Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-006218-14 Uitspraak d.d.: 9 september 2015 TEGENSPRAAK Promis Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 16 oktober 2014 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-630338-11 en 18-830185-14, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 26 augustus 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het aan haar tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. J.T.E. Vis, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en zal opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1.Zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met 27 juni 2011, te [plaats] , althans gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (in de uitoefening van beroep of bedrijf) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres] te [plaats] ), (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) 800 hennepplanten en/of 200 hennepstekken, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a , vijfde lid van die wet. 2.Zij in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 17 augustus 2010, te [plaats] , althans gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (in de uitoefening van een beroep of bedrijf) (telkens) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) - (een) hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 7770 gram henneptoppen en/of - ongeveer 353 hennepplanten en/of - ongeveer 435 hennepstekken en/of - ongeveer 14 moederhennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet. 3.Zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2009 tot en met 19 februari 2010, te [plaats] , althans gemeente [gemeente] , telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (in de uitoefening van beroep of bedrijf) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in het pand [adres] ) 273 hennepplanten en/of 200 hennepstekken, althans al dan niet (een) grote (een) hoeveelheid/hoeveelheden van hennep, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van die wet.Zaak met parketnummer 18-830185-14:Zij in of omstreeks de periode van 1 maart 2014 tot en met 31 maart 2014 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk ( in de uitoefening van een beroep of bedrijf) (telkens) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 731, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De verdediging heeft onder verwijzing van hetgeen daaromtrent in eerste aanleg is aangevoerd primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging. Het hof verwerpt dit verweer op de gronden zoals deze door de rechtbank in haar vonnis zijn opgenomen. Het hof maakt deze gronden derhalve tot de zijne Voor de leesbaarheid zal het hof hieronder opnemen hoe de rechtbank het standpunt van de verdediging alsmede de verwerping van het verweer in haar vonnis van 16 oktober 2014 heeft weergegeven: De verdediging heeft daartoe het volgende naar voren gebracht: (citaat) "De Nederlandse overheid hanteert een gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops, hetgeen onder meer inhoudt dat zij onder bepaalde voorwaarden toestaat dat cannabisproducten worden verkocht aan consumenten. Het doel van het gedoogbeleid is - samengevat - het dienen van de openbare orde, de veiligheid en de volksgezondheid. Coffeeshops kunnen evenwel alleen hennep verkopen als er een aanvoer is van de hennep. Doordat de overheid de verkoop van hennep via de coffeeshops gedoogt, wordt de hennepteelt niet alleen gestimuleerd, maar is deze ook noodzakelijk voor een goede bedrijfsvoering van de gedoogde coffeeshops. Er moet derhalve van uit worden gegaan dat de overheid een bepaalde vorm van hennepteelt accepteert. Verdachte en medeverdachte hebben zoveel mogelijk gehandeld binnen de grenzen van de doelstellingen van het (mede) door het openbaar ministerie bepaalde gedoogbeleid en hebben steeds openheid betracht over het feit dat zij hennep teelden. Verdachte en medeverdachte teelden uitsluitend ten behoeve van de verkoop aan twee gedoogde coffeeshops. Verdachte en medeverdachte hebben de elektriciteitsrekeningen betaald, zij genoten geen uitkering en zij gaven de inkomsten uit de kwekerij op aan de belastingdienst en betaalden daarover belasting. Bij de hennepkwekerij werden geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt en was er geen sprake van brandgevaar. De kwekerij bevond zich op een locatie waar geen sprake kon zijn van overlast. Verder was er aantoonbaar geen sprake van enige vorm van gerelateerde of grensoverschrijdende criminaliteit en van banden met georganiseerde criminaliteit. Voorts kan uit het dossier worden afgeleid dat het de politie al jaren bekend was dat verdachte en medeverdachte hennep kweekten en aan gedoogde coffeeshops leverden. Het openbaar ministerie heeft de vervolgingsbeslissingen ten aanzien van verdachte en medeverdachte niet in redelijkheid kunnen nemen. Het openbaar ministerie gaat met het huidige vervolgingsbeleid lijnrecht in tegen haar eigen beleidsdoelstellingen. Zij dient om die reden wegens strijd met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging niet-ontvankelijk te worden verklaard. Met de vervolging van verdachte is geen redelijkerwijs door strafrechtelijke handhaving gediend belang gemoeid. Er bestaat juridisch ook geen valide argument om op basis van internationale verdragen onderscheid te maken tussen het gedogen van de verkoop via coffeeshops en het gedogen van de teelt. Niet valt in te zien waarom de verkoop van cannabis wel, maar de teelt ten behoeve van die verkoop niet zou moeten worden toegestaan, mits de wijze van teelt tegemoet komt aan de doelstelling van het cannabisbeleid. Daarnaast was de belastingdienst op de hoogte van de soort onderneming van verdachte en medeverdachte. De belastingdienst heeft zelfs bedrijfsbezoeken aan de hennepkwekerij van verdachte en medeverdachte afgelegd. Verdachte en medeverdachte hebben zich als reguliere ondernemers gedragen en zijn door de overheid ook als regulier bedrijf behandeld. Deze handelwijze van de belastingdienst heeft bijgedragen aan het vertrouwen dat verdachten hadden opgevat dat zij niet zouden worden vervolgd. Voorts heeft het tijdsverloop tussen het plegen van de ten laste gelegde feiten en de zitting het gewekte vertrouwen, dat verdachte en