GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.165.061/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/104136/HA ZA 14-77) arrest van 15 december 2015 in de zaak van 1 [appellant 1] en 2. [appellant 2] , beiden wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , appellanten, in eerste aanleg: eisers, hierna gezamenlijk [appellanten] te noemen en afzonderlijk [appellant 1] respectievelijk [appellant 2], advocaat: mr. M.R. Gans, kantoorhoudend te Groningen, die ook heeft gepleit, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , geïntimeerde, in eerste aanleg:gedaagde, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. J. Doornbos, kantoorhoudend te Groningen, die ook heeft gepleit. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 14 januari 2015 van de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling privaatrecht, Locatie Assen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 februari 2015, - de memorie van grieven (met producties), - de memorie van antwoord, - het op 5 november 2015 gehouden pleidooi waarbij alleen door [appellanten] pleitnotities zijn overgelegd. Het hof heeft bij die gelegenheid aan mr. Gans akte verleend van het bij H-formulier van 19 oktober 2015 in het geding brengen van producties O, P en Q. 2.2 Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering in hoger beroep van [appellanten] luidt: “bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis d.d. 14 januari 2015 onder zaaknummer/rolnummer C/19/104136/HA ZA 14-77 door de Rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Assen, tussen appellanten als eisers in prima en geïntimeerde als gedaagde in prima gewezen, te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, de vordering van appellanten als eisers in eerste aanleg, integraal toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.” 2.3 De conclusie van de memorie van antwoord luidt: “bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder verbetering of aanvulling van de gronden van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen d.d. 14 januari 2015 (zaak/rolnummer C/19/104136 HA ZA 14-77), het hoger beroep zijdens [appellanten] tegen dit vonnis ongegrond te verklaren, met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten van beide instanties, nakosten daaronder begrepen.” 3De feiten 3.1 De volgende feiten zijn tussen partijen niet in geschil. 3.2 [appellant 2] exploiteert in [woonplaats] een onderneming, genaamd [naam onderneming] . De onderneming houdt zich bezig met het restaureren van klassieke auto’s en motorfietsen. De werkzaamheden worden verricht vanuit een bedrijfspand dat is gelegen op een industrieterrein in [woonplaats] . 3.3 [geïntimeerde] is indirect (via [bedrijf geintimeerde] ) directeur en (enig) aandeelhouder van [bedrijf 2 geintimeerde] , later genaamd ‘ [bedrijf 2 geintimeerde] ’ (hierna: [bedrijf 2 geintimeerde] ). [bedrijf 2 geintimeerde] exploiteerde een installatiebedrijf dat zich bezig hield met de ‘installatie van verlichting, telecom en alarm in gebouwen, loodgieters-en fitterswerk, installatie van sanitair, dakdekken en bouwen van dakconstructies.’ 3.4 [appellant 2] heeft in de loop van de tijd het plan opgevat om een bouwterrein aan te kopen en daarop een nieuw bedrijfspand te laten bouwen. [appellant 2] is met [bedrijf 2 geintimeerde] in onderhandeling getreden over het sluiten van een overeenkomst van aanneming van werk met betrekking tot de bouw van het bedrijfspand voor [appellant 2] 3.5 Omdat [appellant 2] de financiering niet kon rond krijgen is in 2008 tussen [appellant 1] (als opdrachtgever) en [bedrijf 2 geintimeerde] (als opdrachtnemer) een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen, waarbij [bedrijf 2 geintimeerde] zich heeft verbonden een bedrijfspand voor het project [naam onderneming] te bouwen voor een door [appellant 1] te betalen aanneemsom van € 574.820,96 inclusief btw. [appellant 1] liet het pand bouwen ten behoeve van zijn zoon [appellant 2] , die het pand vervolgens van zijn vader zou gaan huren. Bij de stukken bevindt zich een prijsopgaaf van [bedrijf 2 geintimeerde] , gedateerd 22 juli 2008, houdende een ‘vrijblijvende prijsopgave voor het verrichten van diverse werkzaamheden overeenkomstig onderstaande specificatie’. Deze prijsopgave is door [appellant 1] ‘voor akkoord’ getekend. Voorts bevindt zich bij de stukken een niet ‘voor akkoord opdrachtgever’ getekende ‘aanvullende prijsopgave’ van [bedrijf 2 geintimeerde] aan [appellant 1] d.d. 15 januari 2009, ter zake van ‘het verrichten van diverse werkzaamheden overeenkomstig onderstaande specificatie’, te weten ‘Binnenwanden begane grond’ (€ 29.750,- inclusief btw) en ‘Binnenwanden verdieping’ (€ 29.000,- inclusief btw). 