Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-007398-14 Uitspraak d.d.: 22 januari 2016 TEGENSPRAAK Promis Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 3 december 2014 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-712257-11 en 16-661395-13, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [1973] , wonende te [woonplaats] , [adres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M. Lochs, naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Verdachte is bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 3 december 2014 vrijgesproken voor feit 4 onder parketnummer 16/712257-11. Tegen het voornoemde vonnis is door verdachte hoger beroep ingesteld. Voor zover het hoger beroep van verdachte is gericht tegen de vrijspraak van het onder 4 van parketnummer 16/712257-11 tenlastegelegde feit, zal het hof verdachte in het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren nu op grond van artikel 404 van het Wetboek van Strafvordering tegen een vrijspraak voor de verdachte geen hoger beroep is opengesteld. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het op enkele punten tot een andere beslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat: Zaak met parketnummer 16-712257-11: 1 primair:hij op een of meer tijdstippen in de periode van 19 januari 2010 tot en met 28 februari 2011 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (telkens) - vanaf bankrekeningnummer(
(2012), 11 november 2012, 10 november 2012, 9 november 2012, 8 november 2012, 7 november 2012, 5 november 2012, 3 november 2012 en 29 oktober 2012. In het dossier bevinden zich eveneens kopieën van kaartjes van verdachte aan aangeefster, namelijk een kaartje van 14 november 2012 en van 31 oktober 2012. In haar aanvullende verklaring heeft [benadeelde 2] aangegeven dat zij na haar aangifte van 6 december 2012 nog door verdachte is benaderd. Zij heeft op 21 december 2012 een kerstkaart van hem ontvangen en zij is op Tweede Kerstdag twee keer door hem gebeld. Verdachte heeft verklaard dat hij haar wel een aantal keren gebeld en best wel gesms’t en gemaild heeft nadat de relatie was beëindigd. Als verdachte wordt voorgehouden dat hij haar 200 keer gebeld heeft, 133 WhatsApp berichten heeft gestuurd en 20 mails en 3 kaartjes heeft gestuurd, geeft hij aan dat hij zich kan voorstellen dat dat een inbreuk is op haar privacy. Verwerping bewijsverweren Parketnummer 16-712257-11 Feit 1 In de eerste plaats is door de raadsvrouw aangevoerd dat de wederrechtelijkheid zoals tenlastegelegd onder feit 1 van parketnummer 16-712257-11 onvoldoende is komen vast te staan. Volgens de raadsvrouw blijkt slechts uit de verklaring van [benadeelde 1] dat de overboekingen wederrechtelijk zouden zijn, terwijl er redenen zijn om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van die verklaringen van [benadeelde 1] . Het hof is het op beide punten niet eens met de raadsvrouw. Zo is er wel sprake van ander bewijs dat de verklaringen van [benadeelde 1] met betrekking tot de wederrechtelijkheid bevestigt. Dit bewijs betreft het door verdachte opgestelde ‘ [onderzoeksbureau] - rapport’. Verdachte heeft dit rapport overhandigd aan [benadeelde 1] en gedaan alsof dit rapport in opdracht van hem door het onderzoeksbureau [onderzoeksbureau] was opgesteld. In dat rapport staat vermeld dat de SNS-Bank fouten heeft gemaakt en wordt gesproken over gekoppelde bankrekeningen. Verdachte heeft hiermee getracht aangeefster te overtuigen van zijn verhaal dat hij haar eerder had verteld. Dat verhaal luidde dat bij de SNS-Bank fouten waren gemaakt waardoor er verkeerde koppelingen waren ontstaan en het geld dat bij verdachte afgeschreven had moeten worden bij aangeefster werd afgeschreven. Dit verhaal dat verdachte – nadat aangeefster aangifte had gedaan - probeerde te onderbouwen met het ‘ [onderzoeksbureau] -rapport’, was niet nodig (en zelfs niet logisch) geweest als aangeefster zelf (of verdachte met toestemming van aangeefster) de bedragen had overgeboekt van haar rekening naar de rekening van de verdachte. Hetgeen verdachte in het [onderzoeksbureau] rapport heeft geschreven past geheel bij de verklaring van aangeefster dat het geld zonder dat zij het wist (en dus zonder dat zij daar toestemming voor had gegeven) van haar bankrekeningen werd afgeschreven en verdachte haar door allerlei verhalen er van trachtte te overtuigen dat niet hij, maar de bank fouten had gemaakt. De raadsvrouw acht het onbegrijpelijk dat aangeefster pas in april 2011 aangifte doet, terwijl zij al in mei 2010 zou hebben ontdekt dat het spaargeld van haar rekeningen was verdwenen, welke onbegrip er toe leidt dat de raadsvrouw de verklaringen van aangeefster minder geloofwaardig acht. Aangeefster heeft bij de politie echter uitgelegd waarom zij zo laat aangifte heeft gedaan. Dat was niet omdat zij er pas in april 2011 achter kwam dat er (opnieuw) geldbedragen van haar rekening waren overgeschreven, maar omdat verdachte haar al die tijd aan het lijntje had gehouden, onder meer door net te doen alsof hij contact had met zijn advocaat en hij van die advocaat te horen had gekregen dat aangeefster een schadevergoeding zou ontvangen van de bank als gevolg van de fouten die de bank had gemaakt. Hoe ver verdachte ging met zijn