GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.169.778/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/140120 / KG ZA 15-44) arrest van de eerste kamer in het incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad ex artikel 351 Rv van 8 september 2015 in de zaak van 1 [appellante 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [appellante 2] , wonende te [woonplaats] , 3. [appellant 1] , wonende te [woonplaats] ,4. [appellant 2] ,wonende te [woonplaats] , 5. [appellant 3] , wonende te [woonplaats] , appellanten, in eerste aanleg: eisers, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten], advocaat: mr. P. Huistra, kantoorhoudend te Groningen, tegen [geïntimeerde] , in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [vader appellanten] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. S. Sikkema, kantoorhoudend te Leeuwarden. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 10 februari 2015 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, en in het vonnis van 8 april 2015 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 6 mei 2015 (met grieven en productie), - de memorie van grieven en wijziging van eis, tevens memorie van eis in het incident, - de antwoordconclusie in incident,- het H-16 formulier met bijlage d.d. 28 juli 2015 van [appellanten] 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in incident overgelegd en heeft het hof arrest in incident bepaald. 2.3 De incidentele vordering van [appellanten] luidt: "de uitvoerbaarheid bij voorraad als opgenomen in het vonnis in kort geding op te schorten, onder zodanige voorwaarden en tijdsduur als Uw Gerechtshof in goede justitie oordeelt, kosten rechtens." 3De motivering van de beslissing in het incident 3.1 [appellanten] zijn de kinderen van de heer [vader appellanten] (hierna: de erflater), overleden op 8 januari 2009. [geïntimeerde] was de geregistreerd partner van de erflater. 3.2 In het testament van de erflater is [geïntimeerde] benoemd tot enig erfgename en executeur. Verder is daarin door de erflater, voor het geval zijn kinderen of hun afstammelingen een beroep mochten doen op hun legitieme portie, bepaald dat de legitieme portie pas opeisbaar zal zijn, zonder bijrekening van rente en zonder zekerheid te hoeven stellen, bij het overlijden van [geïntimeerde] , bij haar faillissement, of wanneer de schuldsaneringsregeling van toepassing wordt verklaard. [geïntimeerde] heeft de nalatenschap zuiver aanvaard. 3.3 Na het overlijden van de erflater hebben [appellanten] diverse gerechtelijke procedures gevoerd tegen [geïntimeerde] en de boedelnotaris, [naam boedelnotaris] , ter zake van de nalatenschap van de erflater. In de daarop volgende beschikkingen is door de kantonrechter herhaaldelijk geoordeeld dat [appellanten] geen erfgenamen zijn van de erflater en dat zij geen aanspraak kunnen maken op een legitieme portie. 3.4 In de onderhavige procedure hebben [appellanten] [geïntimeerde] in haar hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van de erflater in kort geding gedagvaard, en - in de kern weergegeven - een voorschot op de legitieme portie gevorderd. 3.5 Bij het bestreden vonnis van 8 april 2015 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [appellanten] afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten in de kortgeding-procedure bij de kantonrechter en in onderhavig kort geding, aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 3.165,00. Het vonnis is voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 3.6 [geïntimeerde] heeft bij brief van 24 juni 2015 verzocht om verbetering van het op 8 april 2015 gewezen vonnis, in die zin dat zij in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van de erflater wordt aangeduid in het vonnis. [appellanten] hebben bij brief van 8 juli 2015 de voorzieningenrechter verzocht om aanvulling van het op 8 april 2015 gewezen vonnis, in die zin dat de voorzieningenrechter is verzocht alsnog te oordelen over de grondslag van de vorderingen gericht tegen [geïntimeerde] als executeur van de nalatenschap. 3.7 Bij vonnis van 22 juli 2015 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van [geïntimeerde] tot verbetering van genoemd vonnis afgewezen. Het verzoek van [appellanten] tot aanvulling van genoemd vonnis is eveneens afgewezen. 3.8 De vraag waar het in dit incident om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5012) en 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:688), voorop dat bij de beoordeling van deze vordering het volgende geldt:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.