GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.139.122 en 200.139.130 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 299664) beschikking van de familiekamer van 27 januari 2015 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats],verder te noemen: de vrouw, verzoekster in het principaal hoger beroep (zaaknummer 200.139.122), verweerster in het incidenteel hoger beroep (zaaknummer 200.139.122),verweerster in hoger beroep (zaaknummer 200.139.130), advocaat: mr. J. Blakborn te Amsterdam, en [verweerder] , wonende te [woonplaats], verder te noemen: de man, verweerder in het principaal hoger beroep (zaaknummer 200.139.122), verzoeker in het incidenteel hoger beroep (zaaknummer 200.139.122), verzoeker in hoger beroep (zaaknummer 200.130.130), advocaat: mr. J.H. Six-van der Werf te Soest. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 2 november 2011, 6 februari 2013 en 25 september 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: ten aanzien van zaaknummer 200.139.122: - het beroepschrift van de vrouw, ingekomen op 20 december 2013, met bijlagen (genummerd 1 tot en met 15, en producties 1 tot en met 4); - het verweerschrift van de man, tevens houdende incidenteel hoger beroep, met bijlagen (producties HB1 en HB 2) ingekomen op 6 maart 2014; - aanvullende stukken zijdens de vrouw (genummerd 16 tot en met 21), ingekomen op 30 januari 2014. ten aanzien van zaaknummer 200.139.130: - het beroepschrift van de man, ingekomen op 20 december 2013, met bijlagen (genummerd 1 tot en met 16); - het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 19 maart 2014; - aanvullende stukken zijdens de man (genummerd 17 tot en met 21), ingekomen op 22 januari 2014. 2.2 Nu het hoger beroep van de vrouw en het hoger beroep van de man betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, namelijk de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun huwelijk, zal het hof de beide zaken voegen en derhalve gezamenlijk behandelen. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 31 oktober 2014 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 3De vaststaande feiten 3.1 Partijen zijn op 2 september 1988 onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. 3.2 Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 2 november 2011 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 14 februari 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.3 De rechtbank heeft in de beschikking van 6 februari 2013 inzake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van gemeenschappelijke vermogensbestanddelen, ten aanzien van een aantal onderdelen in de overwegingen een beslissing genomen en de behandeling van de zaak pro forma aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen en standpunten in te nemen. Iedere verdere beslissing is aangehouden. 3.4 Bij de beschikking van 25 september 2013 heeft de rechtbank – uitvoerbaar bij voorraad – de verdeling van de gemeenschappelijk verkregen goederen van partijen vastgesteld, is bepaald dat de stamrechtverplichting die op de balans van Bouwbedrijf [A] B.V. is vermeld tussen partijen dient te worden verevend conform de Wvps (Wet verevening pensioenrechten bij scheiding) en is het meer of anders verzochte afgewezen. 4De omvang van het geschil 4.1 Dit geschil betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling van het ontbonden huwelijk van partijen. Op grond van artikel 1 van hun huwelijkse voorwaarden bestaat tussen hen geen gemeenschap van goederen, hoe ook genaamd. Wel dienen zij jaarlijks overeenkomstig artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden hun overgespaarde inkomsten bij helfte te verrekenen. 