GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.149.118/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 2340699 \ CV EXPL 13-3205) arrest van 19 januari 2016 in de zaak van 1 [appellant 1] , wonende te [woonplaats] , hierna: [appellant 1], 2. [appellant 2] , wonende te [woonplaats] , hierna: [appellant 2], appellanten, in eerste aanleg: eisers, hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten], advocaat: mr. A.J.A. van Dijk, kantoorhoudend te Almere, tegen [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. O.M.M. Philips, kantoorhoudend te Haren (Gn). 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 27 november 2013 en 19 februari 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Emmen (hierna: de kantonrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 8 april 2014, - de memorie van grieven tevens wijziging van eis (met producties), - de memorie van antwoord (met producties) 2.2 Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellanten] in hoger beroep luidt: "dat het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behage voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair: alsnog de oorspronkelijke vorderingen van appellanten toe te wijzen; subsidiair: [geïntimeerde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellanten te voldoen een bedrag van € 20.599,04, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van verzuim (28 juni 2013) tot de dag der algehele betaling, alsmede vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten volgens de wet Normering Buitengerechtelijke Incassokosten berekend op € 980,99; primair en subsidiair: met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties". 3De feiten 3.1 De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.7) een aantal in deze zaak tussen partijen vaststaande feiten weergegeven. Hieromtrent bestaat geen geschil. Daarmee staan de navolgende feiten vast. 3.2 Tussen de echtgenote van [geïntimeerde] (mevrouw [echtgenote geintimeerde] ) als huurster enerzijds en [appellanten] als verhuurders anderzijds bestond een huurovereenkomst ter zake van het pand aan de [adres] te [woonplaats] . In dit pand heeft [echtgenote geintimeerde] een Chinees restaurant gedreven. 3.3 Omdat de exploitatie van het restaurant niet rendabel was, hebben [echtgenote geintimeerde] en [appellanten] op enig moment afspraken gemaakt om te komen tot een voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst. [echtgenote geintimeerde] en [appellanten] hebben samen een nieuwe huurder gezocht en gevonden in de persoon van de heer [X] (hierna: [X] ). [appellanten] en [X] hebben vervolgens een nieuwe huurovereenkomst gesloten. 3.4 Ter beëindiging van de huurovereenkomst tussen [appellanten] en [echtgenote geintimeerde] is een beëindigingsovereenkomst opgesteld. Daarin is tevens een borgstelling opgenomen. De bewuste bepaling luidt: “ Indien de nieuwe huurder, de heer [X] , niet aan zijn betalingsverplichting, welke voortvloeit uit de huurovereenkomst, kan voldoen en failliet gaat, staat de echtgenoot van huurder, de heer [geïntimeerde] (geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres 2] ) in privé, tot 30 september 2016, jegens verhuurder garant voor een bedrag ter grootte van 8 maanden huur, ten bewijze waarvan de heer [geïntimeerde] deze overkomst mede ondertekent” 3.5 De beëindigingsovereenkomst is op 16 september 2011 ondertekend door [appellanten] , [geïntimeerde] en [echtgenote geintimeerde] . 3.6 Op 19 juli 2013 hebben [appellanten] [geïntimeerde] van het faillissement van [X] in kennis gesteld en hem verzocht binnen acht dagen na dagtekening van de brief het bedrag van € 22.129,36 (8 x € 2.766,17) te betalen aan de gemachtigde van [appellanten] Daarbij is aangezegd dat [geïntimeerde] na ommekomst van de termijn van acht dagen van rechtswege in verzuim zal zijn en dat [appellanten] vanaf die datum rente en kosten zullen berekenen. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 [appellanten] hebben [geïntimeerde] gedagvaard tot betaling van een hoofdsom van € 22.129,36, vermeerderd met rente en kosten. Daartoe hebben zij gesteld dat [geïntimeerde] zich als borg heeft verbonden tot betaling van acht maanden huur in geval van faillissement van [X] , dat [X] niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en failliet is gegaan. 4.2 [geïntimeerde] heeft meerdere verweren gevoerd, waaronder dat de borgtocht nietig is nu daarin het bedrag van de borg niet tot uitdrukking is gebracht en ook niet een maximum en [geïntimeerde] ook anderszins niet op de hoogte was van het bedrag van de borg (artikel 7:858 BW). De kantonrechter heeft dit verweer gehonoreerd en de vordering van [appellanten] afgewezen. 5De beoordeling van de grieven en de vordering 5.1 De beide grieven strekken ten betoge dat wel is voldaan aan het vereiste van artikel 7:858 BW. [appellanten] voeren daartoe aan dat [geïntimeerde] de hoogte van de maandhuur kende omdat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.