← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2016:5313

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-001361-15 Uitspraak d.d.: 30 juni 2016 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 5 maart 2015 met parketnummer 18-830122-14 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1937, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 juni 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake het aan hem tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van 15.000,-- euro, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. F.H. Kappelhof, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Het hof vult de gronden aan met een overweging betreffende de deken die verdachte en zijn vrouw aan [slachtoffer] hebben gegeven. Daarom dient dat vonnis in zoverre met overneming en aanvulling van die gronden te worden bevestigd. Voor wat betreft de door de rechtbank opgelegde straf overweegt het hof dat aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en de motivering daarvan en de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in principe juist is. Echter, het hof is gebleken dat de rechtbank ten onrechte de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht niet in mindering heeft gebracht op de opgelegde straf. Daarnaast is tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat het slachtoffer en tevens benadeelde partij [slachtoffer] op 27 juli 2015 is overleden. In hoger beroep heeft [gemachtigde] zich als gemachtigde gevoegd als benadeelde partij. Het hof zal derhalve de beslissing omtrent de benadeelde partij vernietigen en deze vordering zal moeten worden toegewezen aan de erven van benadeelde partij [slachtoffer] . Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep op die onderdelen - op formele gronden - worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan. Aanvulling gronden Het hof voegt aan de gronden toe de verklaring van de vrouw van verdachte, [getuige] . Bij de politie heeft [getuige] op 8 januari 2014 verklaard op de vraag in hoeverre de door verdachte en zijn vrouw aan [slachtoffer] geschonken deken een deken betrof waaronder zij zelf hebben gelegen: "Dat was een éénpersoons deken, wij sliepen onder een tweepersoons deken. Dus de deken die [slachtoffer] heeft gekregen was een deken van één van de kinderen. Voor onszelf hadden we een tweepersoons deken." Oplegging van straf en/of maatregel Zoals hiervoor overwogen sluit het hof zich aan bij de strafmotivering van de rechtbank voor wat betreft de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Ten onrechte heeft de rechtbank de dagen die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht niet in mindering gebracht op de straf. Derhalve zal het hof de straf vernietigen en ook een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren opleggen, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenishechtenis heeft doorgebracht. Vordering van de erven van de benadeelde partij [slachtoffer] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 25.000,

  1. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.000,
  2. Ter terechtzitting van het hof is gebleken dat [slachtoffer] op 27 juli 2015 is overleden. Mevrouw [gemachtigde] heeft zich als gemachtigde van de benadeelde partij in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Nu [slachtoffer] na het instellen van het hoger beroep is overleden zal de vordering worden toegewezen aan de erven van [slachtoffer] . Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen. Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Vordering van de erven van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de ervenerven van [slachtoffer] . Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af. Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil. Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1999 tot aan de dag der algehele voldoening. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de erven van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 15.000,00 (vijftienduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 110 (honderdentien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de erven van het slachtoffer niet opheft. Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de erven van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de erven van de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen. Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1999 tot aan de dag der algehele voldoening. Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. T.M.L. Wolters en mr. T.H. Bosma, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Schulte, griffier, en op 30 juni 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken. mr. G. Dam is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.