3.6 [bedrijf 2 geintimeerde] heeft de bouwwerkzaamheden in onder-aanneming laten verrichten door [bouw onderneming] . Kort na het sluiten van de aannemingsovereenkomst is met de bouwwerkzaamheden begonnen. 3.7 Tussen [appellant 1] en [bedrijf 2 geintimeerde] is een geschil ontstaan over met name gebreken aan de vloer van het bedrijfspand en de betaling door [appellant 1] voor de werkzaamheden. 3.8 Vervolgens heeft [bedrijf 2 geintimeerde] [appellant 1] gedagvaard tot (onder meer) betaling. [bedrijf 2 geintimeerde] heeft daarop negen tegenvorderingen ingesteld, onder meer ertoe strekkende dat voor recht wordt verklaard dat [bedrijf 2 geintimeerde] jegens [appellant 1] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en dat zij de dientengevolge ontstane schade aan [appellant 1] dient te vergoeden. Bij tussenvonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 3 april 2013 heeft de rechtbank, voor zover van belang, geoordeeld dat de conventionele vorderingen van [bedrijf 2 geintimeerde] zullen worden afgewezen met haar veroordeling in de proceskosten. Wat betreft de reconventionele vorderingen van [appellant 1] heeft de rechtbank, voor zover van belang, onder meer het volgende overwogen: ‘6.14. (...) Voor zover [appellanten] heeft gesteld dat [bedrijf 2 geintimeerde] de afgesproken datum voor oplevering van de bouw heeft overschreden heeft [bedrijf 2 geintimeerde] deze stelling ter zitting betwist. Volgens [bedrijf 2 geintimeerde] was er geen fatale termijn van 30 april of 1 mei 2009 afgesproken maar is hooguit sprake geweest van richtdata dan wel een planning. De rechtbank stelt dienaangaande vast dat in door partijen getekende overeenkomst geen uiterste opleverdatum overeen is gekomen. [appellanten] verwijst voor zijn stelling dan ook naar de bijlage bij het verslag van de tweede bouwvergadering d.d. 16 januari 2009 en het verslag van de vierde bouwvergadering van 23 maart 2009. Ten aanzien daarvan is de rechtbank met [bedrijf 2 geintimeerde] van oordeel dat uit de door [appellanten] genoemde bijlagen/verslagen niet kan worden afgeleid dat partijen hebben beoogd een ‘harde’ en, voor [bedrijf 2 geintimeerde] fatale, opleverdatum overeen te komen. In genoemde stukken wordt in beide gevallen het woord ‘planning’ (o.a. tot oplevering omstreeks 30 april 2009) gebruikt. Hooguit kan hieruit een inspanningsverbintenis maar geen resultaatsverbintenis worden afgeleid. Desalniettemin kan naar het oordeel van de rechtbank wel worden geconcludeerd dat [bedrijf 2 geintimeerde] inmiddels te kort is geschoten in de nakoming van ook deze inspanningsverbintenis, dan wel van haar verbintenis uit hoofde van de aannemingsovereenkomst in algemene zin, nu niet in geschil is dat [bedrijf 2 geintimeerde] al haar werkzaamheden voor [appellanten] heeft gestaakt waardoor het gebouw thans nog steeds niet gereed is. [bedrijf 2 geintimeerde] heeft de bouwwerkzaamheden pas willen voortzetten als door [appellanten] zou worden betaald, dan wel door hem bankgaranties zouden worden verstrekt. Dat [bedrijf 2 geintimeerde] niet in haar recht stond bij het stellen van deze voorwaarden heeft de rechtbank reeds in conventie overwogen. [bedrijf 2 geintimeerde] heeft zich derhalve niet kunnen beroepen op artikel 6:52 BW. Reeds om deze reden is [bedrijf 2 geintimeerde] – toerekenbaar – te kort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. 