GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 11/00444 uitspraakdatum: 19 april 2016 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 april 2011, nummer AWB 08/3763, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Almere (hierna: de Inspecteur) en de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is over het jaar 2003 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 562.
(2003)kan die conclusie niet worden getrokken. In aanmerking genomen dat de MOT-melding zag op in het jaar 2004 verrichte transacties, kan immers niet worden gezegd dat de MOT-melding voor de Inspecteur reden had moeten zijn om, na normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de door belanghebbende voor het jaar 2003 ingediende aangifte IB/PVV, redelijkerwijs aan de juistheid ervan te twijfelen. Voor het instellen van een nader onderzoek door de Inspecteur ten tijde van het vaststellen van de primitieve aanslag bestond derhalve geen aanleiding. Van een ambtelijk verzuim door de Inspecteur is mitsdien geen sprake. De bevindingen van het ná het vaststellen van de primitieve aanslag IB/PVV 2003 gehouden boekenonderzoek vormen ‘een nieuw feit’ op grond waarvan de Inspecteur gerechtigd is tot navordering over te gaan. Ontbrekende stukken en sanctie 8:31 Awb 4.7 Op grond van artikel 8:42, eerste lid, Awb dient de inspecteur in beginsel alle stukken die hem ter beschikking staan en een rol hebben gespeeld bij zijn besluitvorming aan de belanghebbende en aan de rechter over te leggen. Die verplichting gaat in het algemeen niet zo ver dat de inspecteur is gehouden stukken in te brengen die ten grondslag liggen aan processen-verbaal van de FIOD indien die stukken niet ter beschikking van de inspecteur hebben gestaan (vgl. HR 12 juli 2013, nr. 11/04625, ECLI:NL:HR:2013:29). 4.8 In beroep heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de Inspecteur het bepaalde in artikel 8:42 Awb heeft geschonden door niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. In hoger beroep gaat belanghebbende ervan uit dat de Inspecteur niet over meer stukken beschikt dan door hem zijn ingebracht en dat van de zogenoemde derdenonderzoeken geen verslagleggingen zijn gemaakt anders dan hetgeen daarover in het strafrechtelijk onderzoek is opgenomen. Dit betekent dat van een schending van artikel 8:42 Awb geen sprake kan zijn nu stukken die niet bestaan niet behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken (HR 20 december 2013, nr. 12/02985, ECLI:NL:HR:2013:1776). 4.9 Belanghebbende voert aan dat hij door het niet opstellen van verslagleggingen van de derdenonderzoeken ernstig is benadeeld en verzoekt het Hof daarom daaraan de gevolgtrekkingen van artikel 8:31 Awb te verbinden dan wel de benadeling in de sfeer van de bewijslastverdeling op te lossen. 4.10 Artikel 8:31 Awb regelt de gevolgen van niet-naleving van partijen van een aantal specifiek genoemde verplichtingen. Het gaat daarbij om de verplichting van een partij te verschijnen indien hij daartoe is opgeroepen, de verlangde inlichtingen te verstrekken, mee te werken aan een deskundigenonderzoek en de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Niet is gebleken dat de Inspecteur één van deze verplichtingen heeft geschonden. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding aan het bepaalde in artikel 8:31 Awb toepassing te geven. Het Hof ziet in zoverre evenmin aanleiding de regels van bewijslastverdeling te wijzigen. Omkering bewijslast: vereiste aangifte 4.11 Belanghebbende erkent dat hij ten onrechte een bedrag van € 99.012 niet als winst uit onderneming in zijn aangifte heeft verantwoord (bladzijde 26 beroepschrift Rechtbank en bladzijde 15 ‘nadere motivering’ hogerberoepschrift). Door dit bedrag niet in de onderhavige aangifte op te nemen, is er naar het oordeel van het Hof sprake van een gebrek in de aangifte dat ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV. Het bedrag van de IB/PVV dat door het niet verantwoorden van het bedrag van € 99.012 niet zou zijn geheven, is op zichzelf beschouwd ook aanzienlijk. In aanmerking genomen dat het