GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.170.612/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/140810 / KG ZA 15-81) arrest van 16 februari 2016 in het incident in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, tevens eiser in het incident, in eerste aanleg: gedaagde, hierna te noemen: [appellant], advocaat: mr. S.A. Roodhof, kantoorhoudend te Grou, tegen De Jeger Installatiewacht B.V., gevestigd te Heerenveen, geïntimeerde, verweerster in het incident, in eerste aanleg: eiseres, hierna te noemen: DJI, advocaat: mr. D.R. [X] , kantoorhoudend te Arnhem. 1Het geding in eerste instantie 1.1 In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis van 13 mei 2015 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de voorzieningenrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 mei 2015 (met grieven), - de incidentele conclusie/memorie strekkende tot schorsing uitvoerbaarheid dan wel verbod/schorsing executie dan wel schorsing bedingen (met producties) - de antwoordconclusie in incident (met producties). 2.2 De conclusie van de appeldagvaarding strekt tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van DJI, met veroordeling van DJI in de kosten van beide procedures, uitvoerbaar bij voorraad. 2.3 In het incident vordert [appellant] bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: "A. De bij vonnis van 13 mei 2015 uitgesproken uitvoerbaarheid bij voorraad (op alle onderdelen, dan wel op de toepasselijk geachte onderdelen) te schorsen, dan wel executie van dit tussen partijen gewezen vonnis ten laste van [appellant] te verbieden tot dat in de tussen partijen te voeren bodemprocedure een eindvonnis zal zijn gewezen dan wel (subsidiair) te schorsen voor de duur van de procedure in hoger beroep, dan wel voor een zodanige periode als juist en redelijk wordt geacht. subsidiair: B. De in de beëindigingsovereenkomst van 26 januari 2015 opgenomen dan wel (beweerdelijk) toepasselijke bedingen, respectievelijk aan te duiden als "geheimhoudingsbeding", "relatiebeding" en "concurrentiebeding" nietig te verklaren, dan wel te schorsen voor de duur van de tussen partijen te voeren bodemprocedure, dan wel voor een zodanige duur als juist en redelijk wordt geacht. Meer subsidiair: C. De Jeger Installatiewacht BV te verbieden zich jegens [appellant] te beroepen op de in de beëindigingsovereenkomst van 26 januari 2015 opgenomen dan wel (beweerdelijk) toepasselijke bedingen, respectievelijk aan te duiden als "geheimhoudingsbeding", "relatiebeding" en "concurrentiebeding", tot dat in de de tussen partijen te voeren bodemprocedure een einduitspraak zal zijn gedaan, dan wel voor de duur van de procedure in appel ten aanzien van het vonnis van 13 mei 2015, dan wel voor een zodanige duur als juist en redelijk wordt geacht, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per dag (een dagdeel daaronder begrepen), althans op straffe van verbeurte van een zodanige dwangsom als juist en redelijk wordt geacht." 2.4 Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd in het incident en daartoe de stukken overgelegd. Het hof zal geen acht slaan op de door DJI bij antwoordconclusie in het incident overgelegde producties, aangezien [appellant] daarop niet meer heeft kunnen reageren. 3De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg 3.1 Het gaat in deze zaak - voor zover relevant voor de beoordeling in het incident - in het kort over het volgende. 3.2 DJI exploiteert een onderneming op het gebied van brandveiligheid. 3.3 [appellant] was via zijn persoonlijke holding ( [appellant] Holding B.V.) bestuurder en aandeelhouder van DJI. Bij overeenkomst van 12 april 2014 hebben [appellant] Holding B.V. en de twee andere aandeelhouders van DJI alle aandelen in DJI overgedragen aan SK Firesafety Group B.V. (hierna: SK Firesafety). 3.4 Gelijktijdig met de overdracht van de aandelen is overeengekomen dat [appellant] Holding ontslag neemt als statutair bestuurder van DJI. Voorts hebben partijen op 12 april 2014 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten op grond waarvan [appellant] per die datum in dienst trad bij DJI in de functie van vestigingsmanager in Heerenveen. 