6.15 Voor zover [appellanten] heeft gesteld dat [bedrijf 2 geintimeerde] tevens te kort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen doordat zij een ondeugdelijke betonvloer heeft aangebracht (doen aanbrengen) overweegt de rechtbank als volgt. Uit de stellingen van [bedrijf 2 geintimeerde] maakt de rechtbank op dat zij de uitkomsten van het rapport door BEJAN accepteert, en dat zij bereid is de vloer voor eigen rekening te herstellen. Om die reden heeft [bedrijf 2 geintimeerde] de kosten van herstel van de vloer ook in mindering gebracht op hetgeen [appellanten] tot dusver verschuldigd is voor de reeds door [bedrijf 2 geintimeerde] verrichte werkzaamheden. Echter is [bedrijf 2 geintimeerde] evengoed in verzuim omdat zij ondanks sommatie daartoe heeft geweigerd de bouwwerkzaamheden – waaronder het aanbrengen van een deugdelijke vloer – zonder (garantie)voorwaarden vooraf voort te zetten, waardoor voltooiing van de bouw onaanvaardbare, en aan [bedrijf 2 geintimeerde] toerekenbare, vertraging heeft opgelopen als hierboven reeds is overwogen. 6.16 Uit het vorenstaande volgt dat aan het bepaalde in artikel 6:74 BW (verplichting tot schadevergoeding in geval van tekortkoming) is voldaan, waarmee het onder I. gevorderde voor toewijzing gereed ligt. (...) 6.21 Ten aanzien van het door [appellanten] sub IV gevorderde overweegt de rechtbank als volgt. (...) Ten aanzien van het overige van het gevorderde bedrag stelt de rechtbank vast dat het daarbij gaat om de kosten die [appellanten] stelt te moeten maken om het pand door derden (...) te laten voltooien (samen € 268.646,78). [bedrijf 2 geintimeerde] heeft zich bij voortduring op het standpunt gesteld de bouw van het pand conform de overeenkomst te willen voltooien, alleen niet zonder bankgarantie voor achterstallige en toekomstige betalingen. Zoals in conventie is overwogen heeft [bedrijf 2 geintimeerde] deze voorwaarde ten onrechte gesteld omdat er geen achterstallige betaling was en bankgaranties voor toekomstige betalingen tussen partijen niet waren overeengekomen. De rechtbank wil echter op voorhand niet uitsluiten dat [bedrijf 2 geintimeerde] thans ook zonder genoemde garanties, en ondanks haar verklaring als eerder besproken in rechtsoverweging 6.1, bereid zal zijn de overeengekomen werkzaamheden deugdelijk te voltooien. Eerst indien zij hier (definitief) niet toe wenst over te gaan zal de rechtbank [bedrijf 2 geintimeerde] in dit opzicht in verzuim achten, en dient [bedrijf 2 geintimeerde] de hieruit voor [appellanten] voortvloeiende schade aan hem te vergoeden. Over de omvang hiervan zal de rechtbank zich thans nog niet uitlaten. Eerst zal zij de zaak naar de rol verwijzen teneinde [bedrijf 2 geintimeerde] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten omtrent de vraag of zij bereid is zelf de overeengekomen werkzaamheden conform de overeenkomst verder naar behoren te voltooien. 6.22 Met betrekking tot de vordering sub V. overweegt de rechtbank als volgt. [bedrijf 2 geintimeerde] heeft de vordering betwist. Meer in het bijzonder heeft zij betwist dat [appellanten] geen huurinkomsten zou (hebben) ontvangen omdat de huurder/zoon van [appellanten] het pand feitelijk al lang in gebruik heeft genomen. De rechtbank overweegt dienaangaande dat naar haar oordeel gederfde huur in beginsel als schadepost in aanmerking komt voor zover daarvan feitelijk sprake is en de huurderving valt toe te schrijven aan het tekortschieten door [bedrijf 2 geintimeerde] , (artikel 6:98 BW). (...) De rechtbank acht het aangewezen de zaak hiervoor – overeenkomstig de vordering van [appellanten] – naar de schadestaatprocedure te verwijzen. De rechtbank acht het tevens aangewezen dat alsdan tevens zal worden geoordeeld over de overige door [appellanten] gevorderde schadeposten (de advieskosten en rente over de gederfde huur) zodat de rechtbank hierover in het kader van deze procedure geen nadere uitspraken zal doen. (...)” 3.9 Parallel aan de hiervoor genoemde procedure tussen [bedrijf 2 geintimeerde] en [appellant 1] , was een procedure aanhangig tussen onderaannemer [bouw onderneming] . en [bedrijf 2 geintimeerde] . Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 24 april 2013 is daarbij de vordering in conventie van [bouw onderneming] . strekkende tot betaling van, in hoofdsom, € 45.372,45 toegewezen en is de reconventionele vordering van [bedrijf 2 geintimeerde] tot betaling van – onder meer – al hetgeen ‘zijdens [appellanten] van [bedrijf 2 geintimeerde] is gevorderd’ afgewezen. 3.10 Op 2 oktober 2013 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden in het geschil tussen [bedrijf 2 geintimeerde] en [appellant 1] , bij gelegenheid waarvan partijen ‘ter mogelijke oplossing van het geschil’ afspraken hebben gemaakt. Die afspraken zijn neergelegd in het proces-verbaal van comparitie dat als productie a. bij de inleidende dagvaarding is overgelegd. 