bedrag van € 99.012 door belanghebbende per bank is ontvangen en de bankafschriften onderdeel van zijn administratie vormden, moest belanghebbende zich ten tijde van het doen van de onderwerpelijke aangifte ervan bewust zijn geweest dat door het indienen van een aangifte naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.370, een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde IB/PVV niet zou worden geheven. Een en ander leidt tot de conclusie, gelijk de Inspecteur in hoger beroep heeft gesteld, dat de ‘vereiste aangifte’ niet door belanghebbende is gedaan. Dit brengt mee dat belanghebbende moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat de uitspraak op bezwaar onjuist is (artikel 27e, eerste lid, AWR). Dat geldt voor de gehele uitspraak op bezwaar/belastingaanslag, derhalve ook voor zogenoemde aftrekposten. Omkering bewijslast: schending administratieplicht 4.12 De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende de in artikel 52 AWR vervatte administratieplicht heeft geschonden. Die stelling wordt, gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld, door het Hof onderschreven. Gelet op de omvang van de onderneming van belanghebbende in 2003 en de aard van de door hem in dat jaar verrichte werkzaamheden (de door belanghebbende in zijn aangifte verantwoorde omzet bedroeg € 927.671), was belanghebbende, naar de Inspecteur terecht heeft gesteld, gehouden om - onder meer - een zogenoemde werken/projectadministratie te voeren, zodat zijn rechten en verplichtingen jegens de fiscus alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens duidelijk zouden blijken. Niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende in 2003 een dergelijke administratie heeft gevoerd. Mr. [O] , werkzaam bij accountantskantoor [AA] en sinds eind 2004 bij belanghebbende betrokken, heeft tijdens het boekenonderzoek verklaard dat een werkenadministratie niet werd gevoerd door belanghebbende. De door belanghebbende op 21 maart 2007 aan de Inspecteur overgelegde vier rode ordners, waarin aldus belanghebbende de projectadministratie zou zijn opgenomen, lijken – gelet op de door [M] ter zake afgegeven ontvangstbevestiging – geen betrekking te hebben op 2003 doch te zien op latere jaren. De administratie die belanghebbende wel heeft gevoerd kan niet als deugdelijk worden bestempeld. Zo zijn door belanghebbende onder meer, naar hij heeft erkend, een aantal facturen (tot een bedrag van € 99.012) niet geboekt in de administratie. Gelet hierop en gelet op het ontbreken van een werken/projectadministratie, die naar de eisen van het bedrijf van belanghebbende wezenlijk is, voldoet de administratie van belanghebbende niet aan de in artikel 52, leden 1 en 6, AWR gestelde eisen. 4.13 In zoverre belanghebbende met een beroep op het vertrouwensbeginsel stelt dat hij ervan mocht uitgaan dat zijn administratie voldeed aan de daaraan te stellen wettelijke eisen, faalt die stelling. De onderneming van belanghebbende was in 2003, naar het Hof aannemelijk acht, qua aard en omvang immers wezenlijk anders dan zijn onderneming bij de start ervan en in 2001, zodat aan de bevindingen van het startersbezoek en het boekenonderzoek over de periode 1 juli 2000 tot en met 30 september 2000 niet het vertrouwen kan worden ontleend dat de administratie in 2003 voldeed aan de wettelijke eisen, althans niet een vertrouwen dat in rechte zou moeten worden beschermd. 4.14 Ook op grond van schending van de administratieplicht dient de bewijslast derhalve te worden omgekeerd en verzwaard. Daarvoor is, nu de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2003 is gedaan op 28 juli 2008, geen informatiebeschikking vereist. Redelijke schatting 4.15 Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast laat evenwel onverlet dat bij het (ambtshalve) vaststellen van een navorderingsaanslag door de inspecteur dient te worden uitgegaan van een redelijke schatting van de belastbare winst van belanghebbende. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de omkering en verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld (vgl. HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). 