GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 15/00400 uitspraakdatum: 30 maart 2016 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 6 maart 2015, nummer AWB 14/2721, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar van de gemeente Wierden (hierna: de heffingsambtenaar) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag hondenbelasting opgelegd voor twee honden van € 114 (tweemaal € 57). 1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. 1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 6 maart 2015 ongegrond verklaard. 1.4 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.5 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd. 1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2016 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en [A] namens de heffingsambtenaar. 1.7 Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd. 1.8 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht. 2De vaststaande feiten Belanghebbende is woonachtig in de gemeente Wierden en is houder van twee honden. 3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of de heffing van hondenbelasting in strijd is met bepalingen van nationaal en internationaal recht. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de heffing van hondenbelasting op enigerlei wijze discriminatoir is. 3.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de Hoge Raad van 18 oktober 2013 (ECLI:NL:HR:2013:917) buiten beschouwing moet worden gelaten. De Hoge Raad is ten onrechte ervan uitgegaan dat alleen honden grote vervuilers zijn en andere dieren in mindere mate of niet. Belanghebbende wijst op de foto’s die hij met zijn nadere stuk heeft ingebracht. Er is sprake van ongelijke behandeling. De artikelen 93 en 94 van de Grondwet staan toetsing van nationale bepalingen aan internationaal recht toe. De bevoegdheid om een gemeentelijke verordening te maken, vloeit voort uit artikel 127 van de Grondwet, niet uit artikel 226 van de Gemeentewet. Artikel 226 van de Gemeentewet is in strijd met artikel 1 van de Grondwet, met artikel 26 van het IVBPR en artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Artikel 226 van de Gemeentewet zegt niets over de vervuiling van de wegen door honden. Deze bepaling kent geen bestemmingsdoel. Dat alleen honden de wegen vervuilen, is niet waar. De overlast van bijvoorbeeld paarden is groot. De gemeente ruimt geen hondenpoep op en maakt geen kosten ten behoeve van honden. 287 van de 408 gemeenten heffen hondenbelasting. Het is niet terecht dat hondenbezitters in de eerstbedoelde gemeenten meer moeten bijdragen aan de algemene middelen en daardoor worden benadeeld. Door het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet krijgen burgers geen eerlijk proces en wordt wettelijke discriminatie gecreëerd. Groot-Brittannië, Frankrijk en Spanje hebben de hondenbelasting ook afgeschaft. Dat hondenbezitters in 121 gemeenten geen hondenbelasting hoeven te betalen, levert ook discriminatie op. Alle burgers in Nederland moeten gelijk worden behandeld. 3.3 De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 oktober 2013 op goede gronden een juiste beslissing heeft genomen. 3.4 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting. 3.5 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de aanslag hondenbelasting. 3.6 De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Beoordeling van het geschil 4.1 De gemeenteraad heeft als decentrale wetgever een ruime beoordelingsbevoegdheid om, binnen de grenzen van de Gemeentewet, over te gaan tot het heffen van gemeentelijke belastingen. Artikel 226, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat ter zake van het houden van een hond van de houder een hondenbelasting kan worden geheven. Het tweede lid van voornoemd artikel bepaalt dat de belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden. 4.2 De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 18 oktober 2013 het volgende overwogen: “4.1. Op grond van artikel 226, lid 1, van de Gemeentewet kan een hondenbelasting worden geheven ter zake van het houden van een hond. Van die bevoegdheid heeft de raad van de gemeente Sittard-Geleen gebruik gemaakt door in artikel 1 van de Verordening te bepalen dat onder de naam ‘hondenbelasting’ een belasting wordt geheven ter zake van het houden van een hond binnen de gemeente. Het onderscheid dat daarmee in de Verordening wordt gemaakt tussen houders van honden en andere personen, stemt overeen met het onderscheid dat op dit punt wordt gemaakt in artikel 226, lid 1, van de Gemeentewet, een wet in formele zin. Gelet op het bepaalde in artikel 120 van de Grondwet kan dit onderscheid daarom niet worden getoetst aan het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 1 van de Grondwet (vgl. HR 11 december 1991, nr. 27107, BNB 1992/129). Het middel is daarom gegrond voor zover het erover klaagt dat het Hof heeft getoetst aan artikel 1 van de Grondwet. 4.2.1. Wel kan het onderhavige onderscheid worden getoetst aan de discriminatieverboden die zijn opgenomen in artikel 26 van het IVBPR en in artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Daarbij dient het uitgangspunt te zijn dat aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Het oordeel van de wetgever dient op dit punt te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond is ontbloot. 4.2.2. De bevoegdheid tot het heffen van hondenbelasting die de wet aan gemeenten geeft, is mede ingegeven door de kosten die voor gemeenten voortvloeien uit de bevuiling van openbare wegen en plaatsen door honden. De wetgever kon daarbij in redelijkheid uitgaan van de veronderstelling dat gemeenten in het algemeen kosten zullen moeten maken als gevolg van dergelijke bevuiling. Bij andere door mensen gehouden dieren pleegt bevuiling van openbare wegen en plaatsen zich niet of in mindere mate voor te doen. Daarom heeft de wetgever met de regeling in de Gemeentewet over de hondenbelasting, en de raad van de gemeente in navolging daarvan in de Verordening, in redelijkheid een onderscheid kunnen maken tussen houders van honden en andere personen. 4.2.3. Dit neemt niet weg dat de hondenbelasting is voorzien als een algemene belasting ten behoeve van de verwerving van inkomsten door de gemeente. In het licht daarvan gaat de betekenis van de kosten die voor een gemeente aan bevuiling door honden zijn verbonden niet zo ver, dat een gemeente die hondenbelasting heft voor haar gehele grondgebied, daarbij een relatie zou moeten leggen met de kosten die voor haar worden opgeroepen door het houden van honden binnen haar grenzen in het algemeen of door de hond(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.