GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.102.943 (zaaknummer rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Arnhem 781614) arrest van 10 november 2015 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats], appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, hierna: [appellante], advocaat: mr. L. Veenstra, tegen: de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, hierna: ABN, advocaat: mr. H.L.J. Walhain. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 oktober 2014 hier over. 1.2 Ingevolge dat tussenarrest heeft op 9 december 2014 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. Bij brief van 9 januari 2015 heeft ABN, zoals toegestaan tijdens de comparitie van partijen, enige opmerkingen gemaakt met betrekking tot het proces-verbaal. [appellante] is daarop mondeling door de griffie van het hof in de gelegenheid gesteld een reactie op die brief te geven. Het hof heeft vervolgens geen reactie op die brief meer ontvangen. 1.3 Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en heeft [appellante] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest. Daarop heeft het hof arrest bepaald. 2De motivering van de beslissing in hoger beroep in het principaal en incidenteel hoger beroep 2.1 Het hof onderschrijft de opmerkingen die ABN heeft gemaakt bij het proces-verbaal. Dat proces-verbaal dient dan ook gelezen te worden met inachtneming van die opmerkingen. Voor de afdoening van het geschil zijn die opmerkingen verder niet van belang, zoals zal blijken uit het volgende. 2.2 Het hof constateert, met partijen ter zitting van het hof, dat de Wet op het consumentenkrediet niet van toepassing is, omdat de overeenkomst van partijen een ondernemerskrediet betreft. Erkenning 2.3 Dat [appellante] de schuld aan ABN heeft erkend, volgt, anders dan ABN betoogt (met de door ABN ter zitting in hoger beroep gegeven toelichting), niet uit het echtscheidingsconvenant van [appellante] en haar ex-echtgenoot, nog daargelaten dat een eventuele erkenning in het echtscheidingsconvenant tussen twee ex-echtgenoten nog geen gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in het geschil tussen partijen oplevert. Gebondenheid aan de overeenkomst 2.4 [appellante] heeft enkele verweren gevoerd die betrekking hebben op haar gebondenheid aan de overeenkomst. Op die verweren gaat het hof hierna in. 2.5 [appellante] heeft haar verweer dat de handtekening op de door ABN overgelegde overeenkomst van 7 april 2003 niet van haar is tijdens de zitting in hoger beroep ingetrokken. Het hof behoeft dan ook niet meer te beslissen op dat verweer. 2.6 [appellante] heeft aangevoerd dat sprake is van misbruik van omstandigheden, van een wilsgebrek en van dwaling, op grond waarvan de overeenkomst (ver)nietig(baar) is. Ter onderbouwing van die verweren heeft [appellante] de volgende omstandigheden gesteld: - [appellante] is in 1996 met een in Nederland wonende Turkse man gehuwd; in 2000 heeft [appellante] zich in het kader van gezinshereniging in Nederland gevestigd; behalve dat haar man in Nederland woonde, had [appellante] voor die tijd geen enkele band met dit land; [appellante] was op dat moment de Nederlandse taal geheel niet machtig; in 2000 besloot de man van [appellante] een eigen bedrijf (schoonmaakuitzendorganisatie) op te starten; aangezien haar (inmiddels: ex-)man haar voorhield dat het beter was wanneer dit bedrijf op haar naam zou komen te staan, heeft zij hiermee, met het volste vertrouwen in haar man, ingestemd; [appellante] had op dat moment geen enkele ervaring met het voeren van een bedrijf; feitelijk werd de uitzendorganisatie geheel door haar man gerund; - gedurende de periode 19 oktober 2000 tot 18 november 2005 heeft [appellante] bij de Kamer van Koophandel ingeschreven gestaan als eenmanszaak handelende onder de naam “[A] Schoonmaakbedrijf”; per 18 november 2005 zijn de activiteiten van het bedrijf gestaakt; - [appellante] herinnert zich dat zij met haar man maar één keer naar ABN is geweest; in verband met het opstarten van het bedrijf heeft zij in 2000 bij de bank papieren ondertekend; het ging daarbij om het openen van een rekening-courant voor het bedrijf en een formulier waarmee zij haar man machtigde om ook gebruik van deze rekening te maken; - [appellante] is na 2000 nooit meer bij ABN geweest; - [appellante] is tot het zetten van haar handtekening op de overeenkomst van 7 april 2003 door haar man aangezet; zij wist destijds niet waarvoor zij tekende; zij was de Nederlandse taal niet machtig; ABN heeft – in strijd met haar informatieplicht – niet aan [appellante] verteld wat de strekking en de gevolgen van de overeenkomst waren; wanneer dat [appellante] wel duidelijk zou zijn geweest, zou zij nooit tot ondertekening zijn overgegaan, gezien het financiële risico dat zij liep; - uit niets is gebleken dat ABN heeft voldaan aan haar onderzoeksplicht (te weten: ABN had, alvorens met [appellante] te contracteren, onderzoek moeten verrichten naar het bedrijf dat op naam van [appellante] stond, de kredietwaardigheid van dit bedrijf en de zakelijke achtergrond van [appellante]); - het had ABN duidelijk moeten zijn dat [appellante] de Nederlandse taal niet machtig was en het ging om een risicovol en complex financieel product. 