4.2 Tussen partijen zijn in hoger beroep de navolgende onderwerpen nog in geschil: de voormalige echtelijke woning aan de [adres] te [woonplaats]: met name de ten aanzien van de voor de verdeling te hanteren waarde van die woning en of de man als economisch eigenaar van deze woning is te beschouwen in verband met door hem in die woning geïnvesteerde privégelden en zo nee: of ten aanzien van die geïnvesteerde gelden het nominaliteitsbeginsel of de beleggingsleer dient te worden gehanteerd; de schuld van € 150.000,- onder hypothecair verband aan de Rabobank: met name of dit een gemeenschappelijke schuld betreft of dat deze schuld (zijnde zakelijk aangegaan) geheel door de man gedragen dient te worden; de stamrechtverplichting van Bouwbedrijf [A] B.V.; met name of deze stamrechtverplichting valt onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) en aldus dient te worden verevend; de rekening-courant schuld met Bouwbedrijf [A] B.V.(hof: verder de vennootschap); met name of deze schuld een gemeenschappelijke schuld van partijen is of dat deze geheel door de man dient te worden gedragen en of ten aanzien van de door de man ontvangen schenkingen, die hij heeft aangewend ter gedeeltelijke aflossing op deze rekening-courantschuld, een vergoedingsrecht is ontstaan; een (te verrekenen) geldopname door de vrouw van € 10.500,-; het te verrekenen bedrag ten aanzien van een beleggingspolis bij de ABN AMRO Bank met een waarde van € 17.388,88; met name de te hanteren belastinglatentie. 4.3 De vrouw is met drie grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikkingen van de rechtbank van 6 februari 2013 en 25 september 2013. Zij verzoekt het hof om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, die beschikkingen op de door haar genoemde punten (waarde van de woning, hypotheekschuld en daaruit voortvloeiend het door de man aan de vrouw te betalen bedrag) te vernietigen en in zoverre opnieuw beschikkende – kort gezegd – te bepalen dat de echtelijke woning aan de man wordt toegedeeld, waarbij hij de hypothecaire lening voor zijn rekening neemt, en dat de man aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 266.351,91, althans een bedrag dat het hof juist acht. Zo de man de overname van de woning niet vóór 25 maart 2014 heeft geregeld of voordien heeft aangegeven de woning niet te kunnen overnemen, verzoekt zij het hof te bepalen dat de woning dient te worden verkocht aan een derde en dat van de verkoopopbrengst een bedrag van € 217.298,18 aan de man wordt uitgekeerd en het restant tussen partijen bij helfte wordt verdeeld, zonder daarbij rekening te houden met de op die woning rustende hypothecaire schuld van € 150.000,-. 4.4 De man is eveneens in hoger beroep gekomen. Hij komt in hoger beroep van de beschikkingen van 25 september 2013, 6 februari 2013 en 2 november 2011. Hij heeft vijf grieven geformuleerd die hij, bij wijze van incidenteel hoger beroep in het hoger beroep van de vrouw, heeft aangevuld met een zesde grief. Hij verzoekt het hof de beschikkingen van 6 februari 2013 en 25 september 2013 te vernietigen wat betreft het door de man aan de vrouw te betalen bedrag van € 121.351,- en de te verevenen stamrechtverplichting en te bepalen dat: hij de vrouw ten aanzien van de toedeling van de echtelijke woning niets verschuldigd is, dan wel subsidiair te bepalen dat hij de vrouw in dat kader € 121.351,- verschuldigd is; de schuld in rekening-courant een gezamenlijke schuld van partijen is waarvoor partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn en dat de man deze schuld dient te voldoen en dat de vrouw aldus € 88.377,50 aan hem dient te vergoeden; de vrouw € 33.500,- aan de man dient te vergoeden, zijnde de helft van de door de man ter aflossing op de rekeningcourantschuld aangewende en door hem ontvangen schenkingen; de vrouw aan de man € 10.500,- dient te vergoeden wegens onrechtmatig opgenomen gelden, althans te bepalen dat dit kosten van de huishouding zijn en dat de vrouw de helft van dit bedrag (€ 5.250,-) aan de man dient te vergoeden, althans voor recht te verklaren dat dit bedrag ten titel van partneralimentatie aan de vrouw is betaald; de beleggingspolis met nummer [.......] voor een bedrag van € 8.346,66 in de verrekening wordt betrokken. 