GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.173.343/01, 200.173.623/01, 200.174.142/01 en 200.175.916/01 (zaaknummers rechtbank Noord-Nederland JE RK 15-217, JE RK 15-218, FJ RK 15-283, FJ RK 15-284, FJ RK 15-331, FJ RK 15-333 beschikking van de familiekamer van 24 november 2015 inzake [de moeder] , wonende te [A] , thans verblijvende te Beilen, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. M.S. Krol, kantoorhoudend te Rotterdam, in de zaken met nummers 200.173.343/01 en 200.175.916/01 verzoekster in hoger beroep, in de overige zaken, belanghebbende in hoger beroep, en [de stiefvader] , wonende te [A] , thans verblijvende te [B] , hierna te noemen: de (stief)vader, in de zaak met nummer 200.173.623/01 verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. L.H.E.M. Berendse-de Gruijl, kantoorhoudend te Rotterdam, in de zaak met nummer 200.174.142/01 verzoeker in hoger beroep, advocaat: mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudend te Rotterdam, in de overige zaken, belanghebbende in hoger beroep. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: 1de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord-Nederland, kantoorhoudend te Leeuwarden, verder te noemen: de raad, 2. Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, kantoorhoudend te Leeuwarden, verder te noemen: de GI of gecertificeerde instelling. 1. Het geding in eerste aanleg In de zaak met nummer 200.173.343/01 Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 april 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer JE RK 15-218, en 29 april 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer FJ RK 15-331. In de zaak met nummer 200.173.623/01 Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 april 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer JE RK 15-217, en 29 april 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer FJ RK 15-333. In de zaak met nummer 200.174.142/01 Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 1 juli 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer FJ RK 15-284. In de zaak met nummer 200.175.916/01 Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland van 1 juli 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer FJ RK 15-283. 2Het geding in hoger beroep In de zaak met nummer 200.173.343/01 2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 juli 2015, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen. De moeder verzoekt het hof die beschikkingen te vernietigen en - het verzoek van de GI d.d. 10 april 2015 alsnog af te wijzen en de beschikking d.d. 10 april 2015 onrechtmatig, althans onjuist te achten; - het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing alsnog af te wijzen en de beschikking d.d. 29 april 2015 onrechtmatig en onjuist te achten. 2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 augustus 2015, heeft de GI het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden. 2.3 Ter griffie van het hof zijn binnengekomen: - een journaalbericht van 13 augustus 2015 van mr. Krol met bijlagen; - een brief van 29 september 2015 van de GI met bijlagen. In de zaak met nummer 200.173.623/01 2.4 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 juli 2015, is de (stief)vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen. De (stief)vader verzoekt het hof die beschikkingen te vernietigen en - het verzoek van de GI d.d. 10 april 2015 alsnog af te wijzen en de beschikking d.d. 10 april 2015 onrechtmatig, althans onjuist te achten; - het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing alsnog af te wijzen en de beschikking d.d. 29 april 2015 onrechtmatig en onjuist te achten. 2.5 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 24 augustus 2015, heeft de GI het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden. 2.6 Ter griffie van het hof is binnengekomen op 1 oktober 2015 een brief van 29 september 2015 van de GI met bijlagen. In de zaak met nummer 200.174.142/01 2.7 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 juli 2015, is de (stief)vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De (stief)vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad d.d. 20 mei 2015 alsnog af te wijzen en de ondertoezichtstelling per direct op te heffen, dan wel de ondertoezichtstelling in duur te bekorten en deze te verlengen voor de duur van zes maanden. 