GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.158.899/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 2667169 CV EXPL 14-154) arrest van de eerste kamer van 10 februari 2015 in het incident ex artikel 351 Rv in de zaak van [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, eiser in het incident in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. T.P. Boer, kantoorhoudend te Arnhem, tegen N.V. Noordhollandsche van 1816 Schadeverzekeringsmaatschappij, gevestigd te Oudkarspel, geïntimeerde, verweerster in het incident, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Noordhollandsche, advocaat: mr. J. van Rhijn, kantoorhoudend te Alkmaar. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 9 september 2014 van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, hierna: de kantonrechter. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep tevens inhoudende incidentele vordering tot schorsing uitvoerbaar bij voorraadverklaring ex artikel 351 Rv, - de memorie van antwoord in het incident ex artikel 351 Rv. 2.2 Vervolgens heeft Noordhollandsche de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellant] luidt: "DAT UW GERECHTSHOF BIJ ARREST IN INCIDENT: - bepaalt dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring, opgenomen in het dictum onder 5.4 van het vonnis van de Rechtbank Overijssel d.d. 9 september 2014, en daarmede de executie, onmiddellijk zal worden geschorst tot Uw Gerechtshof in de hoofdzaak in deze kwestie een (eind)arrest heeft gewezen; - NH 1816 te veroordelen in kosten van dit incident. - Na bepaling van een arrest in incident de zaak terug te verwijzen naar de rol voor het nemen van Memorie van Grieven in de 'hoofdzaak'". 3De feiten, het geschil en de beslissingen in eerste aanleg 3.1 Het gaat in deze zaak - samengevat - om het volgende. 3.2 Met ingang van 24 mei 2011 heeft [appellant] via zijn tussenpersoon een combiverzekering (autoverzekering, opstalverzekering, inboedelverzekering en een WA-verzekering) afgesloten bij Noordhollandsche. 3.3 Noordhollandsche heeft bij brief van 15 februari 2013 aan [appellant] meegedeeld dat zij tot de conclusie is gekomen dat sprake is van verzekeringsfraude door [appellant], waaraan door haar gevolgen worden verbonden. In deze brief heeft Noordhollandsche onder meer aan [appellant] bericht dat zij melding zal maken van zijn persoonsgegevens in het Centraal Informatiesysteem van in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen (CIS) voor een periode van 8 jaar. CIS bewaart verzekeringsgegevens voor verzekeringsmaatschappijen en gevolmachtigd agenten. 3.4 [appellant] heeft Noordhollandsche in kort geding gedagvaard en gevorderd dat Noordhollandsche zal overgaan tot verwijdering van de registratie van zijn persoonsgegevens uit het CIS-register. De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland heeft deze vordering bij vonnis van 1 augustus 2013 toegewezen. Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. 3.5 Noordhollandsche heeft ter voldoening aan voormeld vonnis van 1 augustus 2013 de registratie van de persoonsgegevens van [appellant] uit het CIS-register verwijderd. 3.6 Noordhollandsche heeft vervolgens de onderhavige bodemzaak aanhangig gemaakt. 3.7 De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 9 september 2014 de vorderingen van Noordhollandsche toegewezen en voor recht verklaard dat de CIS-registratie van Noordhollandsche, zoals gemotiveerd bij voormelde brief van 15 februari 2013, rechtmatig was alsmede dat het Noordhollandsche vrijstaat om die CIS-registratie weer te laten plaatsvinden. Daarnaast is [appellant] veroordeeld om een bedrag van € 11.899,45 (opgebouwd uit onderzoekskosten en een aan [appellant] gedane verzekeringsuitkering), te vermeerderen met wettelijke rente, aan Noordhollandsche (terug) te betalen. 4De beoordeling in het incident 4.1 [appellant] heeft gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis wordt geschorst. [appellant] heeft zich erop beroepen dat het bestreden vonnis meerdere juridische misslagen bevat die hem aanzienlijk in zijn processuele en juridische positie hebben geschaad in de procedure in eerste aanleg. Volgens hem heeft de kantonrechter een cruciaal juridisch aspect miskend door te overwegen dat de rechter zich niets hoeft aan te trekken van een voorlopige voorziening, wat schorsing van de uitvoerbaarheid rechtvaardigt. Verder is hem geen ruimte gegeven zijn standpunt en persoonlijk relaas tijdens een comparitie toe te lichten. Dat was volgens [appellant] wel nodig geweest, omdat deze zaak in de visie van [appellant] complexe aangelegenheden betreft die nadere inlichtingen behoeven en waar de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland tot een geheel ander oordeel is gekomen op basis van dezelfde feiten en omstandigheden. [appellant] heeft verzocht om zijn stellingen ter comparitie nader toe te lichten welk bewijsaanbod zonder enige motivering is gepasseerd. De keuze om hier geen comparitie na antwoord, waar [appellant] om heeft verzocht, te gelasten is volgens hem in het licht van deze procedure een juridische misslag. Door Noordhollandsche toe te staan te reageren op zijn conclusie van dupliek en vervolgens hem niet de mogelijkheid te geven op die reactie opnieuw te reageren heeft het hem aan het recht van hoor en wederhoor ontbroken. [appellant] is geschaad in zijn verdediging tegen forse vorderingen die met deze veroordeling een enorm effect sorteren op zijn dagelijkse leven in al zijn aspecten, aldus nog steeds [appellant]. 4.2 Noordhollandsche heeft verzocht de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis af te wijzen, met veroordeling van [appellant] uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van het incident. Partijen hebben volgens haar over en weer zonder beperking de gelegenheid gehad hun standpunt in twee termijnen uiteen te zetten, wat zij over en weer ook hebben gedaan. [appellant] heeft onvoldoende gesteld dat er sprake is van juridische misslagen, en heeft bovendien niet gesteld dat deze misslagen klaarblijkelijk zijn, aldus Noordhollandsche. 4.3 Het hof overweegt allereerst dat het bestreden vonnis een verklaring voor recht bevat dat de CIS-registratie rechtmatig was en een verklaring voor recht dat het Noordhollandsche vrijstaat om die CIS-registratie weer te laten plaatsvinden. Nu deze verklaringen voor recht naar hun aard niet voor executie vatbaar zijn, zijn deze ten onrechte uitvoerbaar bij voorraad verklaard (vergelijk Hoge Raad 11 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5360). Omdat executie van de verklaringen van recht niet mogelijk is heeft [appellant] in zoverre geen belang bij zijn incidentele vordering tot schorsing van de executie van het bestreden vonnis. 4.4 Wat betreft de gevorderde schorsing van de executie van de eveneens in het bestreden vonnis vervatte veroordeling tot betaling aan Noordhollandsche van voormeld bedrag van € 11.889,45 met rente, overweegt het hof als volgt. 4.5 Bij de beantwoording van de vraag of er voldoende grond bestaat voor schorsing van deze veroordeling in het bestreden vonnis op de voet van artikel 351 Rv stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC5012 voorop dat bij de beoordeling van dergelijke incidentele vorderingen geldt: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.