5De motivering van de beslissing 5.1 De eerste grief van de vrouw, zo begrijpt het hof uit de toelichting op de grief, ziet erop dat de vrouw het niet eens is met de overweging van de rechtbank dat uitgegaan dient te worden van de waarde van de echtelijke woning ([adres] te [woonplaats]) ten tijde van de feitelijke verdeling. Immers, hoe lager de waarde wordt vastgesteld, hoe meer de man voordeel heeft bij de overname van de woning. Gelet op de ontwikkelingen op de onroerend goed markt, het feit dat zij door de man uit de woning is gezet en gelet op het feit dat zij financieel niet in staat is de woning over te nemen, acht de vrouw het jegens haar niet redelijk en billijk dat het waardeverlies van de woning ten laste van haar zou moeten komen. Zij stelt daarom dat voor de waarde van de woning dient te worden uitgegaan van de waarde op het moment van de indiening van het verzoekschrift (te weten € 750.000,-), dan wel de waarde op het moment van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (te weten € 720.000,-). Indien het hof toch uitgaat van de waarde op de datum van de feitelijke verdeling dient een waarde van € 685.000,- te worden gehanteerd. De gemelde bedragen zijn overeenkomstig een door de vrouw overlegd taxatierapport gedateerd 11 april 2013. Ook stelt de vrouw het nooit eens te zijn geweest met het door de man overgelegde taxatierapport van 19 september 2012, op grond waarvan de rechtbank de te hanteren waarde van de woning heeft bepaald op € 610.000,-. 5.2 In zijn verweer op de grief stelt de man dat, indien wordt geoordeeld dat de woning gezamenlijk eigendom is, eventuele waardefluctuaties voor rekening en risico van de man en de vrouw tezamen komen. Bovendien betaalt de man alle lasten ten aanzien van de woning en moet hij de vrouw een gebruiksvergoeding van € 785,- per maand betalen. Een eventuele waardedaling van de woning is hierdoor inmiddels ruimschoots gecompenseerd, aldus de man. Daarbij komt dat partijen het – tijdens een tussen hen gevoerd kort geding – eens waren over de te hanteren peildatum voor de waardering van de woning en de daartoe in te schakelen taxateur. De vrouw kan daar nu niet meer op terugkomen om reden dat de uitkomst van die taxatie haar niet welgevallig is. Overigens heeft de man grote bezwaren tegen het door de vrouw in het geding gebrachte taxatierapport, nu de desbetreffende makelaar niet in de woning is geweest, die makelaar niet is gekwalificeerd voor het taxeren van woningen - ook niet in het rayon waarin de echtelijke woning is gelegen - en niet bekend is met de situatie ter plekke. 5.3 Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de door de rechtbank gehanteerde hoofdregel op grond waarvan als peildatum voor de vaststelling van de waarde (van de woning) het tijdstip van feitelijke verdeling geldt. Van deze hoofdregel wordt slechts afgeweken indien partijen anders zijn overeengekomen of uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid anders voortvloeit. Niet is gesteld of gebleken dat partijen afspraken hebben gemaakt die afwijken van de hiervoor vermelde hoofdregel. Ook de redelijkheid en billijkheid nopen naar het oordeel van het hof niet tot het hanteren van een andere peildatum dan het tijdstip van de feitelijke verdeling. De door de vrouw gestelde mogelijke waardedaling van de echtelijke woning en de mogelijke financiële gevolgen die dit voor haar zou kunnen hebben, zijn op zichzelf onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, ook niet in samenhang met het overigens door de vrouw aangevoerde. De rechtbank heeft de te hanteren waarde van woning bepaald overeenkomstig de in het taxatierapport van 19 september 2012 vermelde waarde, nu deze taxatiedatum zo dicht mogelijk tegen het tijdstip van de feitelijke verdeling aanligt. De vrouw heeft ook in hoger beroep niet, dan wel onvoldoende, onderbouwd waarom of op welke punten deze taxatie ondeugdelijk zou zijn. De eerste grief van de vrouw faalt. 