juni 2015 van mr. Rietberg op deze brief. 3De vaststaande feiten 3.1 Bij beschikking van de (toenmalige) rechtbank Groningen van 28 maart 2006 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op 12 april 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 De man en de vrouw zijn de ouders van: - [meerderjarige1], geboren [in] 1993 (hierna te noemen: [meerderjarige1]), - [meerderjarige2], geboren [in] 1994 (hierna te noemen: [meerderjarige2]) en - [minderjarige1], geboren [in] 1999 (hierna te noemen: [minderjarige1]). Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarige [minderjarige1]. 3.3 Bij beschikking van de (toenmalige) rechtbank Groningen van 11 maart 2008 is bepaald dat de man met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zijnde 12 april 2006, tot 1 januari 2007, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen aan de vrouw een bedrag van € 116,- per kind per maand dient te betalen, van 1 januari 2007 tot 1 november 2007 een bedrag van, inclusief fiscaal voordeel, € 167,- per kind per maand en met ingang van 1 november 2007 een bedrag van, inclusief fiscaal voordeel, € 212,- per kind per maand. Het verzoek van de vrouw om een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud is afgewezen. 3.4 Bij beschikking van 16 juni 2009 heeft de (toenmalige) rechtbank Groningen de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot wijziging van de beschikking van die rechtbank van 11 maart 2008 op het punt van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, alsmede in haar verzoek tot vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. 3.5 Bij beschikking van het (toenmalige) hof Leeuwarden van 26 augustus 2010 heeft het hof - op verzoek van partijen - de beschikking van 16 juni 2009 van de (toenmalige) rechtbank Groningen vernietigd en - overeenkomstig de afspraken van partijen - het volgende bepaald: "* met betrekking tot de kinderalimentatie bepaalt, onder wijziging van de beschikking van de rechtbank Groningen van 11 maart 2008, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [meerderjarige2], geboren [in] 1994 te [C] en [minderjarige1], geboren [in] 1999 te [C], met ingang van 24 oktober 2008 op een bedrag van € 275,- per kind per maand; bepaalt dat deze bijdrage jaarlijks geïndexeerd zal met worden met het daarvoor geldende wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2009; bepaalt dat de onderhoudsbijdragen, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dienen te worden voldaan; verklaart de beslissing met betrekking tot de bijdrage ten behoeve van de kinderen tot zover uitvoerbaar bij voorraad; verstaat dat, in het geval en voor zolang het kind met redelijke resultaten en in overleg met hem met een beroepsopleiding bezig is of studeert, de man ook na het bereiken van de leeftijd van 21 jaar van het kind gehouden is bij te dragen in diens kosten van levensonderhoud en studie met voornoemd bedrag van € 275,- per maand vermeerderd met de wettelijke indexering, tenzij zij daaromtrent in goed overleg anders overeenkomen; * met betrekking tot de partneralimentatie bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 24 oktober 2008 op een bedrag van € 750,- bruto per maand en met ingang van 1 april 2018 op nihil; bepaalt dat deze bijdrage jaarlijks geïndexeerd zal met worden met het daarvoor geldende wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2011; bepaalt dat de onderhoudsbijdrage, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw dienen te worden voldaan; verklaart de beslissing met betrekking tot de bijdrage ten behoeve van de vrouw tot zover uitvoerbaar bij voorraad; verstaat dat de afspraken met betrekking tot de partneralimentatie niet gewijzigd kunnen worden bij rechterlijke uitspraak op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan dit niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW is bepaald; * met betrekking tot de zelfstandige verzoeken van de man verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken met betrekking tot de gebruiksvergoeding, de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [meerderjarige1] en de onderhoudsbijdrage te zijnen behoeve; * voor het overige bepaalt dat ieder van partijen de eigen kosten draagt van het geding in hoger beroep." 4De omvang van het geschil 4.1 In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage met ingang van 6 januari 2014 op nihil gesteld. 4.2 De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 21 oktober 2014. De grieven zien uitsluitend op de partneralimentatie en hebben betrekking op het niet-wijzigingsbeding en de draagkracht van de man. 5De motivering van de beslissing Verzoeken man in hoger beroep 5.1 De man heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep het hof verzocht de vrouw te veroordelen in de proceskosten en - in het geval de bestreden beschikking in stand blijft - te bepalen dat de vrouw het door de man teveel betaalde, dient terug te betalen. Het hof beschouwt dit als een vermeerdering van (de gronden van) het verzoek. De man heeft gelet op artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in samenhang met artikel 283 en 130 Rv het recht als oorspronkelijk verzoeker in eerste aanleg (de gronden van) zijn verzoek in hoger beroep te vermeerderen. Naar het oordeel van het hof verzetten de eisen van de goede procesorde zich niet tegen deze vermeerdering van (de gronden van) het verzoek. De vrouw is daardoor niet onredelijk bemoeilijkt in haar verdediging en dit geding wordt daardoor ook niet onredelijk vertraagd. Niet-wijzigingsbeding 5.2 Bij beschikking van het (toenmalige) hof Leeuwarden van 26 augustus 2010 heeft het hof - overeenkomstig de door partijen gemaakte afspraken - verstaan dat de afspraken met betrekking tot de partneralimentatie niet gewijzigd kunnen worden bij rechterlijke uitspraak op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan dit niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW is bepaald. 5.3 De man heeft in zijn inleidend verzoek verzocht de beschikking van het hof van 26 augustus 2010 te wijzigen omdat er zich een aantal wijzigingen van omstandigheden hebben voorgedaan die volgens hem dienen te leiden tot een herbeoordeling van de afgesproken alimentatie. Volgens de man is sprake van een wijziging van omstandigheden, omdat: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.