GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.167.477 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 386330) arrest in kort geding in de incidenten en in de hoofdzaak van de vierde kamer van 11 augustus 2015 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante in het principaal appel en in het incident ex art. 351 Rv, verweerster in het incident niet ontvankelijkheid, verweerster in het incidenteel hoger beroep, hierna: de vrouw, advocaat: mr. P.W.M. Splinter, tegen: [geïntimeerde 1] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde in het principaal hoger beroep en in het incident ex art. 351 Rv, appellant in het incident niet ontvankelijkheid, appellant in het incidenteel hoger beroep, hierna: de man, advocaat: mr. S. van Gestel. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis in kort geding van 25 maart 2015 dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, tussen de vrouw als gedaagde en de man als eiser heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in (spoed) hoger beroep d.d. 31 maart 2015, met daarin opgenomen de grieven en met opening van het schorsingsincident ex art. 351 Rv, - een rolbericht van de advocaat van de vrouw d.d. 21 april 2015, met 1 productie, - de memorie van antwoord met opening incident niet ontvankelijkheid, tevens grieven incidenteel hoger beroep, - een rolbericht van de advocaat van de vrouw d.d. 28 april 2015, met toelichting en met 1 productie, - een antwoordakte d.d. 26 mei 2015 in het ontvankelijkheidsincident, met 1 productie. 2.2 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het griffiedossier. 3De vaststaande feiten Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 en 2.2 van het (bestreden) vonnis van in kort geding van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht. 4De motivering van de beslissing in het ontvankelijkheidsincident 4.1 Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om het volgende. Partijen wonen sinds 1991 samen en zijn met elkaar getrouwd (onder huwelijkse voorwaarden) op 22 juni 1996; zij zijn ouders van drie kinderen. Zij hebben medio 2005 gezamenlijk een woning te [woonplaats] [adres] gekocht voor € 1.535.000,-, welke woning inmiddels bezwaard is met twee hypotheken (ad € 900.000,- bij ING bank en € 1.150.000,- bij [X] B.V., een onderneming van de man). Begin 2012 heeft de man de woning verlaten en in 2013 is hij tijdelijk teruggekeerd. Partijen hebben geprobeerd in mediation tot elkaar te komen dan wel hun aanstaande echtscheiding (en de financiële gevolgen daarvan) minnelijk af te wikkelen. In april 2014 heeft de man een echtscheidingsverzoek ingediend (deze procedure zal het hof verder aanduiden als de bodemprocedure.) Bij beschikking van 25 februari 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben en dat de vrouw het recht heeft om gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand in de woning kan blijven wonen. De behandeling en beoordeling van de (neven)verzoeken betreffende de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschap (de woning) heeft de rechtbank aangehouden. 4.2 Met de inleidende dagvaarding van 19 februari 2015, dus nog voor de beschikking in de bodemprocedure, heeft de man de onderhavige kort geding procedure gestart, met als inzet de (spoedige) verkoop van de woning en gedwongen medewerking van de vrouw aan de verkoop en levering. De man heeft daartoe aangevoerd dat de financiële situatie van partijen penibel is en dat zij enorme financiële risico’s lopen. Er is onder meer sprake van een flinke rekening-courantschuld van [X] B.V. (ad € 689.439,-), naast de twee lasten van de twee hypotheken. De woning staat sinds 2012 te koop. De WOZ-waarde bedraagt € 1.578.000,-. In december 2012 hebben partijen door inschrijving drie biedingen op de woning gekregen tussen de € 2.100.000,- en € 2.200.000,-, maar zij hebben die biedingen toen niet geaccepteerd in de hoop in de toekomst meer te kunnen ontvangen. De woning stond (en/of staat) te koop voor een bedrag van € 2.495.000,-. Recent hebben partijen onder andere een bod van € 2.000.000,- (van de familie [A.] ) ontvangen. Volgens de makelaar is het een marktconform bod. Het verweer van de vrouw luidde samengevat als volgt: partijen zijn eerder een minimale verkoopprijs overeengekomen die hoger lag; het bod van € 2.000.000,- ligt (ongeveer) € 500.000,- beneden de vraagprijs en bovendien is er nog de mogelijkheid voor onderhandelen over het aanbod (waardoor een hogere prijs verkregen kan worden, zo begrijpt het hof). Daarnaast moet de vrouw dan op stel en sprong uit de woning vertrekken, tezamen met de drie kinderen van partijen. Haar belang bij handhaving van de status quo is derhalve groter dan het belang van de man bij een spoedige verkoop. 4.3 De voorzieningenrechter heeft in het vonnis in kort geding van 25 maart 2015 de vorderingen van de man toegewezen. In het dictum is onder 5.1 (samengevat) opgenomen dat de vrouw binnen 48 uur onvoorwaardelijk mee moet werken aan de verkoop van de woning aan de koper voor een minimumprijs van € 2.000.000,- en onder verbeurte van een dwangsom (reële executie ex artikel 3:300 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW), toev. hof). In het dictum onder 5.2 is (samengevat) opgenomen dat het vonnis in de plaats komt van de ontbrekende wilsverklaring en handtekening van de vrouw die nodig zijn voor de juridische levering (ex art. 3:300 lid 2 BW, toev. hof) en waarbij de termijn als bedoeld in artikel 3:301 lid 1 sub b BW op 5 dagen is bepaald (dictum onder 5.3). Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard (dictum onder 5.5). 4.4 Het vonnis is op 27 maart 2015 bij deurwaardersexploot aan de vrouw betekend. 4.5 De vrouw heeft bij dagvaarding d.d. 31 maart 2015 (spoed)appel ingesteld (met tevens opening van het schorsingsincident). Vervolgens heeft de vrouw andermaal een dagvaardingsexploot d.d. 2 april 2015 uitgebracht, onder handhaving van het eerste exploot. De advocaat van de vrouw heeft bij rolbericht van 21 april 2015 een uittreksel van het Kadaster overgelegd (van 16 april 2015) waarin is opgenomen dat betreffende de woning een rechtsmiddel is ingesteld d.d. 1 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.