GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.168.060/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/163666/JE RK 14-1773) beschikking van de familiekamer van 10 september 2015 inzake [verzoeker] , wonende te [A] , verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de vader, advocaat: mr. R.W. van Faassen, kantoorhoudend te Zwolle, tegen Jeugdbescherming Overijssel, gevestigd te Zwolle, verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de GI. Als overige belanghebbende is aangemerkt: [de curator] , kantoorhoudend te [A] , hierna te noemen: de bijzondere curator, 1Het geding in eerste aanleg 1.1 Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 18 december 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 16 maart 2015, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] (hierna [de minderjarige] ), geboren [in] 1998 te [B] , alsnog af te wijzen. 2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 juni 2015, heeft de GI het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. 2.3 Op 12 augustus 2015 is door de bijzondere curator een verweerschrift ingediend. 2.4 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen: - op 14 juli 2015 een fax van de bijzondere curator met het verzoek als belanghebbende te worden aangemerkt; - op 22 juni 2015 een brief van 19 juni 2015 van de Raad van de Kinderbescherming (hierna: de raad). 2.5 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is [de minderjarige] buiten aanwezigheid van partijen maar in het bijzijn van de bijzondere curator door het hof gehoord. 2.6 De mondelinge behandeling heeft op 14 augustus 2015 plaatsgevonden, tegelijk met de behandeling van zaaknummer 200.171.282 (betreffende de ontheffing van het gezag van de vader). In deze zaak heeft het hof afzonderlijk beschikking gewezen. Verschenen zijn de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en namens de GI is verschenen mevrouw [C] . Namens de raad is de heer [D] verschenen. Tevens is de bijzondere curator verschenen. 3De vaststaande feiten 3.1 [de minderjarige] is geboren uit het huwelijk van de vader en de (in 2008) overleden moeder [E] . 3.2 [de minderjarige] staat sinds 26 juni 2009 onder toezicht. 3.3 In 2009 is [de minderjarige] uit huis geplaatst, welke machtiging tot uithuisplaatsing op 31 mei 2011 is beëindigd. Vanaf 13 februari 2012 is wederom sprake van een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing, welke samen met de ondertoezichtstelling laatstelijk bij de bestreden beschikking is verlengd tot 24 december 2015. 4De motivering van de beslissing 4.1 Een minderjarige kan ingevolge artikel 1:254 lid 1 BW (oud), thans nog van toepassing, onder toezicht worden gesteld indien hij zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Ingevolge artikel 1:256 lid 2 BW (oud) kan de duur van de ondertoezichtstelling telkens worden verlengd voor ten hoogste een jaar. 4.2 Ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW (oud), kan de kinderrechter de stichting (thans de GI) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:262 lid 1 BW kan de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen. 4.3 Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ook thans nog aanwezig zijn. 4.4 In 2009 hebben ernstige zorgen over gedrag, schoolverzuim, hygiëne, overgewicht en de thuissituatie bij vader geleid tot de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft veel meegemaakt in zijn leven, waaronder de echtscheiding van zijn ouders in 2005, het overlijden van zijn moeder in 2008 (de ouders woonden toen weer bij elkaar) en wisselingen van verblijfplaats. Na thuisplaatsing in 2011, leken de zorgen rondom [de minderjarige] in eerste instantie verminderd. Een dreigend gezagsvacuüm, doordat de GI op 13 februari 2012 een melding van de politie had ontvangen dat de vader zou worden aangehouden op verdenking van het in het bezit hebben van kinderporno, aanranding en ontucht met een minderjarig meisje, heeft echter opnieuw geleid tot een (spoed)uithuisplaatsing. Uit contact tussen de GI en de school van [de minderjarige] bleek dat er bovendien vanaf januari 2012 opnieuw sprake was van veel schoolverzuim. Ook bleek de thuissituatie ernstig verslechterd. 4.5 Op 1 maart 2012 is de vader uit detentie gekomen. De vader heeft vervolgens geen gehoor gegeven aan uitnodigingen van de GI voor een gesprek en daarnaast weigerde hij formulieren te ondertekenen met betrekking tot het verblijf van [de minderjarige] bij [F] te [G] . De kinderrechter die de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing bij beschikking van 12 maart 2012 heeft verlengd, achtte aanvullend onderzoek van [de minderjarige] noodzakelijk. Op 23 maart 2012 is [de minderjarige] overgeplaatst naar [H] (in afwachting van een plek op een behandelgroep) alwaar sprake was van een verslechtering van zijn gedrag. Ook namen de zorgen (die al eerder tijdens eerdere plaatsingen naar voren waren gekomen) toe over de seksuele ontwikkeling van [de minderjarige] , in die zin dat hij niet in staat leek grenzen van anderen te respecteren en op een steeds dwingender wijze lichamelijk contact zocht met vrouwelijke medewerkers. Vader weigerde in deze periode elke medewerking aan onderzoek en inschrijving op een andere school, waardoor [de minderjarige] vanaf 23 maart 2012 enige tijd geen school heeft kunnen bezoeken. 4.6 [de minderjarige] heeft vanaf 8 november 2012 tot half juli 2015 op de behandelgroep van [I] te [J] gewoond. De ontwikkeling die [de minderjarige] daar in eerste instantie heeft doorgemaakt hield geen stand. De ernstige zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] op het gebied van identiteitsontwikkeling, seksuele en sociaal-emotionele ontwikkeling bleven bestaan. Onderzoek(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.