← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2015:782

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummers 14/01157 t/m 14/01184 uitspraakdatum: 3 februari 2015 Uitspraak van de voorzieningenrechter op de voet van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tot het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot na te melden besluiten die zijn vastgesteld door de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur). 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende zijn over de jaren 1990 tot en met 2000 en over de jaren 2002 tot en met 2008 belastingaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd alsmede over de jaren 1991 tot en met 2000 belastingaanslagen in de vermogensbelasting. Daarbij zijn voorts vergrijpboeten en verhogingen (hierna aangeduid als boeten) aan belanghebbende opgelegd en is heffingsrente in rekening gebracht. Deze belastingaanslagen, boeten en beschikkingen inzake de heffingsrente zijn in bezwaar verminderd. 1.2 Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft naar aanleiding van het beroep van belanghebbende bij uitspraak van 6 februari 2014, kort gezegd, de (in bezwaar verminderde) belastingaanslagen en beschikkingen inzake de heffingsrente gehandhaafd en de boeten vernietigd. 1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft zijn zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep schriftelijk naar voren gebracht. Het hoger beroep van belanghebbende is bij het Hof geregistreerd onder rolnummers 14/00227 tot en met 14/00254. 1.4 Hangende het hoger beroep heeft belanghebbende een verzoek bij de voorzieningenrechter van het Hof ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening. De Inspecteur heeft hierop schriftelijk gereageerd. 1.5 Het onderzoek ter zitting met betrekking tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft plaatsgehad op 15 januari 2015 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: mr. [A] als de gemachtigde van belanghebbende alsmede mr. [B], [C] en mr. [D] namens de Inspecteur. 1.6 De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. 1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht. 2De vaststaande feiten 2.1 Aan belanghebbende zijn in het kader van het zogenoemde Rekeningenproject over de jaren 1990 tot en met 2000 en over de jaren 2002 tot en met 2008 belastingaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd alsmede over de jaren 1991 tot en met 2000 belastingaanslagen in de vermogensbelasting. Daarbij zijn voorts vergrijpboeten aan belanghebbende opgelegd en is hem heffingsrente in rekening gebracht. Belanghebbende ontkent (een) bankrekening(

  1. en)bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: KB-Lux) te hebben gehad. 2.2 Deze belastingaanslagen, boeten en beschikkingen inzake de heffingsrente zijn in bezwaar verminderd. 2.3 De Rechtbank heeft naar aanleiding van het beroep van belanghebbende bij uitspraak van 6 februari 2014, kort gezegd, de (in bezwaar verminderde) belastingenaanslagen en beschikkingen inzake de heffingsrente gehandhaafd en de boeten vernietigd. Zij heeft daartoe onder meer geoordeeld: (
  2. i)dat belanghebbende op correcte en juiste wijze is geïdentificeerd als rekeninghouder bij de KB-Lux, (
  3. ii)dat belanghebbende de informatieverplichting ex artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) heeft geschonden, zodat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, (iii) dat de (nadere) schattingen van de Inspecteur niet onredelijk zijn, (
  4. iv)dat belanghebbende niet in de verzwaarde bewijslast is geslaagd, en (
