GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.119.328/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 116398/ HA ZA 10-158) arrest van de eerste kamer van 1 september 2015 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant], advocaat: mr. G.J. Niezink, kantoorhoudend te Groningen, tegen De Coöperatie Avebe U.A., gevestigd te Foxhol, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: Avebe; advocaat: mr. J.H. van Vliet, kantoorhoudend te Wageningen. Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 9 juni 2015 hier over. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof heeft bij tussenarrest van 9 juni 2015 [appellant] in de gelegenheid gesteld om bij akte zich uit te laten over het voorlopig oordeel dat het hof in dat tussenarrest heeft neergelegd, dat erop neerkomt dat het hof in de stelling van [appellant] geen aangrijpingspunten aanwezig acht voor aansprakelijkheid van Avebe op voet van artikel 7:17 BW tegenover [appellant] . 1.2 [appellant] heeft van deze hem geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt. 1.3 Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1 Het hof handhaaft zijn redenering, vervat in de rechtsoverwegingen 6.3 tot en met 6.7 van het tussenarrest. Partijen hebben geen argumenten naar voren gebracht die het hof hebben doen twijfelen aan de juistheid van hetgeen in het tussenarrest is overwogen. Het hof is tot de conclusie gekomen dat de stellingen van [appellant] geen aangrijpingspunten bevatten voor aansprakelijkheid van Avebe jegens [appellant] op de grond dat ten tijde van de koop en de levering van [locatie] de voor dat terrein geldende bestemming in strijd was met het contractueel overeengekomen landbouwkundig gebruik, ongeacht of de de vordering wordt gebaseerd op artikel 7:17 dan wel op 7:15 BW. In dat verband wordt niet meer toegekomen aan de vraag of de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen het beroep van [appellant] op genoemde wetsartikelen. De vordering van [appellant] ligt op dit punt voor afwijzing gereed. Voor de door de rechtbank verstrekte bewijsopdracht bestaat derhalve geen grond. 2.2 Het hof zal daarom het vonnis waarvan beroep vernietigen en de zaak, conform de met partijen gemaakte afspraak, terugverwijzen naar de rechtbank teneinde de rechtbank in staat te stellen de "nieuwe" grondslag te beoordelen, welke grondslag bestaat uit de stelling dat door Avebe feitelijk 2.80.00 ha minder is geleverd dan de oppervlakte waarop de koopovereenkomst betrekking had, zulks omdat eigenaren van buurpercelen desbetreffende perceelsgedeelten bij hun eigendom hadden getrokken. 2.3 Het hof zal [appellant] aanmerken als de in appel overwegend in het ongelijk te stellen partij en hem in de kosten van het appel veroordelen. Het hof zal daarbij aan het verzet tegen de wijziging van eis geen punten toekennen, nu de eiswijziging is toegestaan en de materiele uitkomst daarvan nog niet vast staat. Dat zelfde geldt voor de kosten van de eerste aanleg. Deze kunnen nader door de rechter in eerste aanleg worden begroot, aangezien de eerste aanleg nog niet is afgerond. In appel zal het hof het geliquideerde salaris voor de advocaat van Avebe begroten op 1 punt naar tarief V à € 2.632, -. 3De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 8 augustus 2012 voor zover [appellant] daarbij is toegelaten tot het leveren van tegenbewijs; verwijst de zaak terug naar die rechtbank teneinde partijen te laten voort procederen over de gewijzigde eis van [appellant] ; veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Avebe vastgesteld op € 2.632,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 4.961,- voor verschotten; wijst het meer of anders gevorderde af. Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. B.J.H. Hofstee en mr. D.H. de Witte en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 1 september 2015.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.