4.16 Door het toepassen van de onderhavige correcties kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat sprake is van willekeur aan de zijde van de Inspecteur. De in het rapport van het boekenonderzoek vermelde correcties onder 3.1.3 – die ten dele door belanghebbende worden erkend – en onder 3.1.4 zijn immers gebaseerd op een vergelijking van de aangiften van belanghebbende met de aanwezige administratie en overige bescheiden. De correcties inzake de ‘Mercedes’ en ‘privékosten’ zien op het niet aanvaarden van door belanghebbende opgevoerde – als zakelijke uitgaven gepresenteerde – kosten. Met betrekking tot de correctie ‘omzet [T] B.V. i.o.’ kan worden opgemerkt dat toerekening van het resultaat van € 108.275 aan een ander, te weten [J] b.v., weliswaar ook denkbaar was geweest, maar door dit resultaat toe te rekenen aan belanghebbende heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof niet naar willekeur gehandeld. Belanghebbende heeft immers werkzaamheden met betrekking tot het project ‘ [b-straat] 299 II’ verricht, zodat het niet onredelijk is ervan uit te gaan dat hij daarvoor een beloning heeft ontvangen. 4.17 Het ligt, nu belanghebbende de schattingen/correcties van de Inspecteur betwist, op zijn weg daarvoor het verzwaarde tegenbewijs te leveren (HR 31 mei 2013, nrs. 11/03452 en 11/03456, ECLI:NL:HR:2013:BX7184). Bewijs 4.18 Met betrekking tot de correctiepost ‘verschil ontvangsten per bank en geboekte omzet’ heeft belanghebbende erkend dat de correctie tot een bedrag van € 99.012 terecht is. Met hetgeen belanghebbende in deze procedure heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, heeft hij naar het oordeel van het Hof niet overtuigend aangetoond dat de correctie ten bedrage van € 205.429 onjuist is. De door belanghebbende ingenomen stellingen dat de boekhouding is gebaseerd op het factuurstelsel en dat niet alle per bank ontvangen bedragen omzet vormen, zijn daartoe niet voldoende. 4.19 De correctie inzake ‘de ontbrekende bankafschriften’ is door de Rechtbank verminderd tot € 21.008 (100/119 x € 25.000). Belanghebbende heeft geen enkel deugdelijk bewijs bijgebracht op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij heeft doen blijken dat de correctie van € 21.008 niet terecht is. De stelling van belanghebbende dat de op de alsnog overgelegde bankafschriften 12 en 13 vermelde omzet van € 25.000 reeds in de administratie was verwerkt, vindt geen steun in het dossier. 4.20 Ook met betrekking tot de correctie ‘geboekte kostenfacturen en betalingen per bank’ ten bedrage van € 22.284 kan niet anders worden geconcludeerd dan dat belanghebbende niet erin is geslaagd overtuigend aan te tonen dat die correctie ten onrechte is doorgevoerd door de Inspecteur. De blote, althans onvoldoende onderbouwde, stellingen dat het factuurstelsel is gehanteerd en dat bepaalde facturen niet zijn betaald zijn daartoe niet toereikend. 4.21 Voor wat betreft de correctie ‘inkomsten [T] b.v. i.o’ ten bedrage van € 108.275 heeft het Hof geoordeeld dat de toerekening van dit bedrag aan belanghebbende niet als willekeur kan worden bestempeld. Belanghebbende heeft niet overtuigend aangetoond dat de onderhavige inkomsten niet aan hem maar aan [J] b.v. moeten worden toegerekend. Het dossier bevat daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. De stelling van belanghebbende dat, wanneer de winst aan hem moet worden toegerekend, deze winst niet € 108.275 maar € 5.465 beloopt, omdat – onder meer – nog rekening moet worden gehouden met een koopsom van € 160.000, treft geen doel, aangezien zij door belanghebbende niet deugdelijk met stukken of anderszins is onderbouwd. Het dossier bevat eerder aanwijzingen voor de onjuistheid van deze stelling. Op de op de onderhavige transactie betrekking hebbende nota van afrekening (bijlage 43 beroepschrift Rechtbank) is namelijk naast een koopsom van € 160.000 voorts een bedrag van (eveneens) € 160.000 vermeld dat door de koper (belanghebbende) van de verkoper wordt ontvangen, zodat een te betalen bedrag resteert van € 12.
