GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.123.944/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 541154 CV EXPL 12-3476) arrest van 19 januari 2016 in de zaak van [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. J.O. Hovinga, kantoorhoudend te Groningen, tegen Menzis Zorgverzekeraar N.V., gevestigd te Wageningen, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Menzis, advocaat: mr. A.A. Bos, kantoorhoudend te Zwolle. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 18 oktober 2012 en 13 december 2012 van toenmalige de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen (hierna: de kantonrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 12 maart 2013, - de memorie van grieven (met producties), - de memorie van antwoord (met productie). 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellant] in hoger beroep, zoals geformuleerd in de memorie van grieven, luidt: "het is op deze gronden dat appellant doet concluderen dat het uw gerechtshof moge behagen, te vernietigen het vonnis van de rechtbank Groningen, sector kanton, daterende van 13 december 2012 tussen partijen gewezen en opnieuw recht doende –zo nodig onder aanvulling en/of verbetering der gronden- en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vorderingen van geïntimeerde (voorheen eiser) niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen dan wel een beslissing te nemen welke uw hof in deze juist acht met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties". 3De feiten 3.1 In rechtsoverwegingen 1.1. tot en met 1.3 van het vonnis van 18 oktober 2012 heeft de kantonrechter in deze zaak een aantal feiten vastgesteld. Hieromtrent bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Het volgende staat vast. 3.2 Sinds 1 april 2006 is [appellant] bij Menzis verzekerd voor ziektekosten. Naast de basisverzekering heeft [appellant] zich voor twee aanvullende pakketten verzekerd. 3.3 In het jaar 2006 was [appellant] bij vooruitbetaling een maandelijkse premie verschuldigd van € 122,-. In het jaar 2007 en 2008 bedroeg de door [appellant] verschuldigde premie respectievelijk € 122,40 en € 120,25. 3.4 [appellant] heeft de premie in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 31 december 2006, 1 oktober 2007 tot en met 21 december 2007 en 1 januari 2008 tot en met 30 april 2008 ondanks aanmaningen niet betaald. Na verrekening van het resterende no-claim bedrag voor het jaar 2005 en 2006, betreft het onbetaald gebleven bedrag in totaal € 1.323,80. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 Menzis heeft [appellant] gedagvaard en gevorderd, samengevat, veroordeling tot betaling van het onder 3.4 genoemde bedrag van € 1.323,80, vermeerderd met rente en kosten. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten, en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding. 5De bespreking van de grieven 5.1 Grief I houdt in dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] de door hem gestelde detentie tegenover de betwisting daarvan door Menzis onvoldoende heeft onderbouwd. 5.2 Ter toelichting op deze grief heeft [appellant] als productie 1 een tweetal detentieverklaringen overgelegd. Hieruit blijkt naar het oordeel van het hof afdoende dat hij in de periode van1 december 2006 tot en met 9 januari 2007 en 15 maart 2008 tot en met 3 april 2008 gedetineerd is geweest in de P.I. Leeuwarden en in de periode van 15-3-2008 tot en met 3-4-2008 in de P.I. Ter Apel. De betwisting van deze productie door Menzis acht het hof onvoldoende gemotiveerd. Het enkele feit dat deze detentieverklaringen niet de gehele door [appellant] gestelde periodes van detentie “dekken” is daartoe niet voldoende. Wat betreft die niet door genoemde verklaringen gedekte periodes is het hof met de kantonrechter van oordeel dat de door [appellant] in eerste aanleg overgelegde TULP-MIR-registratiekaart daarvoor onvoldoende bewijs leveren. Deze kaart bevat niet de naam van [appellant] en is ook overigens zonder toelichting, die niet is gegeven, niet te herleiden tot de door [appellant] gestelde periodes van detentie. Bewijs in andere zin van de detentie in deze periodes is niet concreet en specifiek aangeboden. Daarmee staat de gestelde detentie slechts vast voor zover het gaat om de periodes genoemd in beide detentieverklaringen. 5.3 Door Menzis is voorts aangevoerd dat [appellant] heeft verzuimd het begin en einde van de detentie aan haar te melden en dat als gevolg daarvan de zorgverzekering tijdens de detentie is blijven doorlopen en [appellant] daarover dus de premie verschuldigd is. Zij heeft daartoe in haar memorie van antwoord gewezen het door haar overgelegde artikel A11 van de toepasselijke polisvoorwaarden waarin die verplichting staat geformuleerd. [appellant] heeft op die productie nog niet kunnen reageren. Echter, uit het hierna volgende zal blijken dat hij daardoor niet in zijn belangen is geschaad. Bedoelde verplichting staat namelijk ook in de wet. 5.4 Artikel 24 van de Zorgverzekeringswet luidt als volgt: “ 1. De rechten en plichten uit de zorgverzekering zijn van rechtswege opgeschort gedurende de periode waarover Onze Minister van Justitie in het kader van de uitvoering van een rechterlijke uitspraak verantwoordelijk is voor de verstrekking van geneeskundige zorg aan een verzekerde. 2. De verzekeringnemer of de verzekerde meldt de zorgverzekeraar de dag waarop de periode, bedoeld in het eerste lid, aanvangt en eindigt.” 5.5 Op grond van het bepaalde in het eerste lid wordt de verzekering van rechtswege geschorst door de detentie. Weliswaar wordt in het tweede lid bepaald dat de verzekerde het begin en einde van de detentie aan de verzekeraar dient te melden, doch de opschorting is daar niet van afhankelijk gesteld. De wetsgeschiedenis biedt steun aan deze grammaticale uitleg. De memorie van toelichting bij deze bepaling luidt namelijk, voor zover van belang: “Een verzekerde die ten gevolge van een rechterlijke uitspraak gedetineerd wordt, is gedurende zijn detentie aangewezen op de geneeskundige zorg die hem door of namens de Minister van Justitie voor rekening van die Minister wordt verstrekt. Zonder nadere maatregelen zou de verzekerde gedurende zijn detentie premie blijven betalen, zonder dat hij van zijn rechten uit de zorgverzekering gebruik zou hoeven te maken. Met het oog hierop bepaalt het voorliggende artikel dat de rechten en plichten uit de zorgverzekering van rechtswege worden opgeschort over de perioden waarover de Minister van Justitie verantwoordelijk is voor de zorgverlening. Zodra de detentie eindigt, herleven deze rechten en plichten derhalve weer. Voor opschorting van de verzekering in plaats van beëindiging van de verzekeringsplicht (en daarmee automatisch beëindiging van een zorgverzekering, zie artikel 6, eerste lid, onderdeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.