medeverdachte niet zouden worden vervolgd, bestendigd. Het openbaar ministerie dient verder niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens ernstige overschrijding van de redelijke termijn. Het voorbereidend onderzoek door de politie kent meerdere vormverzuimen. Zo is in de machtiging tot binnentreden het adres met pen geschreven, waarbij geen huisnummer is vermeld en daarnaast heeft de politie zich in 2010 (onbevoegd) via een houten hek toegang verschaft tot het terrein van verdachte en medeverdachte. Er is derhalve sprake van onrechtmatig handelen." (einde citaat) De rechtbank heeft het verweer verworpen en daarbij het volgende overwogen: (citaat) "In de tenlastelegging wordt verdachte, kort samengevat, verweten dat hij in 2009, 2010, 2011 en 2014 samen met medeverdachte, een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en aanwezig heeft gehad. De rechtbank stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juli 2013, het zogenaamde “Checkpoint-arrest”, met betrekking tot de vraag wanneer sprake kan zijn van een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie het volgende heeft overwogen: “Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid , Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, LJN BX4280, NJ 2013/109). Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend (vgl. HR 8 mei 2012, LJN BW5002). Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).” De rechtbank zal dienen te beoordelen of in deze zaak sprake is van een zo uitzonderlijk geval als door de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest bedoeld. Derhalve dient onderzocht te worden of door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) het gerechtvaardigde vertrouwen bij verdachte en medeverdachte kan hebben gewekt dat zij niet (verder) zouden worden vervolgd. De rechtbank stelt in de eerste plaats mede aan de hand van het landelijke drugsbeleid, zoals dat gold ten tijde van de ten laste gelegde perioden, vast dat geen sprake was van het van overheidswege gedogen van de aan verdachte en haar medeverdachte ten laste gelegde gedragingen. Uit het dossier (waaronder de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen) en tijdens de behandeling ter zitting is niet gebleken dat sprake is geweest van door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen), welke bij de verdachte en medeverdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben kunnen wekken dat zij niet (verder) zouden worden vervolgd voor overtreding van artikel 3 van de Opiumwet vanwege de hennepteelt. Anders dan de verdediging heeft betoogd, kan het enkele niet-ingrijpen door het openbaar ministerie gedurende enige tijd niet met een dergelijke uitlating of gedraging gelijk worden gesteld. Daarbij komt dat verdachte en medeverdachte steeds opnieuw zijn aangehouden zodat daaruit kan blijken dat zij er niet op mochten vertrouwen dat zij niet vervolgd zouden worden. Het beroep van verdachte en medeverdachte op schending van het vertrouwensbeginsel wordt derhalve verworpen. Voorts dient de rechtbank volgens voormeld arrest te toetsen of de vervolging is ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn, zodat er strijd is met het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. In de "Aanwijzing Opiumwet" van het College van Procureurs-Generaal, d.d. 27 december 2011, die geldig was ten tijde van de in de tenlasteleggingen genoemde periode, staat onder meer vermeld dat "het Nederlandse drugsbeleid zich richt op het tegengaan en reduceren van drugsgebruik, zeker voor zover leidend tot gezondheids- en sociale schade, en op het voorkomen en verminderen van de maatschappelijke schade die aan het gebruik van, de productie van en de handel in drugs is verbonden". Tevens kan daaruit worden opgemaakt dat bij het coffeeshopbeleid sprake is van het onder bepaalde omstandigheden gedogen van bepaalde strafbare feiten. "Uitgangspunt van het beleid is het onderscheid dat in de Opiumwet is gemaakt tussen verdovende middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid (harddrugs) en andere middelen (softdrugs). De wetgever heeft dat onderscheid gemaakt met het oog op de gebruiksrisico's van de onderscheiden drugs en om een duidelijke scheiding tussen beide markten aan te brengen. Daartoe worden voor cannabis, dat tot de lijst-II middelen behoort, speciale verkooppunten in de vorm van coffeeshops gedoogd. De achterliggende gedachte hiervan is te voorkomen dat de cannabisgebruiker in aanraking komt met drugs met een groter gezondheidsrisico (harddrugs)". "De grondslag van het gedoogbeleid ligt in de afweging van belangen waarbij het belang van handhaving moet wijken voor een hoger identificeerbaar algemeen belang. In de context van het drugsbeleid wordt dit hogere belang gevonden in de volksgezondheid (scheiding der markten) en de openbare orde. Het gaat dus om een positieve beslissing niet op te sporen en te vervolgen ongeacht de aanwezige capaciteit. De toekenning van een lage opsporingsprioriteit aan bepaalde categorieën van strafbare feiten is in het algemeen gelegen in de beoordeling van de relatieve ernst van de strafbare feiten afgezet tegen capacitaire overwegingen". "Coffeeshops zijn alcoholvrije horecagelegenheden waar handel in en gebruik van softdrugs plaatsvindt. Coffeeshops mogen geen reclame maken (affichering: A), geen harddrugs voorhanden hebben of verkopen (harddrugs: H), geen overlast veroorzaken (overlast: O), niet toegankelijk zijn voor en niet verkopen aan jeugdigen (jeugd: J), slechts een beperkte hoeveelheid verkopen per transactie en slechts een beperkte handelsvoorraad hebben (geringe hoeveelheid: G), de zogeheten AHOJG-criteria". "In het lokale driehoeksoverleg wordt de maximale handelsvoorraad van gedoogde coffeeshops vastgesteld. Tegen een handelsvoorraad onder het maximum wordt in beginsel niet opgetreden. De voorraad zal in elk geval de 500 gram niet te boven mogen gaan". "Tegen coffeeshops die op grond van een door de gemeente afgegeven vergunning, beschikking of verklaring worden gedoogd, zal niet strafrechtelijk worden opgetreden wegens de verkoop van op lijst II van bij de Opiumwet vermelde hennepproducten zolang de AHOJG-criteria worden nageleefd". "3.2.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.