  5. v)dat de Inspecteur het bewijs van ‘opzet’ voor de boeten niet heeft geleverd. 2.4 Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 18 maart 2014 hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft op 23 juni 2014 – bij het Hof ingekomen op 26 juni 2014 – een verweerschrift ingediend. Daarbij heeft hij voorts incidenteel hoger beroep ingesteld met betrekking tot de door de Rechtbank voor het jaar 1994 vernietigde boeten. 2.5 Met betrekking tot de vermeende bankrekening bij de KB-Lux heeft de Inspecteur ten aanzien van belanghebbende voor de jaren 2009, 2010 en 2011 op de voet van artikel 52a AWR informatiebeschikkingen vastgesteld. 2.6 Bij brief van 30 juni 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende het volgende geschreven: “Betreft; OPROEP Geachte heer en mevrouw [X] - - [E], Op grond van artikel 41 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen roep ik u hierbij op om te verschijnen op: Donderdag 10 juli 2014 om 13.30 uur op het kantoor van: Belastingdienst, kantoor Amersfoort, Inputplein 1, 3821 AM Amersfoort Mocht u bovenstaande datum niet schikken dan verzoek ik u per ommegaande contact met mij op te nemen voor het plannen van een nieuwe oproep. Ik deel u mee dat momenteel tegen u een Kort geding bij de Kantonrechter wordt opgestart welke binnen enkele weken zal plaatsvinden. In het gesprek, dat voor u van groot (financieel) belang is stel ik u voor de laatste maal in de gelegenheid openheid van zaken te geven over uw buitenlands vermogen waarmee u het Kort geding kunt voorkomen. Uiteraard zal ik al uw eventuele vragen beantwoorden. Gelet op het spoedeisende karakter van deze oproep verzoek ik u te reageren binnen één week na dagtekening van deze brief. U kunt mij bereiken via (…). Hierna vermeld ik enige relevante informatie voor u. De Procedure van het Kort geding bij de civiele rechter Momenteel heeft u beide uw gemachtigde opdracht gegeven u te vertegenwoordigen in (op dit moment) 1 beroepsprocedure bij de fiscale rechter en meerdere bezwaarprocedures. Meerdere beroepsprocedures zijn binnenkort aan de orde, allen ten gevolge van uw weigering openheid van zaken te geven betreffende uw buitenlands vermogen. Naast deze bezwaar-en beroepsprocedures bij de fiscale rechter zullen belastingplichtigen die geen openheid van zaken geven worden voorgedragen voor een Kort geding bij de civiele rechter. De belastingplichtigen ontvangen de oproep persoonlijk via de Landsadvocaat. • Uit ervaringsregels blijkt dat het vonnis van de civiele rechter de belastingplichtigen verplicht alsnog de vragenbrieven van de Belastingdienst over de buitenlandse vermogensbestanddelen te beantwoorden! Dit is in feite het alsnog geven van openheid van zaken over de buitenlandse bankrekening. • Deze gegevens moeten worden overgelegd aan de Belastingdienst veelal binnen 4 weken onder dwang van een dwangsom van € 5.000 per dag zonder maximum dan wel tot een maximum van € 500.000 ! Deze dwangsom moeten belastingplichtigen daadwerkelijke betalen als zij geen openheid van zaken geven over de buitenlandse vermogensbestanddelen. • De dwangsom is verschuldigd ook al gaat u in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechter. • De belastingplichtigen worden ook veroordeeld tot het betalen van de kosten van de Rechtbank en van de Belastingdienst. • De belastingplichtigen zullen bovendien de kosten van hun gemachtigde dienen te betalen. In feite staat het door belastingplichtigen heden op eigen initiatief alsnog geven van openheid van zaken gelijk aan het verplicht openheid moeten geven met het verschil dat er bij het op eigen initiatief geven van openheid van zaken geen veroordeling volgt van het betalen van alle kosten van het Kort geding. De emotionele gevolgen Ervaring heeft geleerd dat het geven van openheid van zaken voor vele belastingplichtigen een welkome (financiële) opluchting is. Veel belastingplichtigen zijn niet op de hoogte van de (financiële) gevolgen van de voortslepende bezwaaren beroepsprocedures! Niet alleen wordt bij het geven van openheid de financiële onzekerheid beëindigd. Er wordt ook voorkomen dat er een nadelige financiële situatie ontstaat vanwege het moeten betalen van vele verschuldigde bedragen die die zelfs het tegoed van de (inmiddels opgeheven) bankrekening bij de KBL ver te boven gaan. Bovendien is gebleken dat ten gevolge van ziekte en ouderdom veel belastingplichtigen openheid van zaken willen geven ter voorkoming van het confronteren (van deze nadelige financiële situatie) aan de partner / familieleden. De toekomst In het geval belastingplichtigen heden alsnog openheid van zaken geven over niet eerder opgegeven buitenlandse