GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.182.996/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/111548/JE RK 15-379) beschikking van de familiekamer van 21 april 2016 inzake 1 [verzoekster] , wonende te [A] , 2. [verzoeker] , wonende te [B] , verzoekers in hoger beroep, verder te noemen: de ouders, advocaat: mr. R.M. Bissumbhar, kantoorhoudend te Barneveld, en Jeugdbescherming Noord | Drenthe, kantoorhoudend te Assen, verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de GI. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: [de pleegouders] wonende te [C] verder te noemen: de pleegouders (van [de minderjarige2] ). 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 29 september 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met producties, ingekomen op 28 december 2015; - het verweerschrift; - een brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) van 11 januari 2016; - een journaalbericht van mr. Bissumbhar van 26 januari 2016 met bijlage; - een journaalbericht van mr. Bissumbhar van 24 februari 2016 met bijlage; - een brief van de pleegouders gedateerd op 4 maart 2016; - een journaalbericht van mr. Bissumbhar van 18 maart 2016 met bijlagen. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 22 maart 2016 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bissumbhar. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [D] , de jeugdbeschermer, en mevrouw [E] . 2.3 Na de mondelinge behandeling is op verzoek van het hof ingezonden een brief van de GI van 22 maart 2016 met als bijlagen de in het dossier ontbrekende stukken uit de eerste aanleg. 3De vaststaande feiten 3.1 Uit de relatie van de ouders - die voorheen hebben samengewoond - zijn geboren [in] 2005 te [F] [de minderjarige1] (hierna te noemen: [de minderjarige1] ) en [in] 2007 te [F] [de minderjarige2] (hierna te noemen: [de minderjarige2] ). Het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] wordt uitgeoefend door de ouders gezamenlijk. 3.2 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (hierna: ook de kinderen) zijn in december 2012 bij hun grootouders gaan wonen vanwege de relationele en persoonlijke problematiek van de ouders. De kinderen staan sinds 9 oktober 2013 onder toezicht van de GI. Deze maatregel is laatstelijk verlengd tot 9 oktober 2015. Tevens heeft de kinderrechter bij beschikking van 9 oktober 2013 een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gedurende dag en nacht bij hun grootouders (vz). 3.3 [de minderjarige2] woont sinds december 2014 in een perspectief biedend pleeggezin in [C] . [de minderjarige1] woont vanaf 24 juli 2015 in een Gezinshuis. 3.4 De moeder heeft in september 2014 uit een latere relatie een zoon, [de minderjarige3] , gekregen. De moeder woont samen met [de minderjarige3] sinds januari 2015 bij Stichting [G] , waar 24-uurs ondersteuning wordt geboden. De vader woont sinds september 2015 in [B] in een 3-kamerappartement. Ouders hebben sinds juni 2014 weer een affectieve relatie met elkaar. 3.5 Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 29 september 2015 heeft de kinderrechter op verzoek van de GI de ondertoezichtstelling en de machtiging om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, verlengd tot 9 oktober 2016. De ouders hebben tegen die beslissing hoger beroep ingesteld. 4De omvang van het geschil 4.1 De ouders zijn met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 29 september 2015. De ouders verzetten zich niet tegen de bij de bestreden beschikking verlengde ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De grief van de ouders ziet enkel op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Volgens de ouders heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er in dit kader geen aanleiding meer bestaat om de raad de opdracht te geven naar de opvoedingsvaardigheden van de ouders te kijken. Zij verzoeken het hof in hun beroepschrift dan ook de bestreden beschikking aan te vullen met een opdracht aan de raad om de opvoedingscapaciteiten van de ouders te onderzoeken en daarbij de mogelijkheden van het geleidelijk terugplaatsen van (een van) de kinderen bij één van de ouders. 4.2 Ter mondelinge behandeling hebben de ouders hun petitum gewijzigd in die zin dat zij verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voor de periode van een jaar en, opnieuw beschikkende, het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toe te wijzen voor een kortere periode van bijvoorbeeld zes maanden, waarbij wordt toegewerkt aan terugplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij één van de ouders. 