- Gelet op een en ander, dient te worden geconcludeerd dat belanghebbende ook met betrekking tot de onderhavige correctie niet overtuigend heeft aangetoond dat deze onjuist is. 4.22 Met betrekking tot de correctie ‘aanschaf Mercedes’ ten bedrage van € 26.050 slaagt belanghebbende naar het oordeel van het Hof evenmin in zijn verzwaarde bewijslast. Hetgeen hij dienaangaande heeft aangevoerd (onder meer bijlage 45 beroepschrift Rechtbank bladzijde 11) is volstrekt onvoldoende voor de conclusie dat hij heeft doen blijken dat deze correctie niet terecht is. 4.23 Voor wat betreft de post ‘correctie diverse privékosten’ ten bedrage van € 99.964 heeft belanghebbende erkend dat sommige correcties terecht zijn (bijlage 45 beroepschrift Rechtbank). Met hetgeen belanghebbende dienaangaande heeft aangevoerd heeft hij naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, dat de onderhavige kosten uitgaven vormen die belanghebbende met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming heeft gedaan. In hoger beroep heeft de Inspecteur zich evenwel alsnog akkoord verklaard met een aftrek van € 2.980 aan kosten. Dit betekent dat de onderhavige correctie nader op € 96.984 moet worden bepaald. 4.24 Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat hij een vordering heeft op VOF [S] , welke vordering volgens belanghebbende ultimo 2003 volledig ten laste van de winst kan worden afgewaardeerd. Voor dat standpunt is echter volstrekt onvoldoende bewijs bijgebracht door belanghebbende, zodat niet kan worden gezegd dat hij heeft doen blijken dat ter zake van een afwaardering van een vordering op VOF [S] een bedrag ten laste van de winst van 2003 kan worden gebracht. 4.25 Belanghebbende heeft voorts nog gesteld dat hij aan de volgende passage uit het door de Inspecteur bij de Rechtbank ingediende verweerschrift het vertrouwen heeft ontleend dat de hem over het tijdvak 2003 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting ten laste van de winst kan worden gebracht: “8.5 Recht op verliesvaststelling en recht op verliesverrekening (punt 15 beroepschrift) De adviseur verzoek om als gevolg van de opgelegde aanslagen omzetbelasting: - bij het vaststellen van het inkomen van belanghebbende rekening te houden met de opgelegde aanslagen omzetbelasting; - het verrekenbaar verlies netjes vast te stellen; - het verlies toe te rekenen aan het jaar
- Rekening houden met aanslagen omzetbelasting Met adviseur ben ik van mening dat de opgelegde aanslagen omzetbelasting invloed kunnen hebben op de vastgestelde inkomens (uit voorgaande jaren) en op het vast te stellen verlies. Netjes Om een en ander netjes te kunnen vaststellen dient duidelijk te zijn hoe groot deze aanslagen omzetbelasting zijn. Omdat de grootte in geschil is en dit geschil aan uw Rechtbank is voorgelegd kan dit pas na de uitspraak op de gewenste wijze in de berekeningen worden meegenomen. Tevens wordt zo voorkomen dat, bij een eventuele vermindering van de aanslagen omzetbelasting, een onjuist bedrag verrekend wordt. Ook navorderingsproblemen, i.v.m. het ontbreken van een nieuw feit, worden zo voorkomen in het geval het inkomen (door een te hoge aanslag OB) te laag wordt vastgesteld. Toerekening aan 2004 Op het moment dat de hoogte van de aanslagen omzetbelasting vaststaat zal ik aanslagen inkomstenbelasting ambtshalve verminderen en het verlies vaststellen. Belanghebbende heeft, volgens de regels van goedkoopmansgebruik, de keuze om de aanslag toe te rekenen aan het jaar waar de aanslag op betrekking heeft of het jaar waarin de aanslag is opgelegd. Dit zal dus niet allemaal in het jaar 2004 kunnen zijn.” Volgens belanghebbende dient dat vertrouwen in rechte te worden gehonoreerd. 4.26 Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur in voormelde passage ongeclausuleerd aan belanghebbende de toezegging gedaan, althans vanuit zijn perspectief mocht belanghebbende daarvan uitgaan, dat de naheffingsaanslag omzetbelasting ten laste van de winst kan worden gebracht in het jaar waarin de naheffingsaanslag is opgelegd dan wel het jaar waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft. Van deze toezegging kan de Inspecteur lopende de procedure in redelijkheid niet meer terugkomen. Zulks zou niet stroken met de beginselen van behoorlijk bestuur of met de beginselen van een behoorlijke rechtspleging. Niet gezegd kan worden dat de toezegging zo duidelijk in strijd komt met een juiste wetstoepassing dat belanghebbende op nakoming ervan in redelijkheid niet mocht rekenen. Dit betekent, nu de naheffingsaanslag omzetbelasting over 2002 tot en met 2004 door het Hof bij uitspraak van 19 april 2016 in de zaak met nummer 11/00438 nader is vastgesteld op € 355.534 waarvan € 134.746 betrekking heeft op de naheffing over het jaar 2003, dat het vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning met dit bedrag dient te worden verminderd. Tussenconclusie 4.27 Gelet op het hiervóór overwogene, dient de navorderingsaanslag te worden verminderd tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 359.654 (€ 497.380 -/- € 2.980 -/- € 134.746). Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af. Zulks behoeft verder geen nadere motivering, aangezien het Hof niet gehouden is om op alle argumenten van partijen in te gaan. De essentiële stellingen van partijen zijn naar het oordeel van het Hof behandeld. Heffingsrente 4.28 Belanghebbende heeft geen zelfstandige grieven aangevoerd tegen de beschikking heffingsrente. Gelet op de vermindering van de navorderingsaanslag, dient de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig te worden verminderd. Boete 4.29 Volgens de Inspecteur is het, door aangifte te doen op basis van een zeer gebrekkige administratie, aan opzet van belanghebbende te wijten dat de primitieve aanslag IB/PVV 2003 tot een aanzienlijk te laag bedrag is vastgesteld. Ter zake van deze beboetbare gedraging heeft de Inspecteur belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van € 140.