2.8 De raad heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend. 2.9 Ter griffie van het hof is binnengekomen een brief van 29 september 2015 van de GI met bijlagen. In de zaak met nummer 200.175.916/01 2.10 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 24 augustus 2015, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad d.d. 20 mei 2015 alsnog af te wijzen en de ondertoezichtstelling per direct op te heffen, dan wel de ondertoezichtstelling in duur te bekorten en deze te verlengen voor de duur van zes maanden. 2.11 De raad heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend. 2.12 Ter griffie van het hof is binnengekomen op 1 oktober 2015 een brief van 29 september 2015 van de GI met bijlagen. In de zaken met nummers 200.173.343/01, 200.173.623/01, 200.174.142/01 en 200.175.916/01 2.13 De mondelinge behandeling heeft op 16 oktober 2015 plaatsgevonden. De zaken zijn gevoegd en gezamenlijk behandeld. De moeder en de (stief)vader zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Krol respectievelijk mr. De Gruijl. Namens de GI zijn verschenen de heer [C] en mevrouw [D] . Namens de raad is de heer [E] verschenen. 3De vaststaande feiten 3.1 Uit de verbroken relatie van de moeder en de heer [F] is [in] 2006 [de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ) geboren. De heer [F] is niet in beeld als vader voor [de minderjarige1] . De moeder is met het gezag over [de minderjarige1] belast. 3.2 De moeder woont sinds 18 februari 2014 samen met de (stief)vader. Uit hun affectieve relatie zijn geboren: - [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ) [in] 2012 en - [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ) [in] 2014. De moeder is belast met het gezag over [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De (stief)vader heeft hen erkend. 3.3 Bij een tweetal beschikkingen van 2 april 2015 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] op verzoek van de raad voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 2 juli 2015. 3.4 Bij mondelinge verzoeken van 10 april 2015, gevolgd door een verzoekschrift ingekomen op 10 april 2015 bij de rechtbank Noord-Nederland, heeft de GI verzocht een machtiging te verlenen om [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden. 3.5 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikkingen van 10 april 2015 heeft de kinderrechter met ingang van die datum een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van vier weken en de beslissing voor het overige aangehouden. 3.6 Op 10 april 2015 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gezamenlijk en [de minderjarige3] apart geplaatst in een tweetal (crisis)pleeggezinnen. 3.7 Ter zitting van 17 april 2015 zijn de moeder, de (stief)vader (als informant) en de GI gehoord. 3.8 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikkingen van 29 april 2015 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot uiterlijk 2 juli 2015. 3.9 Op 15 mei 2015 zijn de moeder en de kinderen bij grootmoeder moederszijde gaan wonen in afwachting van een gezinsopname bij GGZ Drenthe locatie [B] . De (stief)vader is in de woning van het gezin gebleven en had (twee maal per week) omgang met de kinderen bij oma moederszijde thuis. De gezinsopname is op 21 september 2015 gestart. 3.10 Bij verzoekschriften, ingekomen bij de rechtbank Noord-Nederland, op 22 mei 2015, heeft de raad verzocht [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] voor de duur van één jaar onder toezicht te stellen van de GI. 3.11 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikkingen van 1 juli 2015 heeft de kinderrechter (voor zover hier van belang) [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] op verzoek van de raad met ingang van 2 juli 2015 onder toezicht gesteld van de GI tot 2 juli 2016. 4De motivering van de beslissing Machtiging (spoed) uithuisplaatsing 4.1 Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. 4.2 De moeder kan zich met (de verlenging van) de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in de periode van 10 april 2015 tot 2 juli 2015, ten uitvoer gelegd tot 15 mei 2015, niet verenigen. De (stief)vader kan zich met (de verlenging van) de uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] in de periode van 10 april 2015 tot 2 juli 2015, ten uitvoer gelegd tot 15 mei 2015, niet verenigen. 