4.3 De GI heeft verweer gevoerd. De GI verzoekt het hof het door de ouders ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing 5.1 Ingevolge artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ingevolge artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen. 5.2 De ouders kunnen zich met de verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voor de duur van een jaar niet verenigen. De ouders erkennen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] eind 2012 niet langer bij hun konden wonen door persoonlijke, financiële en relationele problemen, maar inmiddels is deze situatie volledig gewijzigd. De ouders stellen dat ze hun praktische zaken op orde hebben qua wonen en financiën en dat zij hulpverleningstrajecten om de persoonlijke problematiek op te lossen met succes hebben afgerond. De beslissing van de kinderrechter is volgens hen gebaseerd op oude, niet geactualiseerde informatie, waarbij geldt dat er tussentijds geen onderzoek naar hun opvoedingscapaciteiten is geweest dan wel naar de ontwikkeling daarvan. De ouders onderkennen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] extra zorg en ieder een eigen (opvoedkundige) aanpak nodig hebben en staan open voor hulpverlening. Er dient volgens hen dan ook geleidelijk te worden toegewerkt naar de terugplaatsing van (één van) de kinderen bij de vader, die volgens de ouders gelet op zijn gewijzigde situatie weer in staat is [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een liefdevolle en gestructureerde opvoeding te bieden. 5.3 De GI heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De GI acht de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] in een gezinshuis en [de minderjarige2] in een voorziening voor pleegzorg onverminderd noodzakelijk in het belang van de kinderen. De GI erkent dat de situatie bij de ouders is veranderd en dat beide ouders grote vorderingen hebben gemaakt, maar signaleert ook dat beide ouders daarin afhankelijk zijn van hulpverlening. De GI is van mening dat de ouders, gelet op hun eigen problematiek in samenhang met de specifieke en eigen opvoedingsbehoeften van de jongens, niet binnen een voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aanvaardbare termijn zelf weer de opvoeding op zich kunnen nemen en zet derhalve niet in op terugplaatsing. De GI heeft aangegeven zich thans dan ook te gaan richten op een eventuele verderstrekkende maatregel. 5.4 Vooropgesteld moet worden dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van tijdelijke aard zijn en in beginsel - voor zover mogelijk - dienen te zijn gericht op het werken aan terugkeer van de kinderen naar de ouder(s), in dit geval de vader, die - zoals de ouders ter zitting hebben gesteld - de capaciteiten heeft en thans weer voldoende in staat is om [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de stabiele opvoedingssituatie te bieden die zij nodig hebben. 5.5 Uit de stukken blijkt dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de periode dat zij bij hun ouders woonden blootgesteld zijn aan veel verbale agressie tussen de ouders. De ouders waren vanwege hun persoonlijke en relationele problematiek niet structureel beschikbaar voor de kinderen. Voor alle betrokkenen staat vast dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] allebei kampen met eigen, in de stukken beschreven problematiek en beiden een verschillende aanpak nodig hebben, hetgeen voor de GI aanleiding was om ze apart te plaatsen, zodat ze elkaar niet belemmeren in hun ontwikkeling. [de minderjarige1] verblijft op dit moment vanwege zijn gedragsproblematiek in een gezinshuis, een opvoedingsomgeving die aansluit bij zijn ontwikkelingsbehoeften. [de minderjarige1] is gediagnosticeerd met PDD-NOS en er is sprake van dyslexie. [de minderjarige2] verblijft in een pleeggezin. Hij wordt door de pleegouders ervaren als een vrolijke, spontane, intelligente en lieve jongen en daarnaast ook als een kwetsbare jongen met lastig gedrag (dwars, brutaal, opstandig en geparentificeerd gedrag). [de minderjarige2] heeft naast een veilige en beschermende omgeving, veel aandacht, bevestiging en geruststelling (dat hij goed is, zoals hij
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.