GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof: 200.155.684 (zaaknummer rechtbank Gelderland 2315448) arrest van de pachtkamer van 28 juni 2016 in de zaak van 1 [appellant 1] , wonende te [woonplaats] , 2. [appellante 2] , wonende te [woonplaats] , 3. [appellant 3] , wonende te [woonplaats] , 4. [appellant 4] , wonende te [woonplaats] , appellanten, hierna: tezamen [appellant 1] c.s. en verder: appellant onder 1: [appellant 1] , appellant onder 3: [appellant 3] , appellanten onder 2 t/m 4: de kinderen van [appellant 1] ; advocaat: mr. J.H. van Vliet, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [woonplaats] , geïntimeerde, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. C.M. Koopman. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 29 december 2015 hier over. 1.1 Het verdere verloop blijkt uit: - het proces-verbaal van comparitie van 1 juni 2016. 1.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2De beoordeling van de grieven en de vordering 2.1 Voorafgaand aan de zitting heeft [geïntimeerde] haar eis gewijzigd. [appellant 1] c.s. heeft desgevraagd ter zitting uitdrukkelijk ingestemd met de wijziging van eis. Het hof zal dan ook recht doen op de gewijzigde eis, inhoudende dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest 1. primair zal verklaren voor recht dat er geen (rechtsgeldige) pachtovereenkomst tot stand is gekomen tussen [appellant 1] en vader en dat [geïntimeerde] en de kinderen van [appellant 1] geen partij zijn bij die overeenkomst en subsidiair de pachtovereenkomst zoals neergelegd in de akte van 1 september 2004 zal vernietigen;2. zal verklaren voor recht dat er geen (rechtsgeldige) pachtovereenkomst tot stand is gekomen tussen [appellant 1] en/of [appellant 3] enerzijds en moeder anderzijds, althans tussen partijen, in ieder geval niet ten aanzien van de woning. 2.2 De gewijzigde eis betreft, evenals de oorspronkelijke eis, een zogenoemde negatieve verklaring voor recht. [appellant 1] c.s. heeft ter zitting aangevoerd dat de pachtkamer van het hof niet bevoegd is te beslissen over een dergelijke vordering. Het hof verwerpt dit verweer. Ten eerste heeft de verdelingsrechter de vordering tot een negatieve verklaring voor recht verwezen naar de pachtkamer in eerste aanleg. Aan die verwijzing is de pachtkamer gebonden; dit geldt tevens voor de pachtkamer in hoger beroep. In hoger beroep speelt de bevoegdheidskwestie ten aanzien van de vordering in eerste aanleg in zoverre geen rol meer (Hoge Raad 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0050, NJ 2007/89, [eiser] /Gemeente Franekeradeel en Hoge Raad 31 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0473, NJ 2009/486, [eisers] /DLO). Bovendien heeft [appellant 1] c.s. niet gegriefd tegen de bevoegdheid van de pachtkamer kennis te nemen van de vordering tot een negatieve verklaring voor recht. Ten tweede is de pachtkamer (van het hof) bevoegd om ook van vorderingen kennis te nemen die niet betrekkelijk zijn tot pacht, maar met de pachtzaak samenhangen (artikel 1019l Rv). Ten derde oordeelt het hof dat een negatieve verklaring voor recht in de zin dat er geen pachtovereenkomst bestaat, een vordering is ‘betreffende een pachtovereenkomst als bedoeld in de vijfde titel van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;’ (artikel 1019j Rv). Met de gevorderde negatieve verklaring voor recht wordt immers de vraag voorgelegd of de rechtsverhouding kwalificeert als een pachtovereenkomst of niet, en dat is bij uitstek een vraag die tot de bevoegdheid van de pachtrechter hoort. Deze vraag is tevens ‘het onderwerp van het geschil’ als bedoeld in artikel 71 lid 3 Rv waarin verwijzing naar de bevoegde rechter is geregeld. De vordering tot een negatieve verklaring voor recht is het spiegelbeeld van de vordering tot vastlegging van een pachtovereenkomst, die materieel dezelfde vraag voorlegt. Niet noodzakelijk is dat laatstgenoemde vordering tegelijkertijd – in conventie of in reconventie – aan de orde zou zijn; de bevoegdheid van de pachtrechter strekt zich ook uit over een zaak die beperkt is tot een negatieve verklaring voor recht. Tot slot overweegt het hof dat ook [appellant 1] c.s. zelf ter zitting heeft verklaard belang te hebben bij een beslissing door de pachtkamer op de gewijzigde eis. 2.3 De vordering van [geïntimeerde] strekt er toe vast te stellen dat [appellant 1] en/of [appellant 3] met haar vader noch haar moeder een pachtovereenkomst heeft/hebben gesloten. Zij heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat er geen sprake is van bedrijfsmatige landbouw, zodat om die reden al niet tot pacht kan worden geconcludeerd. Bij de vraag of sprake is van bedrijfsmatige landbouw geldt dat de (vermeende) pachter feitelijke gegevens dient te verstrekken ter motivering van de betwisting van de stellingen van de (vermeende) verpachter om deze voldoende aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijslevering. 2.4 In hoger beroep heeft [appellant 1] c.s. op verzoek van het hof stukken aangaande de paardenhouderij overgelegd. [appellant 1] heeft aangevoerd dat hij Gelderse paarden fokt, ook al vóór 2004, samen met zijn zoon [appellant 3] . 2.5 Het hof neemt veronderstellenderwijs aan - bewezen acht het hof het niet - dat de vader en/of moeder van [appellant 1] hem (en [appellant 3] ) op enig moment de hoeve, bestaande uit ongeveer 4 ha cultuurgrond en bedrijfsgebouwen, doch met uitzondering van het woonhuis, in gebruik heeft/hebben gegeven én dat [appellant 1] (met [appellant 3] ) daarvoor heeft betaald. De aldus ontstane rechtsverhouding tussen [appellant 1] (al dan niet met [appellant 3] ) en zijn ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.