4.3 Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat, anders dan de moeder en de (stief)vader aanvoeren, de gronden voor uithuisplaatsing in de periode van 10 april 2015 tot (effectief) 15 mei 2015 aanwezig waren. Het hof is van oordeel dat bij het uitblijven van de door de kinderrechter op 10 en 29 april 2015 getroffen maatregelen van kinderbescherming de continuïteit van en de veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen niet waren gewaarborgd. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 4.4 De moeder heeft op 8 januari jl. contact gezocht met het wijkteam in verband met spanningen in de thuissituatie tussen haar en de (stief)vader. [de minderjarige3] was toen nog maar twee weken oud. De moeder gaf bij het wijkteam aan dat de (stief)vader absoluut niet wilde dat er hulpverlening in huis kwam en zij wilde daarom niet dat het wijkteam bij haar thuis kwam kijken. Om die reden is er wekelijks met de moeder in het gebouw van het wijkteam afgesproken. Vanuit de buurt was bij het wijkteam gemeld dat de moeder tijdens haar zwangerschap was gezien met een blauw oog welke de (stief)vader) zou hebben veroorzaakt. Ook waren er vanuit de buurt vermoedens van middelengebruik in de woning gemeld. De sociaal werker heeft herhaaldelijk aangeboden om in gesprek te gaan met de moeder en de (stief)vader. De moeder heeft dit echter afgehouden, waardoor er geen zicht op de thuissituatie bestond. Het wijkteam heeft vervolgens op 19 maart 2015 een zorgmelding gedaan bij [G] . Uit het daarop volgende onderzoek door [G] is gebleken dat [de minderjarige1] op 20 februari 2015 aan zijn leerkracht op school had verteld dat hij, [de minderjarige2] en de moeder werden geslagen door de (stief)vader. [de minderjarige1] had gezegd dat hij soms vergat zijn gordijnen dicht te doen en dat de (stief)vader hem om die reden sloeg. [de minderjarige1] had aangegeven dat de moeder tegen hem had gezegd dat de (stief)vader "ziek" was in zijn hoofd en dat hij daarom zo deed. [de minderjarige1] had verder aangegeven dat hij bang was voor de (stief)vader, dat hij agressief was en dat hij hem niet aardig vond. [de minderjarige1] had de leerkracht voorts verteld dat de moeder eens een blauw oog had na een ruzie met de (stief)vader, omdat zij een sleutel kwijt was. [de minderjarige1] had daarbij gezegd dat hij bang was dat de school de moeder zou bellen naar aanleiding van hetgeen hij had verteld. De leerkracht had [de minderjarige1] vervolgens het telefoonnummer gegeven van de politie voor het geval er iets zou gebeuren. [de minderjarige1] had daarop aangegeven dat hij dit nummer al uit zijn hoofd wist, maar dat hij dit nooit mocht bellen van de moeder. Vanuit de school kwam ook de informatie dat [de minderjarige1] eerder ontzettend in paniek was geraakt, nadat hij bij een gymles in de buitenlucht zijn sleuteltje was kwijtgeraakt. Volgens de betreffende leerkracht was dit geen gewone angst. [de minderjarige1] was heel erg in paniek en was moeilijk gerust te stellen door de leerkracht. Naar aanleiding van hetgeen [de minderjarige1] op school heeft verteld, hebben zijn leerkracht en de intern begeleider een tweetal gesprekken gevoerd met de moeder. De moeder vertelde in het eerste gesprek dat de (stief)vader absoluut geen bemoeienis wilde van het wijkteam, dat zij zich zo schuldig voelde dat [de minderjarige1] zo veel moest doen thuis en dat zij de (stief)vader niet alleen kon laten met de kinderen. Toen de leerkracht en de intern begeleider hier in het tweede gesprek met de moeder op terug wilden komen, krabbelde de moeder terug en gaf zij een andere draai aan haar eerdere verhaal. Die reactie en het feit dat tijdens de gesprekken niet of nauwelijks emotie van het gezicht van de moeder was af te lezen, alsof een en ander niet bij haar binnenkwam, vonden de leerkracht en de intern begeleider opvallend. Uit het onderzoek van [G] kwam verder naar voren dat de (stief)vader een IQ heeft van 58 en dat hij volgens de politie vuurwapengevaarlijk was. De (stief)vader kwam regelmatig voor in het politiesysteem wat betreft geweld/dreiging/overlast/verboden wapenbezit. Hij had ook in het recente verleden in detentie gezeten wegens dreig-, steek- en schietincidenten en was eerder veroordeeld wegens huiselijk geweld. Voorts bleken de moeder en (in ieder geval) [de minderjarige1] al jarenlang slachtoffer van huiselijk geweld tijdens verschillende relaties (van de moeder). Daarnaast bleek de moeder diabetes te hebben en bekend te zijn met depressieve klachten. 