pogingen om aangeefster er van te overtuigen dat de overschrijvingen een gevolg waren van fouten van de bank, blijkt uit het door hem opgestelde ‘ [onderzoeksbureau] -rapport’ dat hij in juni 2011 aan aangeefster overhandigde. De reden dat aangeefster zo laat aangifte heeft gedaan was dus een gevolg van de leugens die verdachte aangeefster vertelde en welke leugens aangeefster een tijd lang heeft geloofd of heeft willen geloven. Het hof vindt verder – anders dan de raadsvrouw – dat voldoende vaststaat dat verdachte gebruik heeft gemaakt van een valse sleutel, namelijk het gebruik van identifiers die behoorden bij bankrekeningen van aangeefster zonder toestemming van aangeefster. Aangeefster heeft namelijk verklaard dat toen zij op 27 mei 2010 telefonisch contact had met een medewerker van de SNS-bank, haar werd verteld dat er geldbedragen waren overgeschreven met identifier nummer [identifier] , welk nummer niet in haar bezit was. Ten aanzien van de bedragen die overgemaakt zijn van de rekening van aangeefster bij de Triodos Bank naar de rekening van verdachte, gaat het hof er eveneens van uit dat verdachte daarbij ook onbevoegdelijk gebruik heeft gemaakt van de identifier die hoorde bij de bankrekening van aangeefster. Aangeefster heeft verklaard dat het geld zonder haar toestemming werd overgemaakt en dat de (normale) handelwijze met betrekking tot het overmaken van het geld bij de Triodos Bank hetzelfde was als bij de SNS Bank. Niet is gebleken dat het geld op andere wijze kon worden overgemaakt dan met behulp van een identifier, waardoor het hof er van uitgaat dat ook ten aanzien van de bankrekening bij de Triodosbank de verdachte het geld heeft overgemaakt door onbevoegdelijk gebruik te maken van de identifier van aangeefster. Voorwaardelijk verzoek Het verzoek om Mangan te horen wijst het hof af. Verdachte is niet in enig belang geschaad door Mangan niet te horen, dan wel het verzoek is onvoldoende onderbouwd. Het hof gaat er daarbij van uit dat de verdediging Mangan wil horen omtrent de bijzonderheden van internetbankieren bij de SNS-Bank en niet ten aanzien van de bijzonderheden bij de Triodos Bank, nu Mangan bij die laatste bank (voor zover bekend) niet werkzaam is of was. Voor de bewezenverklaring is niet relevant of verdachte in de bewezenverklaarde periode slechts gebruik maakte van de identifier met nummer [identifier] of ook nog onbevoegd gebruik maakte van een andere identifier. De vraag of het zonder identifier mogelijk is om kennis te nemen van het saldo, acht het hof eveneens niet relevant voor enig in de zaak te nemen beslissing. De vraag of zonder identifier overschrijvingen gedaan zouden kunnen worden, zou wel relevant kunnen zijn, ware het niet dat het verzoek op dat punt onvoldoende onderbouwd is. Immers hierboven is al uiteen gezet dat de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte vast staat. Verdachte heeft zonder toestemming van aangeefster bedragen van haar rekening naar zijn rekening overgeschreven. Het kan daarbij in de ogen van het hof niet anders dan dat verdachte (onbevoegdelijk) de beschikking heeft gehad over de identifiers die destijds hoorden bij de bankrekeningen van aangeefster. In het volgens het hof zeer onwaarschijnlijke geval dat het geld op andere wijze overgemaakt werd naar de bankrekening van verdachte dan met behulp van een identifier, heeft verdachte dit dus geweten. Het is het hof dan- in verband met het ontbreken van een nadere onderbouwing - niet duidelijk geworden waarom de verdediging informatie wil, die de verdachte zelf al heeft. Feit 2 Het hof acht – anders dan is betoogd door de raadsvrouw - voldoende vaststaan dat verdachte het ‘ [onderzoeksbureau] -rapport’ heeft opgesteld en heeft gebruikt door het aan [benadeelde 1] te overhandigen. Dat gebruik blijkt niet alleen uit het feit dat [benadeelde 1] dit verklaard heeft, maar past ook binnen de context van haar verklaringen die er op neer komen dat verdachte wederrechtelijk bedragen heeft overgemaakt van haar bankrekeningen naar zijn bankrekeningen en vervolgens getracht heeft haar wijs te maken dat die bedragen naar zijn bankrekeningen waren overgemaakt als gevolg van fouten bij de bank. Dat het verdachte was die het rapport valselijk heeft opgemaakt leidt het hof af uit de inhoud, waarvoor kennis van de betreffende feiten nodig was, (welke kennis verdachte had), de omstandigheid dat verdachte belang had bij de inhoud van het rapport (welke inhoud in het verlengde lag van de leugens die verdachte aangeefster had verteld) en het taalgebruik. Het taalgebruik in het rapport komt namelijk overeen met het taalgebruik in de brief die aangeefster [benadeelde 2] zogenaamd van de Rabobank (maar feitelijk van verdachte) ontving. In beide documenten valt op dat daar waar ‘uw’ moet staan ‘u’ staat. Ook is het hof – anders dan de raadsvrouw – van oordeel dat het document een bewijsbestemming had. Het document, dat zogenaamd afkomstig was van een (onafhankelijk) onderzoeksbureau – moest (onder meer) aantonen en (daardoor) aangeefster er van overtuigen dat er fouten waren gemaakt door de SNS Bank, door [kredietverstrekker 1] , door de advocaat van verdachte en dat verdachte op 6 mei 2011 aan aangeefster een aangetekende brief heeft verzonden met daarin € 45.000 (maar welke brief niet bij aangeefster is aangekomen). Feit 5 De verklaring van aangeefster [benadeelde 1] dat zij door de verdachte in de tenlastegelegde periode werd belaagd vindt voldoende steun in ander bewijsmateriaal, met name de verklaring die de toenmalige buurvrouw van aangeefster heeft afgelegd. Het hof ziet geen aanleiding om de periode, zoals betoogd door de raadsvrouw, te verkorten. In ieder geval was in die periode sprake van belaging. Dat verdachte en aangeefster mogelijk contact hebben gehad in verband met de financiële afwikkeling van het een en ander, zoals in het kader van het opstellen van het convenant, maakt niet dat van belaging geen sprake kan zijn. Aangeefster kreeg sms’jes waarin stond dat verdachte haar in de gaten hield en verdachte hield haar ook daadwerkelijke in de gaten door zich vaak in de buurt van haar woning op te houden. Verdachte moet hebben geweten dat hij (ook) daardoor wederrechtelijk inbreuk maakte op de levenssfeer van aangeefster. Gelet op de door aangeefster gegeven opsomming van inbreuken, is sprake van stelselmatigheid. parketnummer 16-661395-13 Feit 1 Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de verklaring van [benadeelde 2] – namelijk dat verdachte zonder haar toestemming geld van haar rekening heeft gepind - voldoende bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal. In het dossier bevindt zich een brief, zogenaamd van de Rabobank, waarin wordt gezegd dat er door de Rabobank fouten zijn gemaakt met betrekking tot de pintransacties. Deze brief zou het verhaal van verdachte aan aangeefster moeten bevestigen dat door een fout van de bank bedragen die verdachte (met zijn pinpas) pinde bij aangeefster werden afgeschreven. Het kan niet anders dan dat deze brief is opgesteld door de verdachte. Hierboven is al opgemerkt dat in die brief – net als in het ‘ [onderzoeksbureau] -rapport’ dat verdachte had overhandigd aan [benadeelde 1] – in plaats van ‘uw’ ‘u’ wordt geschreven. Het opstellen van een dergelijke brief past ook geheel bij de handelwijze van verdachte zoals die is gebleken in de zaak van [benadeelde 1] , namelijk het zich wederrechtelijk toe-eigenen van geldbedragen en vervolgens het slachtoffer ervan proberen te overtuigen dat hij als gevolg van een fout bij de bank in het bezit is gekomen van het geld van het slachtoffer. Feit 2 Het hof is van oordeel dat verdachte door het aannemen van een valse naam en samenweefsel van verdichtsels [benadeelde 2] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld. Verdachte noemde zich tegenover [benadeelde 2] [verdachte] [valse achternaam] . Zijn eigen naam wilde hij niet gebruiken omdat hij als gevolg van het programma ‘Opgelicht’ negatief in het nieuws was gekomen. Aangeefster, die niet wist dat ze te maken had met [verdachte] , vertrouwde de man die zij kende als [verdachte] [valse achternaam] en heeft met dat vertrouwen gedacht dat hij inderdaad zijn creditcard was vergeten en dat hij inderdaad de gegevens later zou veranderen, zodat niet zij maar hij (of zijn bedrijf) de autohuur zou betalen. Verdachte – die ter zitting heeft verklaard dat hij in die tijd geen inkomsten had – moet reeds bij het aangaan van de huurovereenkomst hebben geweten dat niet hij, maar zij de huur zou gaan betalen. De combinatie van leugens die verdachte aangeefster vertelde, namelijk dat hij zijn creditcard was vergeten en dat hij later de gegevens van zijn creditcard zou doorgeven (zodat niet zij zou opdraaien voor de huur) vormt een samenweefsel van verdichtsels. Dat verdachte gebruik wilde maken van de gehuurde auto die hij als gevolg van zijn bedrog tot zijn beschikking kreeg, maakt dat sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Dat mogelijk ook aangeefster gebruik heeft gemaakt van die auto doet daaraan niet af. Feit 4 De verklaring van aangeefster dat zij gedurende de tenlastegelegde periode is belaagd, vindt voldoende steun in andere bewijsmiddelen, zoals hierboven is weergegeven. Anders dan de raadsvrouw is het hof van oordeel dat aan het vereiste van artikel 342 lid 2 Sv is voldaan. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 1 primair, 2, 3 primair en 5 en in de zaak met parketnummer 16-661395-13 onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: Zaak met parketnummer 16-712257-11: 1 primair:hij op een of meer tijdstippen in de periode van 19 januari 2010 tot en met 28 februari 2011 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (telkens) - vanaf bankrekeningnummer(
- s)[rekeningnummer 1] en/of [rekeningnummer 2] en/of [rekeningnummer 3] en/of [rekeningnummer 4] en/of [rekeningnummer 5] bij de SNS Bank 65, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(
- en)geld (van (in totaal) 40.695 euro), in elk geval enig goed, en/of - vanaf bankrekeningnummer [rekeningnummer 6] bij de Triodos Bank zes, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(
- en)geld (van (in totaal) 3000,10 euro), in elk geval enig goed, toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander dan verdachte, zulks terwijl hij (telkens) die hoeveelhe(i)d(
- en)geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (te weten (een) bankpas(sen) ten name van die [benadeelde 1] met de bijbehorende pincode(
- s)en/of de bankrekeningnummer(
