Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002257-14 Uitspraak d.d.: 19 november 2015 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 16 april 2014 met parketnummer 05-701499-12 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [adres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 5 november 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D. Simo, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: primair:hij op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een spitvork en/of een riek heeft gestoken in de richting van die Hemmes, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair:hij op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats] , opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] ), meermalen, althans eenmaal met een spitvork en/of een riek heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden; Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De raadsvrouw heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de doorzoeking van de schuur onrechtmatig was, en dat aan verdachte niet de cautie is gegeven. Volgens de raadsvrouw zijn er in casu vormen verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard te worden. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op grond van artikel 96 van het Wetboek van Strafvordering in dit geval, gezien de korte tijdspanne tussen de aangifte (om 12.10 uur) en het betreden van de schuur om 12.30 uur, sprake was van ontdekking op heterdaad. Verbalisant was dan ook bevoegd om de schuur -niet zijnde een woning- te betreden en de spitvork in beslag te nemen. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat haar cliënt na zijn aanhouding niet de cautie is gegeven. Gezien echter het proces-verbaal aanhouding op pagina 23 van het dossier is het hof van oordeel dat dit verweer feitelijke grondslag mist. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in haar beroep. Nu de verweren niet slagen hoeft er ook geen bewijsuitsluiting of strafvermindering, zoals subsidiair bepleit, te volgen. Vrijspraak Het hof is van oordeel dat uit het proces-verbaal en het onderzoek ter terechtzitting volgt dat verdachte ten tijde van het tenlaste gelegde feit ongeveer één meter lager stond dan zijn buurman. Hierdoor is het niet aannemelijk dat verdachte met de spitvork zijn buurman op kwetsbare lichaamsdelen zoals zijn buik kon raken. Het hof heeft hierdoor uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: subsidiair:hij op of omstreeks [pleegdatum] te [pleegplaats] , opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer] ), meermalen, althans eenmaal met een spitvork en/of een riek heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het subsidiair bewezen verklaarde levert op: mishandeling. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er sprake was van noodweer. De moeder van haar cliënt werd door de buurman geslagen. Haar cliënt is vervolgens naar zijn moeder gerend om haar te helpen en te beschermen. Volgens de raadsvrouw was er sprake van een noodzakelijke verdediging van zijn moeder tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door aangever. De moeder van verdachte heeft verklaard dat ze zag dat de buurman zakken met bladeren aan het leeggooien was, en dat de buurman haar met zo’n zak, van de Aldi of iets dergelijks, raakte. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dergelijk slaan met een plastic zak met bladeren geen ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding oplevert waartegen verdediging noodzakelijk is. Het feit is dan ook strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd dat er sprake was van noodweer-exces. Dat haar cliënt de spitvork tussen zijn moeder en de buurman heeft gehouden, is door een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van het feit sprake was van een hevige gemoedstoestand. Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van de hierna aan te geven duur passend en geboden is. Verdachte heeft zijn bejaarde buurman met een spitvork gestoken. De ervaring leert dat zoiets nog lange tijd psychische klachten kan veroorzaken bij slachtoffers. Naast de mentale klachten heeft de buurman twee gaten in zijn been opgelopen, die moesten worden gehecht. Het hof houdt echter ook rekening met het feit dat artikel 63 van toepassing is en de laatste tijd de relatie tussen verdachte en zijn buurman in rustiger vaarwater lijkt te zijn gekomen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.966,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.