2.7 ABN heeft tegenover die omstandigheden aangevoerd:- dat het niet om een risicovol en complex financieel product ging, maar om een simpele rekening-courant overeenkomst, waarbij [appellante] van ABN € 20.000,-- leende tegen een rente van 8,2% en dat dat in een standaardovereenkomst is neergelegd; - dat het ABN niet duidelijk was dat [appellante] de Nederlandse taal niet machtig was; dat ABN niet bekend was met de achtergrond van [appellante] en van het bedrijf zoals hiervoor vermeld en dat [appellante] daarover niets aan ABN had verteld; - dat [appellante] in 1999 is gehuwd; - dat blijkens het zich in het dossier van de bank bevindende uittreksel van de Kamer van Koophandel van 7 april 2003 (de datum waarop [appellante] volgens ABN de overeenkomst is aangegaan) het bedrijf met ingang van 1 oktober 2002 voor risico van [appellante] werd gedreven; - dat de zakelijke relatie tussen [appellante] en ABN eind augustus 2002 begon met een aanvraag van [appellante], die op dat moment het bedrijf feitelijk al dreef, voor een “Ondernemersrekening met Moment Krediet”; dat ABN, na BKR-toetsing en bestudering van de (bij [appellante] opgevraagde en door [appellante] ter hand gestelde) voorlopige winst- en verliesrekening van de eenmanszaak over het jaar 2001 en de voorlopige balans per 31 december 2001, de kredietaanvraag van [appellante] heeft gefiatteerd en dat ABN dat bij brief van 4 september 2002 aan [appellante] heeft bevestigd, welke brief [appellante] op 6 september 2002 “Voor gezien en akkoord” heeft getekend en aan ABN geretourneerd; dat [appellante] vanaf dat moment over een rekening (met nummer [rekeningnummer]) bij ABN beschikte waarop zij € 500,-- rood mocht staan; - dat [appellante] de bank op 6 september 2002 om verhoging van het krediet van € 500,-- naar € 2.300,-- heeft gevraagd en dat de bank daarmee akkoord is gegaan; dat [appellante] de brief van ABN van 6 september 2002 (waarin dat is bevestigd) op 11 september 2002 “Voor gezien en akkoord” heeft getekend en aan ABN heeft geretourneerd; dat die brief verwijst naar “ons gesprek van hedenmorgen” en dat dat gesprek bij ABN is gevoerd; - dat [appellante] vervolgens een aanvraag voor een Ondernemers Rekening Courant Krediet heeft ingediend; dat ABN, na controle van de gegevens en toetsing van de kredietwaardigheid van [appellante], bij brief van 7 april 2013 aan [appellante] deze financiering heeft aangeboden (dit betreft de onderhavige kredietovereenkomst), welk aanbod [appellante] heeft aanvaard; dat die brief verwijst naar “de met u gevoerde bespreking” en dat die bespreking bij ABN is gevoerd; - dat [appellante] na 2000 minstens tweemaal bij ABN moet zijn geweest; - dat ABN niet wist of had moeten begrijpen dat [appellante] onkundig/onwetend/onervaren op het gebied van kredietovereenkomsten was. 2.8 Tijdens de zitting in hoger beroep heeft [appellante] met betrekking tot de (door haar voor akkoord ondertekende) brieven van 4 en 6 september 2002 verklaard dat haar man het woord voerde bij de bank, dat zij op haar man heeft vertrouwd en dat zij niet wist dat het om een krediet ging; dat ze in de tijd van die brieven de telefoon nog niet eens kon aannemen en dat ze toen alleen heel eenvoudige woorden in het Nederlands kende. [appellante] heeft daarbij verklaard dat ze nooit telefonisch contact heeft gehad met ABN en dat ze misschien wel bij de bank is geweest, maar niet wist waarover het ging. 2.9 Het hof constateert dat [appellante], naar haar eigen zeggen, met haar man mee is geweest naar de bank om een rekening-courant te openen voor een bedrijf dat met haar instemming op haar naam is gesteld en haar man heeft gemachtigd voor die rekening, terwijl haar man bij de bank het woord heeft gevoerd. Het hof constateert daarnaast dat [appellante] kennelijk niet (meer) betwist dat zij ook voor het eerdere krediet en de verhoging heeft getekend en dat ze in dit kader minstens twee keer bij de bank is geweest. Het hof constateert daarnaast dat [appellante] op 7 april 2003 met het bedrijf waarvoor het krediet was bestemd in het handelsregister stond ingeschreven. In het licht van die constateringen heeft [appellante] (tegenover het verweer van ABN op dit punt) onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om te kunnen oordelen dat ABN wist of heeft moeten begrijpen dat [appellante] door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen werd tot het verrichten van een rechtshandeling (het aangaan van de onderhavige kredietovereenkomst) en dat ABN het totstandkomen daarvan heeft bevorderd, ofschoon hetgeen zij wist of moest begrijpen haar daarvan zou behoren te weerhouden. ABN kon weliswaar constateren, bij de bezoeken van [appellante] aan ABN, dat [appellante] geen Nederlands sprak, maar behoefde daaruit niet af te leiden dat zij niet wist wat zij tekende; [appellante] werd immers vergezeld van haar echtgenoot die kennelijk wel Nederlands sprak. Dat sprake is van misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft [appellante] dan ook onvoldoende onderbouwd. 2.10 In het licht van genoemde constateringen heeft [appellante] eveneens onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat sprake is van een wilsgebrek of van dwaling aan haar zijde. 2.11 Nu de verweren van [appellante] gericht tegen haar gebondenheid aan de overeenkomst falen, gaat het hof ervan uit dat [appellante] aan die overeenkomst is gebonden. Opeisbaarheid van de vordering 2.12 [appellante] heeft daarnaast het verweer gevoerd dat uit niets blijkt en dat ABN dus onvoldoende heeft onderbouwd dat haar vordering (ineens) opeisbaar is. ABN heeft daartegenover gesteld dat haar vordering opeisbaar is geworden op 13 december
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.