- s)van die [benadeelde 1] en/of de (daarbij behorende) toegangcode(
- s)tot internetbankieren met (de daarbij behorende) zogenaamde identifier(
- s)en/of digipas(sen)). 2:hij op één of meer tijdstip(pen) in om of omstreeks de periode van 8 juni 2011 tot en met 12 juni 2011 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, een schriftelijk stuk dat een onderzoeksrapport van [onderzoeksbureau] moest voorstellen, in elk geval een schriftelijk stuk - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar valselijk/in strijd met de waarheid zelf een stuk geschreven wat een onderzoeksrapport van [onderzoeksbureau] moest voorstellen en dit stuk voorzien van (onder meer) de naam en/of de adresgegevens en/of het logo van [onderzoeksbureau] , zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en/of hij op of omstreeks 12 juni 2011 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst onderzoeksrapport van [onderzoeksbureau] , in elk geval een vals of vervalst schriftelijk stuk - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande die valsheid uit het vermeld zijn van de gegevens van [onderzoeksbureau] op dit niet door [onderzoeksbureau] geschreven stuk en bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij dit onderzoeksrapport/schriftelijk stuk heeft getoond/overhandigd aan [benadeelde 1] teneinde die [benadeelde 1] te overtuigen van zijn onschuld en/of te bewegen tot het teniet doen van een inschuld. 3 primair:hij in of omstreeks de periode van 15 juni 2010 tot en met op 17 juni 2010 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, een overeenkomst niet-doorlopend geldkrediet, in elk geval een schriftelijk stuk - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte toen en daar valselijk/in strijd met de waarheid op deze/dit overeenkomst/schriftelijk stuk (onder meer) de naam en/of de adresgegevens en/of de geboortedatum geplaatst/gezet en/of voorzien van een handtekening, die de handtekening van [benadeelde 1] moest voorstellen, althans van een andere handtekening dan die van hem zelf, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en/of hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 juni 2010 tot en met 17 juni 2010 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse of vervalste overeenkomst niet-doorlopend geldkrediet, in elk geval een vals of vervalst schriftelijk stuk - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij deze/dit overeenkomst/schriftelijk stuk heeft opgestuurd naar [kredietverstrekker 1] B.V. en/of [kredietverstrekker 2] B.V. teneinde [kredietverstrekker 1] B.V. en/of [kredietverstrekker 2] B.V. te bewegen tot de afgifte van een geldlening en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die overeenkomst/dat schriftelijk stuk valselijk/in strijd met de waarheid (onder meer) de naam en/of de adresgegevens en/of de geboortedatum en/of de handtekening van [benadeelde 1] was/waren ingevuld. 5:hij een of meermalen in of omstreeks de periode van 13 april 2011 tot en met 4 september 2011 te Amersfoort en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een persoon, genaamd [benadeelde 1] , in elk geval van een ander, (telkens) met het oogmerk die persoon, in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte wederrechtelijk opzettelijk stelselmatig met voornoemd oogmerk, - op een aantal verschillende tijdstippen voornoemd persoon per (mobiele en/of vaste) telefoon gebeld en/of tekstberichten gestuurd, en/of - op een aantal verschillende tijdstippen naar/langs de door voornoemd persoon in [plaats] bewoonde woning gegaan en/of gelopen en/of gefietst, en/of - op een aantal verschillende tijdstippen een e-mail aan voornoemd persoon gestuurd, en/of - op verschillende tijdstippen bloemen aan voornoemd persoon gestuurd, en/of - op verschillende tijdstippen buren van, althans een ander dan voornoemd persoon verzocht hem, verdachte, toe te laten tot de/het (gemeenschappelijke) hal/trappenhuis van voornoemd persoon. Zaak met parketnummer 16-661395-13 (gevoegd): 1 :hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 oktober 2012 tot en met 16 oktober 2012 te Utrecht en/of Nes, in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit meerdere, althans een geldautoma(a)t(
- en)heeft weggenomen - een geldbedrag van 250 euro op 29 september 2012, en/of - een geldbedrag van 100 euro op 6 oktober 2012, en/of - een geldbedrag van 250 euro op 13 oktober 2012, en/of - een geldbedrag van 100 euro op 15 oktober 2012, en/of - een geldbedrag van 350 euro op 15 oktober 2012, en/of - een geldbedrag van 250 euro op 16 oktober 2012, in elk geval meerdere, althans (een), hoeveelhe(i)d(
- en)geld (van in totaal 1050 euro), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte (telkens) dat/die weg te nemen (een) hoeveelhe(i)d(
- en)geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (te weten een bankpas en/of creditcard ten name van [benadeelde 2] met de bijbehorende pincode(s)). 2:hij op of omstreeks 25 juli 2012 te Utrecht, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(
- en)wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgre(e)p(
