GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.189.377/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel 4920574 VV EXPL 16-21) arrest in het incident tot schorsing uitvoerbaarheid van 7 juni 2016 in de zaak van [appellante] , wonende te [woonplaats] , appellante, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellante], advocaat: mr. M. Mulderij-Anker, kantoorhoudend te Zwolle, tegen Woningstichting SWZ, gevestigd te Zwolle, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres, hierna te noemen: SWZ, advocaat: mr. B.J. van den Berg, kantoorhoudend te Zwolle. 1Het geding in eerste instantie 1.1 In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis in kort geding van 8 april 2016 van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, team kanton en handelsrecht, locatie Zwolle (hierna: de kantonrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding (met producties) in hoger beroep (spoedappel) van 12 april 2016, waarin de grieven zijn opgenomen; - de conclusie van eis; - de memorie van antwoord in het incident (met producties). 2.2 De conclusie van de appeldagvaarding strekt tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter van 8 april 2016 en tot het alsnog afwijzen van de vordering van SWZ in eerste aanleg, met veroordeling van SWZ in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad. Tevens bevat de appeldagvaarding - ondanks het ontbreken in strijd met art. 111 lid 2, aanhef en onder d, Rv in samenhang met art. 353 Rv van een daartoe strekkende eis - de incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het bestreden vonnis ex art. 351 Rv. Hiertoe overweegt het hof dat in het lichaam van de appeldagvaarding voldoende duidelijk en bepaald besloten ligt dat [appellante] schorsing van de uitvoerbaarheid verlangt (vgl. HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0413). SWZ heeft zich derhalve tegen deze incidentele vordering kunnen verweren, hetgeen zij ook heeft gedaan. 2.3 SWZ heeft bij memorie van antwoord in het incident geconcludeerd (samengevat) tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het incident. 2.4 SWZ heeft de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd. Het door SWZ overgelegde procesdossier is ten onrechte (zie art. 5.3 in samenhang met art. 5.1 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven) beperkt tot de stukken van de eerste aanleg. Voor de gedingstukken in hoger beroep heeft het hof derhalve geput uit het griffiedossier. 2.5 Op de door SWZ bij memorie van antwoord in het incident overgelegde producties heeft [appellante] nog niet kunnen reageren. Daarom zal het hof deze producties buiten beschouwing laten. Uit hetgeen hierna volgt, zal blijken dat SWZ hierdoor niet in haar belangen wordt geschaad. 3De feiten 3.1 Het hof gaat uit van de navolgende feiten, die uit de stellingen van partijen als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties, aannemelijk zijn geworden. 3.2 [appellante] huurt sedert 31 januari 2008 van SWZ een woning aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning). In de toepasselijke huurvoorwaarden is een beding opgenomen (art. 12) dat ertoe strekt dat de huurder ervoor zorg dient te dragen dat aan omwonenden geen overlast (o.a. geluid) wordt veroorzaakt. 3.3 Vanaf december 2014 hebben de naaste buren van [appellante] , familie [X] ( [adres] ) en mevrouw [Y] ( [adres] ), alsmede de benedenburen de familie [Z] ( [adres] ) regelmatig bij zowel SWZ als de politie geklaagd over geluidsoverlast vanuit de woning van [appellante] . Deze geluidsoverlast is zowel overdag als 's avonds en 's nachts gerapporteerd en bestaat volgens de meldingen uit hard kloppen/tikken/bonken, boren, luid gepraat en geschreeuw. SWZ heeft [appellante] herhaaldelijk schriftelijk gesommeerd de geluidsoverlast te beëindigen. 3.4 In januari 2015 is de situatie op verzoek van SWZ onderwerp van gesprek geweest in een zorgoverleg met VIA/Fact Dimence, het Sociaal Wijkteam (SWT) en de gemeente Zwolle . De vanuit dit overleg aan [appellante] aangeboden begeleiding is door haar geweigerd. 3.5 Bij brief van 18 mei 2015 heeft (de gemachtigde van) SWZ [appellante] ervoor gewaarschuwd dat, wanneer de overlast niet stopt, SWZ een kort geding zal starten waarin ontruiming van de woning zal worden gevorderd. De meldingen van overlast zijn daarop tijdelijk gestopt. Vanaf januari 2016 hebben genoemde buren (met name de familie [Z] ) wederom frequent bij zowel SWZ als de politie melding gemaakt van ernstige geluidsoverlast vanuit de woning. 3.6 SWZ heeft [appellante] bij brief van 11 februari 2016 wederom gesommeerd de overlast te staken, waarbij erop is gewezen dat anders een ontruimingsprocedure zal worden gestart. Bij brief van 23 februari 2016 heeft (de gemachtigde van) SWZ aangegeven dat de overlast van 22 februari 2016 zodanig ernstig is dat SWZ zich genoodzaakt ziet de rechter te vragen de woning te mogen ontruimen. [appellante] kan een ontruimingsprocedure voorkomen door binnen vijf dagen de huur op te zeggen tegen 15 maart 2016. 3.7 In reactie op laatstvermeld schrijven heeft [appellante] aan (de gemachtigde van) SWZ per e-mail van 24 februari 2016 laten weten (onder meer) dat zij geen overlast veroorzaakt en dat ook niet zal doen. 3.8 In eerste aanleg heeft SWZ vervolgens in kort geding een veroordeling tot ontruiming van de woning gevorderd. 3.9 Bij het bestreden kort geding vonnis van 8 april 2016 heeft de kantonrechter [appellante] veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis tot ontruiming van de woning over te gaan en [appellante] veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis van de kantonrechter van 8 april 2016 is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4De beoordeling in hoger beroep 4.1 De vraag waar het in het onderhavige incident om gaat is of er voldoende grond bestaat voor schorsing van de executie van het vonnis waarvan beroep op de voet van artikel 351 Rv. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5012), voorop dat bij de beoordeling van dergelijke incidentele vorderingen geldt: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.