vermogensbestanddelen is de Belastingdienst bereid met voorrang zorg te dragen over de alsnog aangeleverde gegevens van de buitenlandse vermogensbestanddelen om op korte termijn in goed overleg alle lopende procedures te beëindigen! Indien de belastingplichtigen geen openheid van zaken geven, geeft bovenstaande een opsomming van toekomstige acties van de Belastingdienst. Bovendien worden de (veelal voor belastingplichtigen nadelige) uitspraken van de rechters ook toegepast in alle nieuwe procedures. De belastingplichtigen zullen jaarlijks geconfronteerd worden met vele (hoge/geschatte) belastingaanslagen waarbij boetes worden overwogen. Hierbij opgemerkt dat de aanslagen mede van invloed zijn op toekenning / hoogte van Toeslagen.” 2.7 De periode waarop de in 2.6 bedoelde ‘oproep’ ziet is van 31 januari 1994 tot heden. 2.8 Wegens verhindering van de gemachtigde op 10 juli 2014, heeft de Inspecteur belanghebbende opgeroepen op 15 augustus 2014 ten kantore van de Inspecteur te verschijnen. Belanghebbende is, met zijn toenmalige gemachtigde mr. [F], verschenen op het kantoor van de Inspecteur en heeft daarbij de volgende brief overgelegd: “VERKLARING Vandaag ben ik op het belastingkantoor omdat ik ben opgeroepen. Volgens u is dit de laatste kans om openheid te geven over een buitenlands vermogen dat ik zou hebben. Doe ik dit niet, dan komt er een kort geding en worden er hoge dwangsommen opgelegd. Ook worden er dan nog meer (hoge) aanslagen en boetes opgelegd. Ik vraag mij af hoe ik hieraan kan voldoen. Ik word beschuldigd van het verzwijgen van een buitenlands vermogen. Ik ben hiervoor ook al beboet. Ook zijn hiervoor de nodige aanslagen opgelegd. Op dit moment wordt hierover geprocedeerd bij de belastingrechter. En tegelijkertijd wordt er gedreigd met nieuwe boetes en hoge correcties. Met als klap op de vuurpijl ook nog een kort geding met hoge dwangsommen en kosten. Na jaren van aanslagen, boetes en procederen, heb ik geleerd dat het niet uitmaakt wat ik zeg. Het wordt toch niet geloofd en er worden toch wel boetes opgelegd. Daarom lijkt het me verstandig om maar helemaal niets te zeggen. Voor zover er al iets te zeggen zou zijn. Dit zou anders kunnen zijn als ik de garantie zou krijgen dat eventuele verklaringen en informatie niet gebruikt zouden worden voor bewijs voor de al opgelegde boetes en de door de Belastingdienst beloofde toekomstige boetes of eventuele strafrechtelijke maatregelen. Wat ik u wel nog wil zeggen is dat het voor mij en mijn vrouw zeer zware jaren zijn geweest. Dit heeft alles te maken met de opgelegde aanslagen en boetes. Vooral de manier waarop dit is gegaan heeft mij diep geraakt. Ik had gehoopt dat er inmiddels rust zou zijn. Helaas is dit niet zo. Ik hoop dat u zich realiseert wat voor een effect uw handelen heeft op mensen. Ik kan u vertellen dat het dreigen met een kort geding, hoge dwangsommen en correcties en boetes voor een tachtigjarige de nodige stress veroorzaakt, meer dan gezond is. Wellicht dat dit voor u nog een reden is om af te zien van een kort geding. Ik weet niet of u mij begrijpt. Ik hoop in ieder geval dat u mijn beslissing om op dit moment maar niets te zeggen, respecteert. De heer [X]” 2.9 Na enige correspondentie tussen partijen, heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 14 november 2014 wederom opgeroepen ten kantore van de Inspecteur te verschijnen. Deze brief behelst het volgende: “(…) Geachte heer en mevrouw [X] - - [E], Op grond van artikel 41 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen roep ik u hierbij op om te verschijnen op: Vrijdag 28 november 2014 om 11.00 uur op het kantoor van: Belastingdienst, kantoor Amersfoort, Inputplein 1, 3821 AM Amersfoort Het onderwerp van gesprek is de voortgang inzake het onderzoek naar uw buitenlands vermogen. (…)” 2.10 Op 19 november 2014 heeft belanghebbende het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. 3Het verzoek, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 Belanghebbende verzoekt, onder meer onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 februari 1988, nr. 23 925, BNB 1988/160, de voorzieningenrechter de volgende voorlopige voorzieningen te treffen: de Inspecteur te gelasten zijn bevoegdheden krachtens artikel 47 AWR niet uit te oefenen - noch via een kort geding bij de civiele rechter noch anderszins - , omdat hij daarmee forceert dat belanghebbende aan de bewijsvoering te zijnen laste meewerkt; de Inspecteur te laten garanderen dat alle informatie die door belanghebbende eventueel – alsnog – zal worden verstrekt, niet zal worden gebruikt in de in hoger beroep lopende procedure met betrekking tot de hiervoor genoemde belastingaanslagen en boeten