- en)en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 2] heeft bewogen tot het aangaan van een schuld, hebbende en/of zijnde verdachte met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid ten behoeve van voornoemde schuld (telkens) - zich voorgedaan als hebbende de achternaam [valse achternaam] , althans met een andere achternaam als verdachte heeft, en/of - voorgewend dat hij in het bezit was van een rijbewijs, en/of - onder het voorwendsel dat hij (op eigen naam) een auto (voor zijn werk) wilde huren met die [benadeelde 2] naar een autoverhuurbedrijf gegaan, en/of - voorgewend dat hij zijn eigen creditcard was vergeten, en/of - gevraagd of die [benadeelde 2] haar creditcard beschikbaar wilde stellen voor het huurcontract, waarbij hij een dag later zijn creditcard aan dit huurcontract zou koppelen in plaats van de creditcard van die [benadeelde 2] , en/of - de (NAW-)gegevens van die [benadeelde 2] op een huurcontract ingevuld, zulks terwijl die [benadeelde 2] hier niet van op de hoogte was, waardoor die [benadeelde 2] werd bewogen tot het aangaan van voornoemde schuld. 4:hij een of meermalen in of omstreeks de periode van 27 oktober 2012 tot en met 26 december 2012 te Utrecht en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een persoon, genaamd [benadeelde 2] , in elk geval van een ander dan verdachte, (telkens) met het oogmerk die [benadeelde 2] , in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft/is verdachte toen en daar (telkens) wederrechtelijk met dat opzet en voornoemd oogmerk, - op een aantal verschillende tijdstippen voornoemd persoon op haar (mobiele en/of vaste) telefoon gebeld en/of tekstberichten gestuurd, en/of - op een aantal verschillende tijdstippen, althans eenmaal, het (nieuwe) mobiele telefoonnummer van voornoemd persoon weten te achterhalen, en/of - op een aantal verschillende tijdstippen naar het bedrijf waar voornoemd persoon werkzaam was gebeld en/of zich heeft voorgedaan als iemand anders dan verdachte om voornoemd persoon aan de telefoon te krijgen, en/of - op een aantal verschillende tijdstippen een e-mail aan voornoemd persoon gestuurd, en/of - op een aantal verschillende tijdstippen een brief en/of postkaart aan voornoemd persoon gestuurd, en/of - op een aantal verschillende tijdstippen naar de door voornoemd persoon in Utrecht bewoonde woning gegaan. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 1 primair bewezen verklaarde levert op: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd. Het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 2 en 3 primair bewezen verklaarde levert op: telkens: de voortgezette handeling van valsheid in geschrift en opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst. Het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 5 bewezen verklaarde levert op: belaging. Het in de zaak met parketnummer 16-661395-13 onder 1 bewezen verklaarde levert op: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd. Het in de zaak met parketnummer 16-661395-13 onder 2 bewezen verklaarde levert op: oplichting. Het in de zaak met parketnummer 16-661395-13 onder 4 bewezen verklaarde levert op: belaging. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- de volgende omstandigheden. Verdachte heeft van twee van zijn voormalige vriendinnen tijdens de relatie met hun geldbedragen weggenomen. Een van de aangeefsters heeft hij bestolen door met door hem onderschepte identifiers en codes bedragen van haar bankrekeningen over te boeken naar hemzelf, familie en derden aan wie hij betalingen schuldig was. Toen de aangeefster daar achter kwam heeft verdachte een rapport met de naam van een recherchebureau opgesteld en dat aan haar overhandigd, waarmee hij wilde aantonen dat de geldbedragen door een fout van de bank bij hem terecht zijn gekomen. Daarnaast heeft hij op naam van aangeefster [benadeelde 1] een lening afgesloten van 20.000 euro, waarbij hij haar handtekening heeft vervalst, en heeft hij dat geldbedrag in delen naar zichzelf overgeschreven nadat de kredietverstrekker het aan aangeefster had uitgekeerd. Daarnaast heeft hij de andere aangeefster bestolen door meermalen zonder haar toestemming geld te pinnen met haar bankpas en pincode die zij een keer aan hem had gegeven en heeft hij [benadeelde 2] meegenomen naar een autoverhuurbedrijf en haar bewogen een schuld aan te gaan, omdat hij zogenaamd zijn creditcard was vergeten. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een hele reeks diefstallen van personen met wie hij een liefdesrelatie onderhield en die hem vertrouwden. Tijdens deze relaties heeft verdachte op allerlei manieren geprobeerd deze feiten aan een ander toe te schrijven, waarbij hij niet schroomde valselijk stukken op te maken. Verdachte heeft uit het plegen van deze strafbare feiten eigen financieel voordeel getrokken en onderhavige feiten hebben grote financiële gevolgen gehad voor de slachtoffers. Daarnaast heeft verdachte het vertrouwen geschonden van aangeefsters. Uit de slachtofferverklaring zoals aangeefster [benadeelde 1] deze tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft voorgelezen blijkt dat zij thans nog dagelijks zowel materieel als psychisch de gevolgen van het handelen van verdachte ondervindt. Het hof rekent dit verdachte zwaar aan. Daarnaast heeft verdachte zich na het beëindigen van de relaties door aangeefsters gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan de belaging van hen onder andere door veelvuldig te bellen en berichten te sturen. Daarmee heeft verdachte bij aangeefsters gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich in die periodes volledig heeft laten leiden door zijn eigen gevoelens en zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de gevoelens van de slachtoffers. Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof rekening gehouden met het beknopte Reclasseringsadvies dat op 20 mei 2014 over verdachte is opgemaakt en waarin staat vermeld dat het ondoenlijk is de situatie van verdachte goed in kaart te brengen, aangezien de door verdachte verstrekte informatie onvolledig is en in een enkel geval onjuist. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de gegevens zoals deze blijken uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 december 2015, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld terzake verduistering, oplichting en flessentrekkerij. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat gelet op de bewezenverklaarde feiten en de persoon van verdachte geen andere straf past dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Ter zitting heeft de advocaat-generaal verzocht het onderzoek ter zitting aan te houden zodat een onderzoek gedaan zou kunnen worden naar de persoon van de verdachte. Het hof heeft ter zitting dat verzoek afgewezen. Na de behandeling ter zitting is het hof niet alsnog tot het oordeel gekomen dat het onderzoek noodzakelijk is. Het heeft daarbij rekening gehouden met verschillende belangen. Eén van die belangen betreft de voortvarendheid van de procedure. Het hof merkt op dat het gaat om feiten die langer geleden zijn gepleegd en dat de verdediging zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gesteld heeft dat het recht van verdachte op behandeling binnen een redelijke termijn is geschonden. In hoger beroep is de behandeling van de zaak (op verzoek van de verdachte) reeds twee maal aangehouden. Ook bij de rechtbank is de behandeling van de zaak een keer op verzoek van de verdachte aangehouden. Het belang van een voortvarende afhandeling komt verder in het gedrang als het onderzoek ter zitting zou worden heropend. Een ander belang waarmee het hof rekening heeft gehouden, betreft het belang van een juiste strafoplegging, in die zin dat de straf bijdraagt aan het tegengaan van recidive. Gelet op dat belang was rapportage over de verdachte (er van uitgaande dat verdachte had meegewerkt aan het onderzoek) op zich wenselijk geweest en had rapportage kunnen leiden tot het opleggen van bijzondere voorwaarden. Het is evenwel niet zo dat slechts het opleggen van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel kunnen bijdragen aan het terugdringen van recidive. Het hof wijst er op dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf een preventief effect kan hebben en dat reeds in de detentiefase en/of in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling een begin kan worden gemaakt met een eventuele behandeling en dat na afloop hiervan deze op vrijwillige basis kan worden voortgezet. Het belang van het tegengaan van recidive noopt daarom naar het oordeel van het hof niet tot heropening van het onderzoek ter zitting. Door de verdediging is nog aangevoerd dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, nu verdachte reeds op 1 maart 2012 voor het eerst als verdachte is gehoord en in eerste aanleg meer dan twee en een half jaar later vonnis is gewezen. Met de verdediging is het hof van oordeel dat de berechting van de zaak in eerste aanleg lang heeft geduurd, nu het vonnis dateert van 3 december 2014 en verdachte, zoals hiervoor is verwoord, reeds op 1 maart 2012 als verdachte is gehoord en verdachte vanaf dat moment in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het hof is evenwel niet van oordeel dat het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn is geschonden, nu verdachte na zijn verhoor in maart 2012 verder is gegaan met het plegen van strafbare feiten, waardoor nieuw onderzoek nodig was. Verdachte is na maart 2012 in verband met een nieuwe aangifte tegen hem op 25 februari 2013 verhoord. Dat is tevens het laatste verhoor van verdachte geweest. Daarbij komt dat de zaak – ondanks het feit dat de zaak twee keer op verzoek van verdachte is aangehouden en er op verzoek van verdachte bij de raadsheer-commissaris getuigen zijn gehoord - in hoger beroep met voortvarendheid is behandeld, zodat binnen vier jaar na het eerste verhoor en binnen drie jaar na het laatste verhoor arrest wordt gewezen. Het hof zal ten aanzien van de feiten in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 2 en 3 primair toepassing geven aan artikel 56 (voortgezette handeling) van het Wetboek van Strafrecht, nu het hof van oordeel is, dat deze bewezenverklaarde feiten in een zodanig verband met elkaar staan, dat zij kunnen worden geacht te zijn voortgekomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit. Op de dagvaarding in eerste aanleg zijn als ad informandum gevoegde strafbare feiten opgenomen een oplichting in de periode van 23 september tot en met 16 november 2011 te Amsterdam en een verduistering op 27 oktober 2012 te Utrecht. Nu verdachte beide ad informandum gevoegde feiten niet bekent, zal het hof bij de bepaling van de strafmaat daar geen rekening mee houden. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 29.777,50. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 29.777,50. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 1 primair, 2, 5 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van de door [benadeelde 1] gevorderde bedragen betreffende de gepinde geldbedragen is het hof van oordeel dat geen sprake is van rechtstreekse schade in verband met de vrijspraak van verdachte op dit punt en wat betreft het eigen risico zorgverzekering is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering op dit punt een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Vordering van de benadeelde partij [kredietverstrekker 1] Bv De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 19.500,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 3 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.837,87. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.203,07. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 16-661395-13 onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van het door [benadeelde 2] gevorderde bedrag betreffende een bril die verdachte gekocht zou hebben, is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering op dat punt een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 56, 57, 63, 225, 285b, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 4 ten laste gelegde. Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-661395-13 onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 1 primair, 2, 3 primair en 5 en in de zaak met parketnummer 16-661395-13 onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 1 primair, 2, 3 primair en 5 en in de zaak met parketnummer 16-661395-13 onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 1 primair, 2, 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 28.375,50 (achtentwintigduizend driehonderdvijfenzeventig euro en vijftig cent) bestaande uit € 27.095,50 (zevenentwintigduizend vijfennegentig euro en vijftig cent) materiële schade en € 1.280,00 (duizend tweehonderdtachtig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij. Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 1 primair, 2, 5 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 28.375,50 (achtentwintigduizend driehonderdvijfenzeventig euro en vijftig cent) bestaande uit € 27.095,50 (zevenentwintigduizend vijfennegentig euro en vijftig cent) materiële schade en € 1.280,00 (duizend tweehonderdtachtig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 170 (honderdzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 13 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. Vordering van de benadeelde partij [kredietverstrekker 1] Bv Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [kredietverstrekker 1] Bv ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 3 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 19.500,00 (negentienduizend vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [kredietverstrekker 1] Bv, ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 3 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 19.500,00 (negentienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 127 (honderdzevenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-661395-13 onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.203,07 (zevenduizend tweehonderddrie euro en zeven cent) bestaande uit € 6.203,07 (zesduizend tweehonderddrie euro en zeven cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij. Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 16-661395-13 onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 7.203,07 (zevenduizend tweehonderddrie euro en zeven cent) bestaande uit € 6.203,07 (zesduizend tweehonderddrie euro en zeven cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 68 (achtenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 28 oktober 2012 tot aan de dag der algehele voldoening. Aldus gewezen door mr. J.D. den Hartog, voorzitter, mr. J.A.W. Lensing en mr. H.H.M. van Dijk, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, en op 22 januari 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken. De hieronder onder 1 tot en met 23 genoemde bewijsmiddelen zijn als bijlagen gevoegd bij het stamproces-verbaal, nummer 2011082735 (pagina 2-15), in de wettelijke vorm opgemaakt op 7 maart 2012 door [verbalisant 1] , buitengewoon opsporingsambtenaar. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , nummer PL0940-2011082735-1 (pagina 16-19), in de wettelijke vorm opgemaakt op 13 april 2011 door [verbalisant 2] , buitengewoon opsporingsambtenaar. Het proces-verbaal van verhoor van [benadeelde 1] , nummer 2011082735 (pagina 42-44), in de wettelijke vorm opgemaakt op 3 februari 2012 door [verbalisant 1] , voornoemd. Idem noot 1 (p. 19-20). Het proces-verbaal van verhoor van [benadeelde 1] , nummer PL0940 2011082735-2 (pagina 25-26), in de wettelijke vorm opgemaakt op 23 augustus 2011 door [verbalisant 3] , hoofdagent. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten rekeningoverzichten van SNS bank op naam van [benadeelde 1] van rekening-courant [rekeningnummer 1] , van SNS basis betalen [rekeningnummer 2] , van SNS spaarmixrekening [rekeningnummer 4] , van SNS maxisparen [rekeningnummer 5] en van SNS internetsparen [rekeningnummer 3] , allen van 01-01-2010 t/m 14-04-2011. (pagina 49-66) Idem noot 4. Idem noot 4 (p. 29). Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een overzicht van rekeningnummer [rekeningnummer 8] . (pagina 134-140). Het proces-verbaal van bevindingen ex artikel 126nd Strafvordering, nummer 2011082230 (pagina 132-133), in de wettelijke vorm opgemaakt op 26 januari 2012 door [verbalisant 12] . Idem noot 4 (p. 30). Het proces-verbaal van bevindingen ex artikel 126nd Strafvordering, nummer 2011082230 (pagina 163-164), in de wettelijke vorm opgemaakt op 20 januari 2012 door [verbalisant 1] , voornoemd. Idem noot 4 (pagina 29-30). Het proces-verbaal van aangifte van [directeur] , nummer PL0960 2011168993-1 (pagina 45-48), in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 juli 2011 door [verbalisant 4] , buitengewoon opsporingsambtenaar. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering. (pagina 99-106). Idem noot 1 (pagina 21). Idem noot 4 (pagina 32-33). Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering. (pagina 171). Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering. (pagina 172-173). Idem noot 5 (pagina 53). Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, nummer 2011082735 (pagina 218), in de wettelijke vorm opgemaakt op 1 maart 2012 door [verbalisant 5] , buitengewoon opsporingsambtenaar, en [verbalisant 1] , voornoemd. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] , nummer PL0940-2011199487-1 (pagina 248-251), in de wettelijke vorm opgemaakt op 4 september 2011 door [verbalisant 6] , surveillant van politie. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] (pagina 276-277), in de wettelijke vorm opgemaakt op 13 februari 2012 door [verbalisant 1] , voornoemd. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, nummer 2011082735 (pagina 270), in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 maart 2012 door [verbalisant 5] en [verbalisant 1] , beiden voornoemd. De hieronder onder 24 tot en met 34 en 36 tot en met 53 genoemde bewijsmiddelen zijn als bijlagen gevoegd bij het stamproces-verbaal, nummer PL091A 2013048926 (pagina 02-03), in de wettelijke vorm opgemaakt op 3 maart 2013 door [verbalisant 7] , hoofdagent van politie. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] , nummer PL0910 2012241210-1 (pagina 08), in de wettelijke vorm opgemaakt op 28 oktober 2012 door [verbalisant 8] , buitengewoon opsporingsambtenaar. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 19 november 2014. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 105-107). Geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten rekeningafschriften van Rabo TotaalRekening [rekeningnummer 9] op naam van [benadeelde 2] over de periode van 05-10-2012 tot en met 05-11-2012 (pagina 108-110). Idem noot 24 (pagina 11). Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 17). Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 8 januari 2016. Idem noot 23 (pagina 10-11). Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een rekeningafschrift Rabocard met rekeningnummer [rekeningnummer 9] op naam van [benadeelde 2] over de periode van 23-09-2012 tot en met 08-10-2012 (pagina 18). Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] (pagina 102-103), in de wettelijke vorm opgemaakt op 1 april 2014 door [verbalisant 9] , voornoemd. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, nummer 2012260353 (pagina 98-99), in de wettelijke vorm opgemaakt op 25 februari 2013 door [verbalisant 7] , voornoemd. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 8 januari 2016. Het proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie, nummer PL0910 2012260353-2 (pagina 90), in de wettelijke vorm opgemaakt op 6 december 2012 door [verbalisant 10] , hoofdinspecteur van politie. Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2] , nummer PL0910 2012260353-1 (pagina 41-42), in de wettelijke vorm opgemaakt op 14 december 2012 door [verbalisant 11] , brigadier van politie. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 43). Idem noot 38. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 49). Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 50). Geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 53-54). Geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 55-56). Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 57). Geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 58-60). Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 60). Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 80). Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 76). Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 78). Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 51). Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering (pagina 77). Het proces-verbaal van verhoor van [benadeelde 2] , nummer PL091A 2012260353-3 (pagina 88-89), in de wettelijke vorm opgemaakt op 27 februari 2013 door [verbalisant 7] , voornoemd. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, nummer PL091A 2012260353-4 (pagina 96), in de wettelijke vorm opgemaakt op 3 maart 2013 door [verbalisant 7] , voornoemd.