3.5 In de arbeidsovereenkomst van 12 april 2014 zijn een geheimhoudingsbeding, een relatie-/concurrentiebeding en een aan voormelde bedingen gekoppeld boetebeding opgenomen, zoals geciteerd in het bestreden vonnis onder 2.3. Het geheimhoudingsbeding houdt onder meer in dat het [appellant] verboden is om bescheiden van DJI in zijn particulier bezit te houden en hiervan inzage aan derden te verstrekken. Het relatie-/concurrentiebeding komt er kort gezegd op neer dat het [appellant] niet is toegestaan om tijdens het dienstverband en gedurende één jaar na beëindiging daarvan contacten te onderhouden met de zakelijke relaties van DJI, direct of indirect concurrerende werkzaamheden te verrichten dan wel in dienst te treden bij een concurrent van DJI. Het boetebeding stelt (samengevat) op overtreding van het geheimhoudingsbeding dan wel het relatie-/concurrentiebeding een direct opeisbare boete van € 5.000,- per overtreding vermeerderd met € 1.000,- per dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van DJI op volledige schadevergoeding. 3.6 Tijdens zijn dienstverband heeft [appellant] meermaals facturen van DJI gewijzigd door zijn eigen (privé) rekeningnummer op die facturen te vermelden. Op de gewijzigde facturen staat voorts een btw-nummer dat niet van DJI is. [appellant] heeft de desbetreffende facturen aan klanten van DJI gestuurd. De wijzigingen van de facturen zijn door [appellant] niet doorgevoerd in het boekhoudsysteem van DJI. Ten minste twee klanten van DJI (Zorgboerderij It Fallaet en Geteha Beheer) hebben vervolgens betalingen gedaan op het rekeningnummer van [appellant] . 3.7 Op 17 december 2014 heeft [appellant] prijslijsten van (bijna) alle diensten en producten van DJI naar zijn persoonlijke e-mailadres verzonden. Op 18 december 2014 heeft [appellant] de domeinnaam www.wi-safety.nl geregistreerd. 3.8 Op 26 januari 2015 hebben partijen een overeenkomst gesloten op grond waarvan de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst is geëindigd op 1 maart 2015. In deze overeenkomst, zoals geciteerd in het bestreden vonnis onder 2.8, is onder meer bepaald dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen en dat verplichtingen die naar hun aard bedoeld zijn om na beëindiging van de arbeidsovereenkomst te blijven gelden, "zoals het relatie- en geheimhoudingsbeding", onverminderd blijven gelden. 3.9 Bij brief van 12 februari 2015 heeft SK Firesafety aan [appellant] bericht (onder meer) dat is gebleken dat [appellant] de in rechtsoverweging 3.6 bedoelde facturen heeft verzonden aan klanten van DJI. [appellant] wordt gesommeerd te stoppen met deze activiteiten, een volledig overzicht te verstrekken van de gelden die hij aldus heeft geïncasseerd en die gelden over te maken aan DJI. [appellant] heeft aan deze sommatie niet voldaan. 3.10 Per e-mail van 5 maart 2015 heeft [appellant] aan het bedrijf KBS + BTS onder meer laten weten: "(...) Heb het bedrijf in januari verlaten en start nu per 1 april mijn eigen bedrijf weer op. Het contract voor de palludara scholen ligt nog bij [appellant] dus daar is niks aan te veranderen, maar misschien kunnen we eens koffie drinken om te kijken of we samen andere projecten kunnen oppakken. Graag verneem ik jou reactie. Mocht je in de tussentijd aanbestedingen hebben doe ik daar graag aan mee. (...)" 3.11 Op 12 maart 2015 heeft mr. [X] namens DJI aangifte gedaan tegen [appellant] wegens oplichting. 3.12 DJI heeft in eerste aanleg gevorderd (samengevat) dat [appellant] wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot op schadevergoeding en verbeurde boetes, tot nakoming van het geheimhoudingsbeding en het relatie-/concurrentiebeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst op straffe van verbeurte van een dwangsom, tot medewerking aan een onderzoek door een (forensisch) accountant, tot het overleggen van een complete weergave van alle inkomsten in het jaar 2014 op bankrekeningen die op zijn naam staan en het overleggen van alle bij hem nog in bezit zijnde valse facturen, met nevenvorderingen. 