5.4 De tweede grief van de vrouw ziet op de op de woning rustende hypothecaire schuld van € 150.000,- aan de Rabobank. De vrouw stelt dat deze lening een zakelijke schuld is die is aangegaan ten behoeve van de onderneming van de man en dat de man daarom geheel draagplichtig is voor deze schuld. 5.5 De man voert op zijn beurt aan dat de vrouw een aantal zaken door elkaar haalt. Aan partijen tezamen is door de Rabobank een hypothecaire geldlening verstrekt van € 150.000,-waarvan op of omstreeks 17 augustus 2007 een bedrag van € 100.340,51 is aangewend ter aflossing van het flexibel krediet bij de ABN AMRO Bank, welk krediet op naam van zowel de man als de vrouw was gesteld. Het resterend netto bedrag van € 47.353,- is gestort op een privérekening van partijen en is reeds vóór de peildatum door partijen in privé verteerd. Daarmee is deze hypotheekschuld een schuld van partijen gezamenlijk, waarvoor zij beiden voor de helft draagplichtig zijn, aldus de man. Daarnaast is door de vennootschap van de man separaat een bedrijfskrediet van € 75.000,- afgesloten, eveneens bij de Rabobank. 5.6 De vrouw heeft de nota van afrekening van het notariskantoor betreffende de vestiging van het recht van hypotheek ten behoeve van de Rabobank overgelegd (productie 4). Als bijlage bij die afrekening is een brief van de ABN AMRO Bank gevoegd, gedateerd 10 augustus 2007, waarin een opgave van het aflossingsbedrag op het flexibel krediet op naam van partijen met nummer 40.40.20.933. Uit de nota van afrekening van het notariskantoor volgt dat met de hoofdsom van de hypothecaire geldlening van € 150.000,- een bedrag van € 100.340,51 is aangewend ter aflossing van dit flexibel krediet, welk krediet op naam was gesteld van de man en de vrouw gezamenlijk. Reeds hierom kan naar het oordeel van het hof niet worden gesteld dat de lening van € 150.000,- is aangegaan ten behoeve van de onderneming en daarom geheel ten laste van de man zou moeten komen. Uit de nota van afrekening blijkt voorts dat een bedrag van € 47.353,- “bij de bank blijft”. Voor zover de vrouw stelt dat dit resterende bedrag ten behoeve van de onderneming van de man is aangewend, heeft zij dit naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende, onderbouwd of aannemelijk gemaakt, mede gelet ook op hetgeen de man hierover heeft aangevoerd. Ten overvloede overweegt het hof dat de vrouw tevens heeft overgelegd een financieringsvoorstel van de Rabobank ten behoeve van Bouwbedrijf [A] B.V. (eveneens productie 4), betreffende een krediet in rekening-courant van € 75.000,-. Hoewel – blijkens dit voorstel – voor dit zakelijk krediet tot zekerheid een recht van hypotheek op de echtelijke woning dient te worden gevestigd, blijkt hieruit niet dat dit zakelijke krediet hetzelfde is als de hypothecaire geldlening van € 150.000,- ten behoeve van partijen gezamenlijk. De tweede grief van de vrouw faalt derhalve. 5.7 Aan de derde grief van de vrouw komt geen zelfstandige betekenis toe. Deze derde grief behoeft daarom geen bespreking. 5.8 De man stelt in zijn eerste grief primair dat hij in feite economisch eigenaar van de echtelijke woning is, omdat de koopsom destijds geheel door hem is voldaan met door hem – onder uitsluitingsclausule – geërfd vermogen. Subsidiair, voor het geval het hof de man niet volgt in zijn primaire stelling, stelt de man dat de rechtbank ten onrechte de beleggingsleer niet heeft toegepast. 