3.11 [bedrijf 2 geintimeerde] is op 12 november 2012 op eigen verzoek failliet verklaard, met aanstelling van [curator] tot curator. De curator heeft de hiervoor onder 3.8 genoemde procedure niet overgenomen. Het vierde faillissementsverslag vermeldt onder meer dat [bedrijf 2 geintimeerde] in 2011 een winst genoot van € 3.097,- en in 2012 een verlies leed van € 398.334,-. Het balanstotaal bedroeg ultimo 2012 € 864.639,-. Verder schrijft de curator in zijn vierde verslag onder meer het volgende: ‘1.1 Directie en organisatie (...) [bedrijf 2 geintimeerde] is gevestigd aan de [adres] . Op de locatie zijn meerdere (groeps-)vennootschappen actief: [vennootschap] , [vennootschap] , [groepsvennootschap] en [bedrijf 2 geintimeerde] . In maart 2013 heeft een ‘splitsing’ van de gefailleerde vennootschap plaatsgevonden. Juridisch is sprake van activa en passiva transacties. De service-en onderhoudswerkzaamheden van de gefailleerde onderneming zijn overgebracht in de groepsvennootschap [groepsvennootschap] . Deze vennootschap is niet gefailleerd. Daarnaast zijn de volgende onderdelen overgebracht in andere groepsvennootschappen: Internethandel; Telefoonnummer; Domeinnaam; Website Tevens zijn diverse materiële activa overgedragen/verkocht aan groepsvennootschappen. Zie hiervoor onder 3.12. 3.12 Beschrijving (...) Een groot deel van de materiële activa bestaande uit inventaris, paletstellingen, vorkheftruck, gereedschappen etc. is eind 2012/begin 2013 verkocht en overgedragen aan diverse groepsvennootschappen. Failliet heeft in maart 2013 palletstellingen en een entresolvloer voor een bedrag van € 27.950,- verkocht aan [bedrijf geintimeerde] en de koopprijs verrekend met een vordering die zij had op de failliet uit hoofde van een geldlening. De curator acht de transactie paulianeus en heeft de transactie strekkende tot verkoop van de palletstellingen vernietigd. De palletstellingen zijn verkocht via een veiling (zie 3.5). De huidige executiewaarde van de entresolvloer is getaxeerd op € 600,- tot € 800,-. De curator acht verkoop van de entresolvloer vanwege de geringe te verwachten opbrengst niet opportuun. Op 9 november 2012 heeft een transactie plaatsgevonden waarbij een deel van de activa, waaronder een hoogwerker en een heftruck tegen boekwaarde zijn verkocht aan de groepsvennootschap [vennootschap] . Daarnaast is een belang in het aandelenkapitaal van ‘Energiewacht’ overgedragen aan [groepsvennootschap] in het kader van de overdracht van de service en onderhoudswerkzaamheden. (...) Werkzaamheden Ten aanzien van diverse voornoemde punten is tot een “all-in” regeling gekomen met de bestuurders/betrokken derden. Zie hieronder onder 7. (...) 7. Rechtmatigheid (...) Werkzaamheden De betrokken bestuurder/gelieerde vennootschappen zijn aangeschreven terzake van door de curator gepretendeerde vorderingen welke ondermeer zien op enige aspecten als genoemd onder 3 en een eventueel pandrecht van de Rabobank. Bestuurder en gelieerde vennootschappen hebben de stellingen van de boedel uit dien hoofde gemotiveerd betwist. Ter voorkoming van verdere discussie/procedures is een regeling getroffen inhoudende een betaling van € 30.000,-. Deze regeling behelst beslist geen erkenning door betrokken bestuurder/gelieerde vennootschappen van de door de curator ingenomen stellingen. (...)’ 4De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg 4.1 [appellanten] hebben in eerste aanleg gevorderd, zakelijk weergegeven: a. voor recht te verklaren dat de handelwijze van [geïntimeerde] als onrechtmatig jegens hen wordt gekwalificeerd; b. dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat; c. dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot op de schade, aan [appellant 1] een bedrag van € 400.000,- en aan [appellant 2] een bedrag van € 200.000,-; d. dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten. 4.2 Daaraan hebben [appellanten] zakelijk weergegeven het volgende ten grondslag gelegd. [bedrijf 2 geintimeerde] is toerekenbaar tekort geschoten jegens [appellant 1] in de correcte nakoming van de aannemingsovereenkomst, en heeft daarmee, gelet op het bij [bedrijf 2 geintimeerde] bekende belang van [appellant 2] bij de correcte nakoming van die aannemingsovereenkomst tevens onrechtmatig gehandeld jegens [appellant 2] [geïntimeerde] is als (indirect) bestuurder en feitelijk beleidsbepaler van [bedrijf 2 geintimeerde] persoonlijk aansprakelijk voor de schade die [appellanten] lijden als gevolg van de ‘zeer ernstige’ fouten die zijn gemaakt in de uitvoering van de aannemingsovereenkomst door [bedrijf 2 geintimeerde] . [geïntimeerde] had het ‘al die jaren’ in zijn macht om ervoor zorg te dragen dat [bedrijf 2 geintimeerde] haar contractuele verplichtingen jegens [appellant 1] en ‘daarmee ook jegens [appellant 2] ’ zou nakomen. Het is de weigerachtige houding van [geïntimeerde] geweest die debet is aan de ontstane problemen. Met het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 3 april 2013 is vast komen te staan dat sprake is van ‘ernstige tekortkomingen zijdens [bedrijf 2 geintimeerde] ’ terwijl [appellant 1] geen enkel bedrag meer was verschuldigd. Ten onrechte heeft [geïntimeerde] er dan ook voor zorggedragen dat [bedrijf 2 geintimeerde] op basis van dit ‘non-argument’ de werkzaamheden heeft gestaakt. Ook jegens [appellant 2] is onrechtmatig gehandeld door [geïntimeerde] omdat hij op de hoogte was van het directe belang van [appellant 2] bij correcte nakoming van de aannemingsovereenkomst. 4.3 Het handelen van [geïntimeerde] is volgens [appellanten] temeer onrechtmatig omdat hij tijdens de comparitie van partijen van 2 oktober 2013 (opnieuw) verplichtingen namens [bedrijf 2 geintimeerde] is aangegaan terwijl hij op dat moment wist, althans redelijkerwijs kon en moest weten, dat [bedrijf 2 geintimeerde] deze verplichtingen niet zou (kunnen) nakomen. Het in die situatie aangaan van verplichtingen, met de wetenschap dat niet nagekomen kan/zal worden. 4.4 Als gevolg van dit onrechtmatig handelen hebben [appellanten] schade geleden, te weten kosten van herstel (circa € 270.000,-) en gederfde huur (begroot tot 1 mei 2014 circa € 240.000,-). Ten slotte is sprake van schade omdat [appellant 1] ter zake van werkzaamheden bijna € 58.000,- teveel heeft betaald, en heeft hij kosten moeten maken in het kader van de gevoerde procedure tegen [bedrijf 2 geintimeerde] . Ook [appellant 2] heeft schade geleden, onder meer omdat hij een bedrag van € 250.000,- heeft geïnvesteerd in een bouwproject waartegenover geen revenuen staan in de vorm van rente. De schade begroot hij op circa € 50.000,-. Voorts is sprake van schade als gevolg van het niet tijdig in gebruik kunnen nemen van de nieuwbouw, voorshands begroot op € 200.000,-. 4.5 De rechtbank heeft geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat [appellanten] een vordering op [bedrijf 2 geintimeerde] hebben waarmee de grondslag aan de aansprakelijkstelling van [geïntimeerde] is komen te ontvallen. Dat oordeel heeft de rechtbank daarop gegrond dat niet kan worden aangenomen dat de door [appellanten] gestelde vordering op [bedrijf 2 geintimeerde] bestaat, nu de procedure daarover is geschorst in verband met het faillissement van [bedrijf 2 geintimeerde] . Daarnaast bevat het dictum van het tussenvonnis van 3 april 2013, aldus de rechtbank, ‘geen beslissing ter zake enig punt van geschil, zodat ook niet gezegd kan worden dat een vordering kan worden aangenomen op basis van een beslissing die in deze procedure reeds in kracht van gewijsde is gegaan en gezag van gewijsde heeft gekregen (artikel 236 Rv)’. 5De beoordeling van het hoger beroep 5.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of de (indirect) bestuurder van [bedrijf 2 geintimeerde] , [geïntimeerde] , persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die [appellanten] stellen te hebben geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van [bedrijf 2 geintimeerde] in de correcte nakoming van de in 2008 met [appellant 1] gesloten aannemingsovereenkomst met betrekking tot de bouw van een bedrijfspand voor het project ' [naam onderneming] '. 5.2 Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K. In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest van de Hoge Raad d.d. 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006: AZ0758, NJ 2006, 659, Ontvanger/Roelofsen) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.