3.13 In het vonnis waarvan beroep heeft de voorzieningenrechter [appellant] bij uitvoerbaar verklaard vonnis veroordeeld tot betaling aan DJI van € 9.485,16 ten titel van voorschot op de schadevergoeding, tot betaling van € 47.000,- aan DJI ten titel van voorschot op reeds verbeurde boetes en tot verstrekking aan DJI van de bankafschriften van zijn privé-rekening over de periode van 12 april 2014 tot 1 maart 2015 op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 10.000,-. Tevens is [appellant] verwezen in de proceskosten van DJI. 3.14 Op 18 mei 2015 heeft [appellant] aan DJI bij exploot een brief "vernietiging rechtshandelingen / aanzeggen rechtsgevolg" doen betekenen. In deze brief is aangegeven dat [appellant] de overeenkomst van 26 januari 2015 niet (dan wel niet op dezelfde voorwaarden) zou zijn aangegaan, indien het voor hem duidelijk zou zijn geweest dat DJI zich ook na het sluiten van bedoelde overeenkomst zich jegens hem zou willen en/of kunnen beroepen op de in de arbeidsovereenkomst van 12 april 2014 opgenomen bedingen. [appellant] vernietigt daarom de artikelen 9 en 10 van de arbeidsovereenkomst van 12 april 2014 en art. 5 van de overeenkomst van 26 januari 2015 en de daarmee verband houdende rechtshandelingen. 4De beoordeling 4.1 Het hof stelt voorop dat de in 2.3 aangehaalde (incidentele) vorderingen onder B en C niet gebaseerd kunnen worden op toepassing van art. 351 Rv. Ten aanzien van de toewijsbaarheid van deze vorderingen overweegt het hof als volgt. 4.2 Bij de vordering onder B vordert [appellant] nietigverklaring van de door hem als geheimhoudingsbeding, relatiebeding en concurrentiebeding aangemerkte bedingen. Nog daargelaten dat voor een dergelijk declaratoir in een kort geding geen plaats is, stuit deze vordering erop af dat ingevolge art. 353 lid 1 Rv in hoger beroep niet voor het eerst een eis in reconventie kan worden ingesteld. 4.3 Subsidiair vordert [appellant] bij de vordering onder B schorsing van het geheimhoudingsbeding, het relatiebeding en het concurrentiebeding. Voor zover deze vordering is gericht op het treffen van een voorlopige maatregel voor de duur van het geding is zij aan te merken als een provisionele eis. Een provisionele eis kan strekken tot toewijzing van hetgeen in de hoofdzaak wordt gevorderd of van een gedeelte daarvan (HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2489). Voor zover een dergelijke vordering al in kort geding kan worden ingesteld, moet zij samenhangen met de hoofdvordering (art. 223 lid 2 Rv). Aan die eis wordt in dit geval niet voldaan, gelet op het in 4.2 gegeven oordeel. Voor zover [appellant] met de subsidiaire vordering onder B heeft beoogd een zelfstandige vordering tot schorsing van het geheimhoudingsbeding, het relatiebeding en het concurrentiebeding in te stellen, stuit deze vordering eveneens af op de regel dat in hoger beroep niet voor het eerst een eis in reconventie kan worden ingesteld. 4.4 De (incidentele) vordering onder B is derhalve niet toewijsbaar en hetzelfde geldt voor de (incidentele) vordering onder C. Het door [appellant] bij de vordering onder C gevorderde verbod aan DJI om zich jegens [appellant] te beroepen op het geheimhoudingsbeding, het relatiebeding en het concurrentiebeding, stuit eveneens af op de regel dat in hoger beroep niet voor het eerst een eis in reconventie kan worden ingesteld. 4.5 Ten aanzien van de in 2.3 aangehaalde vordering onder A overweegt het hof als volgt. Voor zover hierbij wordt gevorderd dat aan DJI een verbod wordt opgelegd om het vonnis van de voorzieningenrechter van 13 mei 2015 ten laste van [appellant] te executeren, gaat het om een executiegeschil dat [appellant] desgewenst op de voet van art. 438 Rv bij de rechtbank Noord-Nederland of (in kort geding) bij de voorzieningenrechter van die rechtbank aanhangig kan maken. In zoverre is de vordering onder A daarom niet toewijsbaar. 4.6 Resteert de in 2.3 aangehaalde vordering onder A voor zover die strekt tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Deze vordering stelt de vraag aan de orde of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv. Bij de beantwoording van deze vraag overweegt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5012), dat bij de beoordeling van een dergelijke vordering geldt: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.