5.9 Nu zulks niet is betwist staat tussen partijen vast dat de echtelijke woning geheel is betaald met gelden die door de man zijn geërfd. Ook staat vast dat de echtelijk woning is geleverd aan partijen tezamen, ieder voor de onverdeelde helft. Ten aanzien van de primaire stelling van de man komt het hof niet tot andere overwegingen dan de rechtbank dienaangaande in de bestreden beschikking van 25 september 2013 (overwegingen 3.6 en 3.7) en maakt deze tot de zijne. In zoverre faalt de grief van de man en partijen dienen de waarde van de woning te verrekenen, na vergoeding aan de man van hetgeen hij voor deze woning heeft betaald. Subsidiair heeft de man gesteld dat het redelijk en billijk is om ten aanzien van deze vergoeding de beleggingsleer toe te passen en niet de nominaliteitsleer. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt. Op 1 januari 2012 is de ‘Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen’ in werking getreden. Op grond van die wet geldt dat voor vergoedingsvorderingen die zijn ontstaan ná 1 januari 2012 de voorheen op grond van de rechtspraak geldende nominaliteitsleer niet meer heeft te gelden, maar de beleggingsleer (artikel 1:87 Burgerlijk Wetboek (BW)). Nu vast staat dat de man de woning geheel uit eigen middelen heeft voldaan, heeft hij op grond daarvan een vergoedingsrecht ten aanzien van die investering. Uit de overgelegde akte van levering gedateerd 13 april 1995 (productie 2 bij de akte uitlating verdeling/verrekening zijdens de man in eerste aanleg) blijkt dat de woning ruim vóór 1 januari 2012 is geleverd aan partijen tezamen, zodat ook het vergoedingsrecht vóór laatstgemelde datum is ontstaan. Toepassing van de beleggingsleer op grond van de wet is daarmee in beginsel niet aan de orde. Op grond van de redelijkheid en billijkheid kan, in voorkomend geval, anders worden geoordeeld. Naar het oordeel van het hof heeft de man in dit kader echter geen omstandigheden gesteld op grond waarvan het hof tot een ander oordeel komt dan toepassing van het nominaliteitsbeginsel. Het enkele feit dat de man destijds de gehele koopsom heeft voldaan acht het hof daartoe onvoldoende. Dat de vrouw volgens de man geen enkele financiële inspanning heeft verricht ter verwerving van de woning legt evenmin voldoende gewicht in de schaal. De woning is ten name van partijen tezamen gesteld en de waarde komt partijen dan ook, na aftrek van de investering van de man, ieder voor de helft toe. In dat licht bezien is geen sprake van een zodanige onevenwichtigheid tussen het verzoek van de man tot terugbetaling van de koopsom en het resultaat van de belegging bij de beëindiging van het huwelijk dat een terugbetaling van enkel deze koopsom onredelijk of onbillijk jegens de man zou zijn. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat partijen bij de aankoop van de woning of nadien zijn overeengekomen dat de waarde van de woning uitsluitend aan de man zou toekomen. Ook in zoverre slaagt de grief van de man dus niet. 5.10 Ter zitting van het hof heeft de vrouw gesteld dat de echtelijke woning op grond van de beschikking van 25 september 2013 binnen een termijn van zes maanden diende te zijn toegedeeld aan de man, en zo deze termijn zou worden overschreden de woning verkocht diende te worden aan een derde. De man heeft alsnog een grief aangevoerd tegen die termijn, omdat het, gelet op het feit dat partijen twisten over de aan de woning toe te kennen waarde, onredelijk is de man aan die termijn te houden, temeer daar het tussen partijen duidelijk is dat de woning aan de man zou worden toegescheiden. 5.11 Het hof is van oordeel dat, nu partijen twisten over de waarde van de woning en de vrouw daaromtrent een grief heeft geformuleerd, het redelijk is dat de man alsnog de gelegenheid krijgt om binnen een termijn van zes maanden na de datum van de beschikking van het hof ondubbelzinnig aan de vrouw kenbaar te maken of hij de woning kan overnemen, waarbij de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de op de woning rustende hypothecaire geldlening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.