4.5 Op 31 maart 2015 hebben medewerkers van [G] een gesprek met de moeder en de (stief)vader gehad. De moeder was op dat moment dubbel in haar signalen; zij zei dat het allemaal wel meeviel, maar was wel uitgeput en gaf aan dat de kinderen niet naar haar luisterden en dat de (stief)vader ook net een kind was. De moeder vertelde dat de (stief)vader viermaal per dag hasj rookte. Zij wilde dit ook graag, want wanneer hij dit niet deed was hij onberekenbaar. Dan kon hij uit het niets agressief worden, aldus de moeder. In dit gesprek kwam verder naar voren dat de (stief)vader contact zou hebben met de [H] en de reclassering. Door interventie van [G] zijn de moeder en de kinderen diezelfde dag nog geplaatst op een voor de (stief)vader - op dat moment - onbekende opvangplaats. De (stief)vader was hier boos over. 4.6 De moeder en de kinderen zijn op 31 maart 2015 opgevangen in "Blijf van m'n lijf" van [I] (hierna: [I] ), afdeling crisis & observatie. Aangezien de moeder daar daags nadien al had aangegeven dat zij terug naar huis en naar de (stief)vader wilde, heeft een raadsonderzoeker de moeder en de kinderen die dag bezocht bij [I] . De moeder maakte op de raadsonderzoeker een oververmoeide en labiele indruk en [de minderjarige1] kwam wat ouwelijk over. De moeder was zeer ambivalent en tegenstrijdig over wat er wel en wat er niet in de thuissituatie gebeurde, aldus de raadsonderzoeker. De moeder zei zelf geen risico's te zien met betrekking tot de veiligheid van de kinderen. Naar aanleiding van de nadrukkelijke wens van de moeder om terug te keren naar huis/de (stief)vader is op 2 april 2015 de voorlopige ondertoezichtstelling gevraagd en verleend. De raad ging er op dat moment vanuit dat de moeder met behulp van de gezinsvoogd in de opvang zou blijven en slechts indien de gezinsvoogd dit veilig zou vinden terug zou keren naar huis. Daarom achtte de raad een uithuisplaatsing toen (nog) niet aan de orde. 4.7 Kort nadien zag de GI zich genoodzaakt de kinderrechter alsnog om een machtiging tot (spoed)uithuisplaatsing van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] te vragen. Tijdens een zorgoverleg op 10 april 2015 tussen de GI, twee begeleiders van [I] en de manager van [G] is, zo stelt de GI, naar voren gekomen dat [I] ernstige zorgen had over de opvoedingscapaciteiten van de moeder. De moeder was volgens [I] , zo verwoordt de GI, niet in staat de zorg op zich te nemen en aan de basale behoeftes van de (drie) kinderen tegemoet te komen. De moeder had 24 uur per dag zorg nodig, aldus [I] , hetgeen [I] niet kon bieden. Zij hield onvoldoende toezicht op de kinderen waardoor gevaarlijke situaties ontstonden, reageerde onvoldoende sensitief wanneer [de minderjarige3] lag te huilen en was onvoldoende emotioneel beschikbaar, doordat zij veel verdriet en onvrede voelde over de ontstane situatie en zich onheus bejegend voelde, aldus [I] volgens de GI. De GI stelt dat de situatie volgens [I] op 10 april 2015 niet meer verantwoord was en dat [I] daarom de plaatsing van de moeder en de kinderen per direct heeft beëindigd. 4.8 De moeder bestrijdt de door de GI verwoorde zorgen van [I] over haar opvoedingscapaciteiten die aan de beëindiging van de plaatsing ten grondslag zouden hebben gelegen. Zij heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat een medewerkster van [I] haar heeft verteld dat de plaatsing beëindigd moest worden, omdat er geen plek meer voor haar en de kinderen was. De moeder was, in tegenstelling tot de GI, niet aanwezig bij het aan de beëindiging van de plaatsing bij [I] voorafgaande zorgoverleg van 10 april 2015 en het hof heeft geen reden te twijfelen aan hetgeen de GI over de inhoud van dit overleg naar voren heeft gebracht. Bovendien komen naar het oordeel van het hof, ook los van de reden van de beëindiging van de plaatsing bij [I] , uit de stukken, waaronder in het bijzonder een (ongedateerde) rapportage van [I] over het verblijf van de moeder en de kinderen op de afdeling crisis & observatie, meerdere ernstige zorgelijke signalen over de opvoedingsvaardigheden van de moeder naar voren. Het hof heeft zeker oog voor de moeilijke en hectische situatie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.