(1994); de Inspecteur onverwijld te laten garanderen dat alle informatie die door belanghebbende eventueel – alsnog – zal worden verstrekt, niet zal worden gebruikt voor punitieve doeleinden. 3.2 De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek van belanghebbende tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is, omdat de zogenoemde connexiteit ontbreekt. Evenmin is volgens de Inspecteur sprake van een spoedeisend belang. Voorts is de Inspecteur van mening dat er geen grond bestaat voor het treffen van de door belanghebbende gevraagde voorlopige voorzieningen. 3.3 Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting. 4Beoordeling van het verzoek Connexiteit 4.1 In aanmerking genomen dat: - door belanghebbende hoger beroep is ingesteld bij het Hof tegen de uitspraak van de Rechtbank inzake de in onderdeel 2.1 genoemde belastingaanslagen; - door de Inspecteur vervolgens incidenteel hoger beroep is ingesteld inzake de op het jaar 1994 betrekking hebbende boeten, en - het verzoek van belanghebbende tot het treffen van een voorlopige voorziening betrekking heeft op de handelwijze van de Inspecteur om belanghebbende te dwingen informatie te verstrekken over een vermeende bankrekening bij de KB-Lux over de periode van 1 januari 1994 tot heden, is, nu die informatie een rol zou kunnen spelen in de bewijsvoering met betrekking tot bedoelde belastingaanslagen en boeten in de bij het Hof aanhangige bodemprocedure, naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan het in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) opgenomen vereiste van ‘connexiteit’. Spoedeisendheid 4.2 Gelet op de brieven van de Inspecteur van 30 juni 2014 en 14 november 2014 en gelet op de mededeling van de Inspecteur ter zitting dat hij belanghebbende zeer spoedig zal doen dagvaarden in kort geding bij de civiele rechter, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter te dezen sprake van ‘onverwijlde spoed’ als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Awb. Verzoeken 4.3 Bij de vervulling van zijn taak om ten behoeve van de heffing van belasting aanslagen vast te stellen staan een inspecteur ingevolge artikel 47 AWR zeer ingrijpende dwangmiddelen ten dienste. Wanneer een belastingplichtige (hoger) beroep bij de bestuursrechter in belastingzaken heeft ingesteld tegen hem opgelegde belastingaanslagen, is het een inspecteur evenwel niet toegestaan om gedurende de loop van het rechtsgeding die belastingplichtige, buiten de rechter om, door middel van hantering van het dwangmiddel van de wettelijke informatieverplichting te dwingen aan bewijsvoering te zijnen laste mee te werken. Wanneer de inspecteur in de loop van het rechtsgeding zijn krachtens artikel 47 AWR toekomende bevoegdheden wenst uit te oefenen, dient hij zich daarvoor tot de rechter te wenden (vgl. HR 10 februari 1988, nr. 23 925, BNB 1988/160). 4.4. In zoverre belanghebbende – onder verwijzing naar genoemd arrest – stelt dat, nu tegen de in onderdeel 2.1 genoemde belastingaanslagen en boeten over 1994 (incidenteel) hoger beroep is ingesteld bij het Hof, het de Inspecteur niet is toegestaan om via het instellen van een kort geding bij de civiele rechter belanghebbende, onder dreiging van een dwangsom, te dwingen informatie te verstrekken aan de Inspecteur met betrekking tot die belastingaanslagen en boeten, dient die stelling naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden verworpen. Wanneer de Inspecteur een procedure aanhangig maakt bij de civiele rechter kan immers niet worden gezegd dat hij belanghebbende buiten de rechter om dwingt om aan bewijsvoering te zijnen laste mee te werken. Integendeel. De Inspecteur wendt zich nu juist tot een onafhankelijke rechter met zijn vordering om belanghebbende te dwingen om diens wettelijke verplichting tot het verstrekken van informatie na te komen. De omstandigheid dat dit niet de belastingrechter is maar de burgerlijke rechter in een kortgedingprocedure, doet hieraan niet af. Ook de civiele procedure wordt immers beheerst door de algemene beginselen van procesrecht, zodat de gelijkwaardigheid van partijen is gewaarborgd. 