GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummers gerechtshof 200.178.644, 200.178.674 en 200.178.712 (zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Zutphen 267272) beschikking van de tweede civiele kamer van 27 juni 2016 in de zaak met rolnummer 200.178.644 van Stichting Integriteit?, gevestigd te Doetinchem, appellante, hierna: de Stichting, advocaat: mr. P.W.M. Huisman, tegen De Staat der Nederlanden (Minister van Financiën), gevestigd te ’s-Gravenhage, hierna: de Staat, advocaat: mr. E.E. Schipper, en De Ontvanger van de Belastingdienst, gevestigd te Almelo, hierna: de Ontvanger, advocaat: mr. E.E. Schipper, en [persoon 1] wonende te [plaatsnaam] hierna: [persoon 1] , advocaat: mr. J.M.J. Arts, en [persoon 2] wonende te [plaatsnaam] hierna: [persoon 2] advocaat: M.H. de Boer, in de zaak met rolnummer 200.178.674 van [persoon 1] wonende te [plaatsnaam] hierna: [persoon 1] , advocaat: mr. J.M.J. Arts, tegen Stichting Integriteit?, gevestigd te Doetinchem, appellante, hierna: de Stichting, advocaat: mr. P.W.M. Huisman, en De Staat der Nederlanden (Minister van Financiën), gevestigd te ’s-Gravenhage, hierna: de Staat, advocaat: mr. E.E. Schipper, en De Ontvanger van de Belastingdienst, gevestigd te Almelo, hierna: de Ontvanger, advocaat: mr. E.E. Schipper, en in de zaak met rolnummer 200.178.712 van [persoon 2] wonende te [plaatsnaam] hierna: [persoon 2] advocaat: M.H. de Boer tegen Stichting Integriteit?, gevestigd te Doetinchem, appellante, hierna: de Stichting, advocaat: mr. P.W.M. Huisman, en De Staat der Nederlanden (Minister van Financiën), gevestigd te ’s-Gravenhage, hierna: de Staat, advocaat: mr. E.E. Schipper, en De Ontvanger van de Belastingdienst, gevestigd te Almelo, hierna: de Ontvanger, advocaat: mr. E.E. Schipper. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beide beschikkingen van 17 juli 2015 en de beschikking van 26 augustus 2015 van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen. Van die beschikkingen is een fotokopie aan deze beschikking gehecht. 2Het geding in hoger beroep 2.1 In de kern draait het in de onderhavige zaken om de vraag of [persoon 1] en [persoon 2] zich in het kader van het bij de rechtbank te Zutphen ingevolge de beschikking van 31 oktober 2014 gehouden voorlopig getuigenverhoor op hun verschoningsrecht kunnen beroepen waar het de beantwoording van de volgende vragen betreft: 1. Wie was in de eerste helft van 2008 bij de afdeling invordering van de belastingdienst in Doetinchem verantwoordelijk voor de afhandeling van de [persoon 3] dossiers?’ (hierna: ‘Vraag 1’) 2. Kunt u bevestigen dat de vennootschap Brutra B.V. op 28 februari 2008 vrij was van belastingschulden?’ (hierna: ‘’Vraag 2’). De rechtbank heeft in de bestreden beschikkingen - ten aanzien van zowel [persoon 1] als [persoon 2] - het beroep op het verschoningsrecht ten aanzien van Vraag 2 wel en ten aanzien van Vraag 1 niet gehonoreerd. De rechtbank heeft in de bestreden beschikkingen voorts - kort gezegd - bepaald dat de Stichting voorafgaand aan de getuigenverhoren haar vragen aan de rechtbank, partijen en de getuigen dient voor te leggen, waarop de getuigen gemotiveerd per vraag dienen mede te delen of zij zich op hun verschoningsrecht zullen beroepen en op welke grond, waarna partijen mogen reageren en de rechtbank daarop voorafgaand aan de voortzetting van het voorlopig getuigenverhoor zal beslissen. Ook dit gebod tot overlegging op voorhand is in hoger beroep onderwerp van geschil. in de zaak met rolnummer 200.178.644 2.2 Bij beroepschrift heeft de Stichting twee grieven aangevoerd tegen de beschikkingen van 17 juli 2015 en 26 augustus 2015 en deze toegelicht. Zij heeft verzocht de bestreden beschikkingen te vernietigen en, opnieuw beschikkende, zowel ten aanzien van [persoon 1] als ten aanzien van [persoon 2] , bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking het beroep op het verschoningsrecht niet te honoreren voor wat betreft Vraag 2. De Stichting heeft gevorderd dat het hof alsnog zal bepalen dat [persoon 1] en [persoon 2] deze vraag beantwoorden, alsmede dat zij niet tot de hiervoor omschreven overlegging op voorhand gehouden zijn, een en ander met veroordeling van verweerders in de kosten van de procedure. 