GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.177.480 (zaaknummer rechtbank Arnhem en rechtbank Gelderland 208814 onderscheidenlijk C/05/208814) arrest van 23 augustus 2016 in de incidenten ex artikel 351 Rv, subsidiair artikel 235 Rv en artikel 118 Rv 1de rechtspersoon naar vreemd recht Alstom, gevestigd te Levallois-Perret Cedex, Frankrijk, 2. de rechtspersoon naar vreemd recht Grid Solutions S.A.S.(voorheen Alstom Grid S.A.S.), gevestigd te Paris-La Défense Cedex, Frankrijk, 3. de rechtspersoon naar vreemd recht Cogelex, gevestigd te Paris-La Défense Cedex, Frankrijk, 4. de rechtspersoon naar vreemd recht Alstom Holdings, gevestigd te Levallois-Perret Cedex, Frankrijk, appellanten, tevens eiseressen in de incidenten, in eerste aanleg: gedaagden in de hoofdzaak en eiseressen in de incidenten, hierna: Alstom c.s., advocaat: mr. K.A.J. Bisschop, tegen: 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TenneT TSO B.V. en 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Saranne B.V., beiden gevestigd te Arnhem, geïntimeerde, tevens verweersters in de incidenten, in eerste aanleg: eiseressen in de hoofdzaak en verweersters in de incidenten, hierna: TenneT c.s., advocaat: mr. J.K. de Pree. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 26 oktober 2011, 29 februari 2012, 16 mei 2012 en 1 augustus 2012 die de rechtbank Arnhem en van 1 mei 2013, 14 augustus 2013, 24 september 2014, 15 april 2015 en 10 juni 2015, zoals gecorrigeerd op 10 juli 2015, die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem heeft gewezen. De vonnissen van 24 september 2014 en van 10 juni 2015 zijn gepubliceerd onder ECLI:NL:RBGEL:2014:6118 onderscheidenlijk ECLI:NL:RBGEL:2015:3713. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 augustus 2015, - de memorie van grieven tevens houdende incidentele vordering tot schorsing ex art. 351 Rv subsidiair tot zekerheidsstelling ex art. 235 Rv tevens verzoek tot oproeping ex art.118 Rv (met producties) van Alstom c.s., - het antwoord in het incident tot schorsing ex art. 351 Rv, subsidiair tot zekerheidsstelling ex art. 235 Rv tevens verzoek tot oproeping ex art. 118 Rv (met producties) van TenneT c.s., - de memorie van antwoord in het incident van ABB B.V. en ABB Ltd (hierna ABB c.s.), - de beschikking van het hof van 18 mei 2016, houdende van toepassing verklaring van ‘een vertrouwelijkheidsregime’ betreffende, kortweg, vertrouwelijke bedrijfsgegevens, - de akte houdende overlegging aanvullende productie d.d. 24 mei 2016 van Alstom c.s., - de beschikking van het hof van 14 juni 2016 betreffende, kortweg, uitbreiding van het hiervoor genoemde ‘vertrouwelijkheidsregime’, - de schriftelijke pleidooien in de incidenten namens Alstom c.s. en TenneT c.s. overeenkomstig de pleitnotities van mr. Bisschop onderscheidenlijk mr. De Pree voornoemd d.d. 21 juni 2016. 2.2 Vervolgens heeft het hof arrest bepaald in de incidenten. 3De motivering van de beslissing in de incidenten 3.1 Het gaat in deze zaak, voor zover in het onderhavig incident van belang, om het volgende. TenneT c.s. hebben onder meer Alstom c.s. in eerste aanleg gedagvaard voor de rechtbank Arnhem (thans: rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, hierna in beide gevallen aangeduid als: de rechtbank) met als inzet de vergoeding van schade die TenneT c.s. stellen te hebben geleden als gevolg van de deelname van Alstom c.s. aan een door de Europese Commissie op 24 januari 2007 beboet kartel op de markt voor Gas Geïsoleerd Schakelmateriaal (GIS of GGS). Volgens TenneT c.s. hebben zij (althans hun rechtsvoorgangster Sep) als gevolg van de deelname van Alstom c.s. aan dit kartel teveel betaald voor de in 1993 van Cogelex Alsthom (thans Cogelex) gekochte GGS voor een schakelstation (GGS-installatie) voor het zogenaamde Meeden-project. TenneT c.s. vorderen (onder meer) vergoeding van die meerprijs, te weten een bedrag van (aanvankelijk€ 6.509.338,- en na vermeerdering van eis) € 14.100.000,- vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten. TenneT c.s. hebben zich daarbij onder meer gebaseerd op een rapport van bureau Lexonomics met als titel ‘Berekening van de schade van het GIS-kartel voor TenneT TSO B.V. en Saranne B.V. als gevolg van de aankoop van GIS-schakelstations bij ABB en Alstom’ (hierna: het Lexonomics-rapport). 