4.5. Voor zover belanghebbende – onder verwijzing naar de brieven van 30 juni 2014 en 14 november 2014 – stelt dat de Inspecteur in strijd handelt met de door de Hoge Raad in het hiervoor genoemde arrest geformuleerde rechtsregels door hem buiten de rechter om alsnog te dwingen (door gebruik te maken van de wettelijke bevoegdheden ex artikel 47 en 41 AWR) informatie te verstrekken over de vermeende bankrekening bij de KB-Lux, treft die stelling doel. Het is de Inspecteur met betrekking tot de in onderdeel 2.1 genoemde belastingaanslagen en boeten
(1994)die bij het Hof aanhangig zijn niet toegestaan buiten de rechter om gebruik te maken van zijn wettelijke bevoegdheden ex artikel 47 en 41 AWR. 4.6. Ten aanzien van de verzoeken van belanghebbende om, kort gezegd, waarborgen te verkrijgen van de Inspecteur met betrekking tot – eventueel – door belanghebbende te verstrekken informatie, heeft het volgende te gelden. Zoals hiervóór in 4.5 is overwogen, is belanghebbende met betrekking tot de hier aan de orde zijnde belastingaanslagen en boeten
(1994)niet gehouden om buiten de rechter om informatie aan de Inspecteur te verstrekken. Het is voorts aan de civiele rechter in kort geding om de waarborgen (restricties) in acht te nemen die zijn geformuleerd door de Hoge Raad in zijn arrest van 12 juli 2013, nr. 12/01880, ECLI:NL:HR:2013:BZ
  1. Het is vervolgens aan de kamer van het Hof die de onderhavige zaken in de bodemprocedure zal gaan behandelen om te beoordelen of (eventuele) door belanghebbende onder dwang verstrekte informatie mag worden gebruikt voor de bewijsvoering met betrekking tot de in die procedure aan de orde zijnde belastingaanslagen en boeten. In dit verband is er voor de voorzieningenrechter geen taak. Voor zover de verzoeken van belanghebbende betrekking hebben op jaren die niet aan de orde zijn in de bodemprocedure bij het Hof, is de voorzieningenrechter in belastingzaken niet bevoegd daarover te oordelen wegens het ontbreken van connexiteit. Slotsom Het verzoek van belanghebbende tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt ingewilligd voor zover de Inspecteur met betrekking tot de in onderdeel 2.1 genoemde en in hoger beroep nog in geschil zijnde belastingaanslagen en boeten belanghebbende buiten de rechter om dwingt informatie te verstrekken. Voor het overige wijst de voorzieningenrechter de verzoeken af. 5Kosten De voorzieningenrechter acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. De voorzieningenrechter stelt deze kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op een bedrag van € 974 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. 6Beslissing De voorzieningenrechter: - gelast de Inspecteur zich met betrekking tot de belastingaanslagen en boeten die bij het Hof aanhangig zijn in de bodemprocedure onder de rolnummers 14/00227 tot en met 14/00254 te onthouden van activiteiten om belanghebbende buiten de rechter om te dwingen informatie te verstrekken over de vermeende bankrekening bij de KB-Lux; - wijst de verzoeken voor het overige af; - veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 974, en - gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden het door hem voor deze procedure betaalde griffierecht van €
  2. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier. De beslissing is te Arnhem in het openbaar uitgesproken op 3 februari
  3. De griffier, De voorzitter, (J.H. Riethorst) (R. den Ouden) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 5 februari 2015

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.