2.3 Bij verweerschrift hebben de Staat, de Ontvanger, [persoon 1] en [persoon 2] de grieven bestreden en hebben zij een aantal producties in het geding gebracht. Zij hebben verzocht dat het hof het hoger beroep afwijst, met veroordeling van de Stichting in de kosten van het hoger beroep. in de zaak met rolnummer 200.178.674 2.4 Bij beroepschrift is [persoon 1] in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 juli 2015 en (voorwaardelijk) van de beschikking van 26 augustus 2015, heeft hij één grief daartegen aangevoerd en deze toegelicht. Hij heeft vernietiging van de beschikkingen op dit onderdeel verzocht. [persoon 1] heeft voorts verzocht dat het hof, opnieuw beschikkende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking het beroep op het verschoningsrecht zal honoreren voor wat betreft Vraag 1, een en ander met veroordeling van de Stichting in de gedingkosten. 2.5 Bij verweerschrift heeft de Stichting de grief bestreden en een aantal producties in het geding gebracht. Zij heeft verzocht dat het hof het hoger beroep afwijst, met veroordeling van [persoon 1] in de kosten van het hoger beroep. in de zaak met rolnummer 200.178.712 2.6 Bij beroepschrift is [persoon 2] in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 juli 2015 en (voorwaardelijk) van de beschikking van 26 augustus 2015, heeft hij één grief daartegen aangevoerd en deze toegelicht. Hij heeft vernietiging van de beschikkingen op dit onderdeel verzocht. [persoon 2] heeft voorts verzocht dat het hof, opnieuw beschikkende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking het beroep op het verschoningsrecht zal honoreren voor wat betreft Vraag 1, een en ander met veroordeling van de Stichting in de gedingkosten. 2.7 Bij verweerschrift heeft de Stichting de grief bestreden en een aantal producties in het geding gebracht. Zij heeft verzocht dat het hof het hoger beroep afwijst, met veroordeling van [persoon 2] in de kosten van het hoger beroep. in de zaken met rolnummers 200.178.644, 200.178.674 en 200.178.712 2.8 De mondelinge behandeling in de drie zaken heeft plaatsgevonden op 2 juni 2016. Bij die gelegenheid hebben partijen de zaak mondeling doen toelichten, de Stichting door mr. M. Everstijn (kantoorgenote van Mr P.W.M. Huisman), De Staat en de Ontvanger door mr. E.E. Schipper, [persoon 1] door mr. J.M.J. Arts en [persoon 2] door mr. M.H. de Boer. Partijen hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. 2.9 Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald. 3De grieven in de zaak met rolnummer 200.178.644 3.1 De Stichting heeft als eerste grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte in haar beschikkingen het beroep op een verschoningsrecht ten aanzien van Vraag 2 heeft gehonoreerd. Aan deze grief heeft de Stichting kort gezegd ten grondslag gelegd dat niet is voldaan aan het ter zake geldende criterium dat de rechter aan redelijke twijfel onderhevig acht of de beantwoording van die vraag naar waarheid zou kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven. Voorts geldt de geheimhoudingsplicht volgens de Stichting niet als bekendmaking van de gegevens noodzakelijk is voor de heffing of invordering van belasting. In deze zaak doet zich een dusdanig bijzondere situatie voor dat sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid op grond waarvan de getuigen zich niet kunnen beroepen op hun verschoningsrecht. Voorts is sprake van misbruik van recht, gelet op het feit dat [persoon 1] en [persoon 2] zich in een soortgelijk getuigenverhoor niet op hun verschoningsrecht hebben beroepen. De tweede grief van de Stichting is gericht tegen het gebod tot overlegging van de vragen op voorhand. Als bezwaar daartegen heeft de Stichting aangevoerd dat [persoon 1] en [persoon 2] , indien zij op voorhand over de vragen beschikken, zich kunnen voorbereiden op de te geven antwoorden, die antwoorden met elkaar kunnen bespreken of die zelfs op elkaar af kunnen stemmen. Het misschien langer duren van de getuigenverhoren weegt volgens de Stichting niet op tegen haar belang de waarheid op tafel te krijgen. in de zaken met rolnummers 200.178.674 en 200.178.712 3.2 [persoon 1] en [persoon 2] hebben beiden, ieder in hun respectieve beroepsprocedures, een grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat zij zich ten aanzien van Vraag 1 niet op hun verschoningsrecht kunnen beroepen. Volgens [persoon 1] en [persoon 2] heeft de rechtbank een verkeerde maatstaf aangelegd door de inhoud en omvang van het verschoningsrecht afhankelijk