- 4.30 De Rechtbank heeft geoordeeld, kort gezegd, dat de Inspecteur erin is geslaagd ‘opzet’ aan de zijde van belanghebbende aannemelijk te maken. Het Hof onderschrijft dat oordeel en verenigt zich met de daartoe door de Rechtbank gebezigde gronden en maakt deze tot de zijne. Opmerking hierbij verdient nog dat ook al zou, zoals belanghebbende stelt, het hem krachtens artikel 6 EVRM toekomende zwijgrecht zijn geschonden, zulks te dezen geen gevolgen heeft voor de rechtsgeldigheid van de boetebeschikking. Gelijk de Rechtbank heeft geoordeeld, is het bewijs ter zake van de ‘opzet’ van belanghebbende immers niet gebaseerd op van de wil van belanghebbende afhankelijke verklaringen doch op wilsonafhankelijk materiaal. 4.31 De Rechtbank heeft een boete van € 90.000 passend en geboden geacht. In aanmerking genomen dat de navorderingsaanslag in hoger beroep met € 137.726 ( € 2.980 plus € 134.746) wordt verminderd, zal het Hof de boete verder matigen tot € 50.
- Een dergelijke boete acht het Hof passend en geboden voor het vergrijp dat belanghebbende heeft begaan. 4.32 De Rechtbank heeft de boete gematigd met 15% wegens overschrijding van de redelijke termijn met (ruim) een jaar. Daarbij is de Rechtbank uitgegaan van een ‘charge’ op 13 maart
- Dit laatste is in hoger beroep niet bestreden. 4.33 In hoger beroep is de redelijke termijn evenzeer overschreden. Verwezen wordt naar overweging 4.34 hierna. In totaal is de redelijke termijn derhalve met ruim drie jaar overschreden. Dit leidt tot vermindering van de boete met 20%. De boete beloopt derhalve € 40.
- Vergoeding immateriële schade 4.34 Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van de onderhavige zaak. 4.35 De Hoge Raad heeft in het arrest van 10 juni 2011, nr. 09/02639, ECLI:NL:HR:2011: BO5046, overwogen dat het rechtszekerheidsbeginsel ertoe noopt dat belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden beslecht. Aangezien dit vereiste berust op een rechtsbeginsel dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6 van het EVRM, wordt door de Hoge Raad aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over dat artikel van het EHRM (onder meer het arrest van 29 maart 2006, nr. 62361/00, Riccardi Pizzati tegen Italië, JB 2006/134). 4.36 Voorts heeft de Hoge Raad in het arrest van 10 juni 2011 overwogen dat voor de vraag of de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die hij in zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, heeft neergelegd voor de duur van de redelijke termijn in fiscale boetezaken. Daarbij hanteert de Hoge Raad als uitgangspunt dat de redelijke termijn voor de behandeling in de bezwaarfase en de beroepsfase tezamen niet meer dan twee jaar bedraagt en de behandeling van het hoger beroep niet meer dan twee jaar. De in aanmerking te nemen termijn begint voor de bezwaar- en beroepsfase in beginsel op het moment waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt en voor de hogerberoepsfase bij ontvangst van het hogerberoepschrift (HR 28 maart 2014, nr. 12/04517, ECLI:NL:HR:2014:718). In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt (HR 22 maart 2013, nr. 11/04270, ECLI:NL:HR:2013:BX6666). Voorts wordt verwezen naar het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:
- 4.37 Het tijdsverloop tussen de ontvangst van het bezwaarschrift door de Inspecteur (29 mei 2008) en de uitspraak van de Rechtbank (28 april 2011) bedraagt twee jaar en elf maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn met elf maanden is overgeschreden. Bijzondere omstandigheden die een langere behandelduur dan voormelde twee jaren zouden rechtvaardigen zijn niet gebleken. 4.38 Het hogerberoepschrift is op 6 juni 2011 door het Hof ontvangen. De hogerberoepsfase is afgesloten met de uitspraak van het Hof van 19 april
