GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof: 200.190.794 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 3195833) arrest van 12 juli 2016 in de zaak van [appellant] , wonende te [plaatsnaam] , appellant, in eerste aanleg: gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident, hierna: [appellant] , advocaat: mr. M.C. Spil, tegen: de stichting Stichting Studenten Huisvesting, h.o.d.n. SSH, gevestigd te Utrecht, geïntimeerde, in eerste aanleg: eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, hierna: SSH, niet verschenen. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 10 september 2014 en 9 maart 2016 die de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) heeft gewezen. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 2 mei 2016, - de inschrijving van de zaak in hoger beroep op de rol van 10 mei 2016, - de verstekverlening jegens SSH. 2.2 [appellant] is in de gelegenheid gesteld om overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, derde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (hierna: Wgbz) het op 10 mei 2016 geheven griffierecht binnen vier weken te betalen. De zaak is verwezen naar de roldatum 7 juni 2016, zijnde een termijn van vier weken gerekend vanaf 10 mei 2016, voor ‘Afwachten griffierecht appellant (Dagv)’. Op de roldatum 7 juni 2016 is geconstateerd dat de betaling door [appellant] nog niet had plaatsgevonden. Omdat de betaling door [appellant] op 7 juni 2016 tot 24.00 uur kon plaatsvinden, is de zaak aangehouden en verwezen naar de roldatum 14 juni 2016 om op die datum na te gaan of toch nog tijdige betaling door [appellant] had plaatsgevonden. Op laatstgenoemde roldatum is gebleken dat de betaling door [appellant] nog niet had plaatsgevonden. 2.3 In verband met de omstandigheid dat er geen tijdige betaling had plaatsgevonden van het griffierecht door [appellant] , heeft het hof de zaak verwezen naar de roldatum 28 juni 2016 voor ‘Akte appellant uitlating artikel 127a, tweede lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)’. [appellant] heeft op laatstgenoemde roldatum een 'akte ex art. 127a lid 2 Rv' genomen. Het hof heeft vervolgens arrest bepaald. 3De motivering van de beslissing 3.1 Ingevolge artikel 3, derde lid, Wgbz diende [appellant] ervoor te zorgen dat het door hem verschuldigde griffierecht binnen vier weken vanaf de eerste roldatum zou zijn bijgeschreven op de rekening van dit hof, dan wel ter griffie van dit hof zou zijn gestort. Die termijn liep af op 7 juni
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.