te stellen van het antwoord op de vraag of de informatie waarnaar met Vraag 1 wordt gevraagd rechtstreeks betrekking heeft op de persoon of zaken van een ander dan de getuige. De geheimhoudingsplicht strekt zich op grond van art. 67 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) (en artikel 67 Invorderingswet 1990 (Iw)) uit tot al hetgeen [persoon 1] en [persoon 2] uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt medegedeeld. De eis dat die informatie rechtstreeks betrekking heeft op de persoon of zaken van een ander wordt door de wet niet gesteld. Volgens [persoon 1] en [persoon 2] heeft de vraag niet slechts op de interne taakverdeling binnen de Belastingdienst betrekking en heeft de rechtbank ten onrechte als speculatief en niet overtuigend aangemerkt dat een derde uit het antwoord op Vraag 1 het al dan niet bestaan van belastingschulden van [persoon 3] c.s. en de aard en omvang daarvan kan afleiden. Volgens [persoon 1] en [persoon 2] is aan redelijke twijfel onderhevig of Vraag 1 beantwoord kan worden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen moet blijven. 4De vaststaande feiten 4.1 Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 1.1 en 1.2 van de beschikkingen van 17 juli 2015. 5De motivering van de beslissing in hoger beroep 5.1 In de zaak met rolnummer 200.178.644 hebben de Ontvanger, de Staat, [persoon 1] en [persoon 2] het verweer gevoerd dat de Stichting in haar hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat zij in de beschikking heeft berust. Het hof verwerpt dit verweer, nu hetgeen de advocaat van de Stichting in zijn brieven aan de rechtbank van 7 en 14 augustus 2015 heeft geschreven ook aldus kan worden begrepen, dat zij zich slechts bij het oordeel omtrent het verschoningsrecht ten aanzien van Vraag 2 wenste neer te leggen indien de Stichting niet gehouden zou zijn om voorafgaand aan de getuigenverhoren haar vragen voor te leggen. Naar het oordeel van het hof is aldus niet ondubbelzinnig gebleken dat de Stichting zich onvoorwaardelijk bij de beschikkingen van 17 juli 2015 op dit punt heeft neergelegd. Het beroep op niet-ontvankelijkheid faalt derhalve. in de zaken met rolnummers 200. 178.644, 200.178.674 en 200.178.712 5.2 [persoon 1] en [persoon 2] hebben zich ten aanzien van de Vragen 1 en 2 op het standpunt gesteld dat hun een verschoningsrecht toekomt uit de op grond van art. 67 (AWR) en art. 67 (Iw) op hen rustende geheimhoudingsplicht. 5.3 Artikel 67 (AWR) bepaalt in het eerste lid: ‘Het is een ieder verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van de belastingwet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt medegedeeld, verder bekend te maken dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet of voor de invordering van enige rijksbelasting als bedoeld in de Invorderingswet 1990.’ Die geheimhouding geldt krachtens het tweede lid van dit artikel niet indien enig wettelijk voorschrift tot bekendmaking verplicht, bij regeling van de minister is bepaald dat bekendmaking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak van een bestuursorgaan, dan wel bekendmaking plaatsvindt aan degene op wie de gegevens betrekking hebben voor zover deze gegevens door of namens hem zijn verstrekt. In andere gevallen dan in het tweede lid genoemd kan de Minister van Financiën ontheffing verlenen van de geheimhoudingsplicht. 5.4 Het hof stelt voorop dat het verschoningsrecht waarop [persoon 1] en [persoon 2] zich beroepen is gebaseerd op de hiervoor aangehaalde wettelijke geheimhoudingsplicht en dat op basis van de toepasselijke wettelijke regeling de omvang van hun verschoningsrecht dient te worden vastgesteld. Als uitgangspunt bij de beoordeling van dit verschoningsrecht geldt dat terughoudendheid is geboden: vragen behoeven niet beantwoord te worden zolang de rechter aan redelijke twijfel onderhevig acht of de beantwoording naar waarheid zou kunnen geschieden zonder dat door de getuige geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven (Hoge Raad 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0409). De verplichting tot geheimhouding en het daarmee samenhangende verschoningsrecht betreft alle gegevens die onder art. 67 AWR vallen en nog niet door de belastingdienst bekend zijn gemaakt (Hoge Raad 20 januari 196, ECLI:NL:HR:1966:AC4618). De omstandigheden dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.