- De behandeling van het hoger beroep heeft derhalve vier jaar en tien maanden en dertien dagen geduurd, hetgeen volgens het in 4.36 vermelde uitgangspunt een overschrijding van de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil meebrengt van ruim twee jaar en tien maanden. Er is evenwel een bijzondere omstandigheid die een langere behandelduur van de zaak in hoger beroep dan genoemde twee jaar rechtvaardigt. De onderhavige zaak is namelijk tezamen met de zaken betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting (onder meer over 2003) aangehouden in afwachting van de beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zogenoemde Kamino-zaak. Dit is schriftelijk aan partijen medegedeeld. Genoemd arrest is gewezen op 3 juli 2014 (nr. C-129/13 en C-130/13, ECLI:EU:C:2014:2041). Gelet hierop, acht het Hof het redelijk de behandelduur van twee jaar te verlengen met de periode die is verstreken tussen 10 september 2013 (de datum van de aankondiging van de aanhouding) en 3 juli 2014 (de datum van het arrest in de Kamino-zaak), derhalve met 10 maanden. Mitsdien is de redelijke termijn in appèl overschreden met ruim twee jaar. 4.39 Als uitgangspunt voor de schadevergoeding dient een tarief te worden gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (vgl. voormeld arrest van 10 juni 2011, punt 3.3.3). Het Hof ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. 4.40 Het onderhavige (hoger) beroep is gezamenlijk behandeld met de (hoger) beroepen gericht tegen de aanslagen IB/PVV 2002, 2004 en 2005, de aanslag Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2002, de aanslag Ziekenfondswet zelfstandigen 2005 en een naheffingsaanslag in de omzetbelasting. Naar het oordeel van het Hof kan van geen van deze zaken worden gezegd dat deze in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp als de aanslag IB/PVV 2003 (HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540). 4.41 De omstandigheid dat de zaken van belanghebbende en [H] bv gezamenlijk zijn behandeld, heeft naar het oordeel van het hof geen zodanig matigende invloed gehad op de ondervonden spanning, ongemak en onzekerheid dat dit reden vormt de toe te kennen schadevergoeding te matigen (HR 30 januari 2015, nr. 14/01954, ECLI:NL:HR:2015:147). 4.42 Gelet op het hiervóór overwogene, dient de vergoeding van immateriële schade te worden berekend op tweemaal € 500 ofwel € 1.000 voor de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase. Nu deze overschrijding in haar geheel voor rekening komt van de Rechtbank, zal de Staat worden veroordeeld tot vergoeding van dit bedrag. Voor de overschrijding van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase zal de Staat worden veroordeeld tot een vergoeding van € 2.
- Omdat het bedrag van de schadevergoeding in totaal € 3.500 beloopt, behoeft de Minister van Veiligheid en Justitie, gelet op zijn beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, St,crt. 2014, nr. 20210, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voren. Slotsom Het hoger beroep van belanghebbende is ten dele gegrond. 5Kosten Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het Hof stelt de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, als volgt vast: Bezwaar: 1 punt voor proceshandelingen x € 246 x wegingsfactor 1 = € 246 Beroep: 3 punten voor proceshandelingen x € 496 x wegingsfactor 1 = € 1.488 Hoger beroep: 2 punten voor proceshandelingen x € 496 x wegingsfactor 1 = €
- In totaal derhalve € 2.
- Hierbij verdient opmerking dat het hogerberoepschrift door belanghebbende zelf is ingediend. 6Beslissing Het Hof: vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de navorderingsaanslag IB/PVV 2003, de daarbij behorende boetebeschikking, beschikking inzake de heffingsrente en de toegekende proceskostenvergoeding; verklaart het beroep tegen de uitspraken op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2003, de daarbij behorende boetebeschikking en beschikking heffingsrente gegrond; vernietigt die uitspraken op bezwaar; vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2003 tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 359.654 ; vermindert de daarbij behorende beschikking heffingsrente dienovereenkomstig; vermindert de vergrijpboete tot € 40.000; veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.726, en veroordeelt de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade ten bedrage van € 3.
- Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april
- De griffier, De voorzitter, (S. Darwinkel) (R. den Ouden) Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 21 april 2016 Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij: de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer) Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.