3.2 Na de inleidende dagvaarding hebben Alstom c.s. eerst een bevoegdheidsincident opgeworpen, waarin de rechtbank uitspraak heeft gedaan bij (afwijzend) vonnis in incident van 26 oktober 2011. Vervolgens hebben Alstom c.s. op basis van artikel 843a Rv een incident tot het verschaffen van afschriften dan wel inzage in bescheiden opgeworpen, waarin de rechtbank na een tussenvonnis d.d. 29 februari 2012 uitspraak heeft gedaan bij (afwijzend) vonnis in incident van 16 mei 2012. Daarin heeft de rechtbank ten aanzien van de door Alstom c.s. verzochte documenten in de categorie D, betreffende ‘bescheiden die zien op de (mogelijke) doorberekening van schade’ onder 3.9 overwogen, dat daarbij geldt ‘dat de vordering van art. 843a Rv. niet is bedoeld om tijdens een aanhangig geding de bewijslevering naar voren te halen.’ De rechtbank heeft daarop bij tussenvonnis van 1 augustus 2012 een comparitie van partijen bevolen, waarna partijen hebben voort geprocedeerd en de rechtbank de tussenvonnissen van 1 mei 2013, 14 augustus 2013 en 24 september 2014 heeft gewezen. Bij laatstgenoemd tussenvonnis heeft de rechtbank onder 4.39 overwogen als volgt: ‘Het komt erop neer dat op dit moment nog geen plaats is voor een of meer concrete bewijsopdrachten en dat beide partijen eerst nog nadere documenten in het geding moeten brengen en zich op sommige punten moeten uitlaten. De rechtbank zal de zaak daartoe naar de rol verwijzen, waar beide partijen tegelijk bij akte stukken kunnen overleggen en hun stellingen kunnen aanpassen. Daarna kunnen partijen over en weer reageren op de nadere stukken en stellingen.’ Daarna hebben ABB c.s. een incident ex artikel 217 Rv tot voeging aan de zijde van Alstom c.s. opgeworpen. Zij wilden op die wijze, kort gezegd, de gelegenheid krijgen om (ook) in de onderhavige procedure het rapport en de berekening van Lexonomics, waarvan TenneT c.s. zich in deze procedure voor de begroting van haar schade bedient, aan te vechten. De rechtbank heeft de vordering van ABB c.s. bij vonnis in incident van 4 februari 2015 bij gebreke van voldoende (eigen) belang van ABB c.s. en ter voorkoming van verdere vertraging van de afdoening van deze zaak afgewezen. Vervolgens hebben Alstom c.s. een nader incident opgeworpen tot aanhouding van de procedure tussen TenneT c.s. en Alstom c.s. hangende (meer subsidiair) een door Alstom c.s. aangekondigde procedure tegen ABB c.s. op grond van artikel 843a Rv. Voorts hebben zij, voor het geval de procedure niet werd aangehouden dan wel de aanhouding niet leidde tot het door hen gewenste resultaat, de rechtbank verzocht hen toestemming te verlenen om ABB c.s. met toepassing van artikel 118 Rv in het geding te roepen. Ook deze incidentele vorderingen zijn door de rechtbank afgewezen, en wel bij vonnis in incident van 15 april 2015. De rechtbank heeft daarbij (onder 2.14) overwogen als volgt: ‘Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van het resultaat van een eventueel nog door Alstom c.s. tegen ABB c.s. in te stellen rechtsvordering ex artikel 843a Rv. Het gaat Alstom c.s. daarbij om een tweetal rapporten, die ABB c.s. in bezit zouden hebben en waarnaar ABB c.s. verwees tijdens het pleidooi in het vorige incident op 20 januari 2015. Alstom c.s. willen deze rapporten gebruiken om het door TenneT c.s. overgelegde rapport van Lexonomics te kunnen bestrijden.’ De rechtbank was volgens dat vonnis onder 2.15 (met verwijzing naar het vonnis van 24 september 2014) mede op grond van het Europese doeltreffendheidsbeginsel van oordeel dat het in de eerste plaats aan Alstom c.s. zelf was om inzicht te geven in haar eigen prijsberekening en kostprijsontwikkeling c.q. van die groepsleden. Zij achtte het desbetreffende verzoek van Alstom c.s. om aanhouding enerzijds tardief en overwoog anderzijds (onder 2.16) als volgt: ‘Indien de rechtbank in de hoofdzaak op het desbetreffende onderdeel toekomt aan een bewijsopdracht, hetgeen geen gegeven is, dan heeft Alstom c.s. nog geruime tijd om te proberen om de door haar opgevraagde stukken in handen te krijgen en vervolgens in het kader van haar (tegen)bewijslevering in het geding te brengen. Daarvoor hoeft de zaak niet te worden aangehouden.’ Ook het verzoek van Alstom c.s. om hen toestemming te verlenen om ABB c.s. met toepassing van artikel 118 Rv in het geding te mogen roepen, wees de rechtbank bij het incidenteel vonnis van 15 april 2015 af, dit omdat het verzoek indruiste tegen de partijautonomie van TenneT c.s., die zelf mag bepalen tegen wie zij haar vorderingen aanhangig maakt. Daaropvolgend heeft de rechtbank op 10 juni 2015 eindvonnis gewezen in de hoofdzaak. De rechtbank verwierp daarin de betwisting door Alstom c.s. van de door TenneT c.s. voor de begroting van hun schade overgelegde (nadere) documentatie inzake de vergelijkbaarheid van de ABB offerte van 1999 en de ABB overeenkomst van 2005, waartoe Alstom c.s. stelden dat zij voor de onderbouwing van hun betwisting afhankelijk zijn van informatie van ABB c.s., waarover zij niet beschikten, alsmede dat naar hun mening de rechtbank ter zake een deskundige zou moeten benoemen. De rechtbank achtte deze betwisting onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. De rechtbank verwees naar haar eerdere overweging in het tussenvonnis van 24 september 2014 omtrent het doeltreffendheidsbeginsel en de daaruit voor Alstom c.s. voortvloeiende verplichtingen, waaraan door Alstom c.s. niet was voldaan. Sedert de inleidende dagvaarding, waarin TenneT c.s. voor de begroting van hun schade jegens Alstom c.s. reeds terugvielen op de prijzen van ABB c.s., hebben Alstom c.s. volgens de rechtbank voorts ruim voldoende gelegenheid gehad tot verificatie van de desbetreffende gegevens bij hun concurrent. De rechtbank overwoog in het eindvonnis onder 2.13 als volgt: ‘De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de aanbieding en de overeenkomst van ABB c.s. een vergelijkbaar product betreffen en dat de omvang van de prijsopslag, die de kartelleden aan hun afnemers in rekening brachten, kan worden afgeleid uit het prijsverschil tussen beide, zulks tenzij Alstom c.s. kan aantonen dat dit prijsverschil in relevante mate het gevolg was van een daling van de productiekosten, waarover hieronder meer.’ De rechtbank achtte het verweer van Alstom c.s. tegen de aanname dat het prijsverschil tussen de offerte (van ABB) tijdens het kartel en de overeenkomst (van ABB) na het uiteenvallen van het kartel nagenoeg volledig causaal kan worden toegeschreven aan de mededingingsbeperkende afspraken binnen het kartel, vervolgens onvoldoende onderbouwd. Volgens de rechtbank kon de prijsopslag bij het project van Alstom c.s. (Meeden) daarom worden geschat op het door TenneT c.s. aangehouden bedrag van € 14.100.000,-, waarbij de rechtbank verwees naar haar tussenvonnis van 24 september 2014 onder 4.33 houdende de door TenneT c.s. na vermeerdering van eis gevorderde vergoeding op basis van het Lexonomics-rapport met schatting van het desbetreffende prijsverschil. Het doorberekeningsverweer van Alstom c.s. heeft de rechtbank verworpen. Zij overwoog in dit verband (in het eindvonnis onder 2.28) onder meer: ‘Aan een bewijs opdracht komt de rechtbank echter alleen toe indien eerst is voldaan aan de stelplicht en dat is niet het geval. Alstom c.s. heeft namelijk niets gesteld omtrent de feiten en omstandigheden op grond waarvan redelijk zou moeten worden bevonden om het door Sep en TenneT doorberekende deel van de prijsopslag af te trekken.’ De rechtbank heeft Alstom c.s. veroordeeld tot betaling aan TenneT c.s. van genoemd bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over nader geformuleerde bedragen vanaf specifiek aangegeven onderscheiden data tot de dag der voldoening, met veroordeling van Alstom c.s. in de proceskosten, welk vonnis de rechtbank tot zover uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, met afwijzing van het meer of anders gevorderde. 3.3 Nadat zij hoger beroep hadden ingesteld tegen (nagenoeg) alle vonnissen van de rechtbank, dit niet alleen tegen TenneT c.s. maar voorwaardelijk – namelijk kortweg voor het geval het door ABB c.s. bij dit hof tegen het hiervoor onder 3.2 genoemde incidenteel vonnis van de rechtbank d.d. 4 februari 2015 inzake het door hen ingestelde voegingsincident ingediende hoger beroep (bekend onder zaaknummer 200.165.950) mocht slagen – ook tegen ABB c.s., hebben Alstom c.s. bij memorie van grieven incidentele vorderingen ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 10 juni 2015, zoals gecorrigeerd op 10 juli 2015 op grond van artikel 351 Rv, subsidiair tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv, alsmede verzocht om oproeping van ABB c.s. ex artikel 118 Rv. 3.4 Bij arrest van 3 november 2015 (in de zaak met nummer 200.165.950) heeft het hof het onder 3.3 bedoelde hoger beroep van ABB c.s. ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank van 4 februari 2015 bekrachtigd. De voorwaarde voor het onder 3.3 bedoelde hoger beroep van Alstom c.s. tegen ABB c.s. is dan ook niet vervuld, zodat het hof constateert dat ABB c.s. in dit hoger beroep geen geïntimeerde partij(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.