GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.133.769/01 (zaaknummer rechtbank Overijssel C/07/198849/HZ ZA 12-145) arrest van 2 februari 2016 in de zaak van Stichting Woonconcept, gevestigd te Meppel, appellante, in eerste aanleg: eiseres, hierna: Woonconcept, advocaat: mr. H.P. de Lange, kantoorhoudend te Heerenveen, tegen Belmar Vastgoed Ontwikkeling B.V., gevestigd te Ermelo, geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: Belmar, advocaat: mr. W.M.J.M. Heijltjes, kantoorhoudend te Nijmegen. 1Het geding in eerste aanleg Voor het geding tot 24 maart 12015 verwijst het hof naar de inhoud van het arrest van die datum. 2Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 2.1 Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de processen-verbaal van de op 24 juli en 16 september 2015 gehouden getuigenverhoren en de door partijen naar aanleiding daarvan genomen memories. 3De nadere beoordeling van de grieven en de vordering 3.1 In het arrest van 24 maart 2015 heeft het hof Belmar toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat partijen zijn overeengekomen dat Woonconcept zekerheid tot afname zou bieden voor de resterende woningen in deelproject C, als de vermarkting van deze woningen in de particuliere sfeer zou stokken. Het hof zal hierna de vraag beantwoorden of zij in dat bewijs is geslaagd. De verklaringen van de getuigen worden niet door het hof geciteerd; het navolgende bevat een zakelijke weergave van de afgelegde verklaringen, voor zover het hof die van belang acht. 3.2 Getuige [X] had al voorafgaand aan zijn beëdigde verklaring een schriftelijke verklaring afgelegd. Daarin merkte hij onder meer op dat hij in de gesprekken met de heer [Y] (Woonconcept) heeft besproken dat het onderhavige concept was gericht op een typische cliëntengroep. Daar paste niet zomaar burgerbewoning bij. Gezien de specifieke doelgroep zou het lastig zijn om de resterende woonunits en appartementen zomaar in de vrije markt af te zetten. [Y] gaf aan het logisch te vinden dat Woonconcept de woningen boven het zorggedeelte zelf in ieder geval zou afnemen voor de verhuur. Daarnaast bleef er nog een 3e segment over (deelproject C) dat in de vrije markt zou worden verkocht. Mocht die verkoop niet lukken, dan zou Woonconcept voor een vangnet zorgen, omdat de realisatie en start van de bouw van het totale plan daarvan afhankelijk was, en de afzet van dit 3e segment dus noodzakelijk was om het geheel gerealiseerd te krijgen. [X] was er daarom verbaasd over dat Woonconcept in februari 2012 met het project bleek te willen kappen. Zijn beëdigde getuigenverklaring sluit in grote lijnen op deze lezing aan: [Y] heeft toegezegd dat Woonconcept 'in zou stappen' als uit het deelproject C appartementen voor Belmar onverkoopbaar zouden blijken te zijn. [X] voegt daaraan toe dat de formulering van de vangnetconstructie afkomstig was van [Y] (Woonconcept). De uitvoering van de vangnetconstructie zou er op neer zijn gekomen dat over de koopprijs van de onverkoopbare appartementen met Woonconcept afspraken zouden moeten worden gemaakt. Dat uitgangspunt was naar zijn zeggen duidelijk. Het hof constateert echter dat deze uitleg afwijkt van die van getuige [Z] . Ook hij heeft een schriftelijke verklaring afgelegd. Naar zeggen van [Z] kon volgens [Y] over de vangnetconstructie geen misverstand bestaan, omdat het om een algemeen gebruikte term ging, die inhield dat de gemiddelde reeds afgesproken prijs per m2 voor de resterende, nog te verkopen appartementen zou gaan gelden. Onder ede herhaalt [Z] dat: volgens [Y] was het een term die algemeen werd gebruikt, en hield deze in dat de vierkantemeterprijs zou worden gebaseerd op de prijs van de andere deelprojecten. Je moest dus de vierkantemeterprijs nemen die al voor de andere appartementen bekend was, aldus [Z] , die het begrip 'vangnetconstructie' daarmee - anders dan [X] - geheel plaatst in het kader van de prijsvaststelling. Daarnaast was er volgens hem de harde afspraak dat Woonconcept de appartementen zou overnemen die Belmar niet zou kunnen verkopen. 3.3 De al genoemde [Y] , indertijd werkzaam als manager markt en strategie bij Woonconcept, merkt als getuige op dat een dergelijke fundamentele afspraak wel in de overeenkomst zou zijn opgenomen als de uitleg van [Z] juist zou zijn. Ook de lezing van [X] bestrijdt hij: als daadwerkelijk afnamegaranties zouden zijn verleend, dan had Woonconcept dat in het contract wel geformuleerd. Bij de deelprojecten A en B is dat gebeurd, ook ten aanzien van een specifieke woning in deel C. Voor het overige is ten aanzien van deel C slechts een inspanningsverplichting afgesproken die er volgens [Y] op neer kwam dat Woonconcept op constructieve wijze een gesprek met Belmar zou moeten aangaan. De bepaling in de overeenkomsten over het vangnet drukken volgens hem dan ook precies uit wat met die term is bedoeld. Die afspraak is vrijblijvend geformuleerd, maar er is wel toegezegd dat Woonconcept met Belmar zou onderhandelen als de afzet zou stagneren. Er was in dit opzicht sprake van een soort gentleman 's agreement: ten aanzien van de appartementen in C kwam de afspraak erop neer dat Woonconcept met Belmar in gesprek zou kunnen gaan over eventuele aankoop indien dat passend zou zijn. Er zijn geen concrete afspraken gemaakt over daadwerkelijke verwerving of over in dat geval te betalen koopsommen; er zijn geen afspraken gemaakt die verder gingen dan dat Woonconcept haar kennis en haar kunde zou inbrengen en zich ertoe zou inspannen om oplossingen te vinden als zou blijken dat de particuliere appartementen of een deel daarvan niet in de markt zouden kunnen worden gezet. Het was naar zeggen van [Y] ook in het belang van Woonconcept om dat te doen. Hij voegt daaraan toe dat je dan nog wel onderhandelingsvraagstukken hebt, zoals de vraag hoe lang je doorgaat met het op de markt aanbieden van de appartementen. Bovendien was nog niets afgesproken over eventuele concrete verplichtingen voor het geval dat appartementen ondanks alle inspanningen niet verkocht zouden worden. De vraag zou dan nog steeds zijn voor welk bedrag Woonconcept zou willen kopen. Het plan was om deze appartementen boven de liberalisatiegrens op de markt te brengen, maar als Woonconcept dat uiteindelijk niet haalbaar zou vinden, zou zij ruimte hebben gehad om de oplossing te zoeken in sociale verhuur met een daaraan verbonden lagere koopprijs. Tot april 2010 is geen richting gegeven aan de prijs. Denkbaar zou zijn dat Woonconcept zou voorstellen de prijs voor een sociale woonbestemming te bieden of bijvoorbeeld 70% van de kostprijs, aldus [Y] . 3.4 Getuigen [A] en [B] hebben niets verklaard dat aan het probandum kan bijdragen. Laatstgenoemde bestrijdt juist dat Woonconcept Belmar garanties heeft gegeven ('blanco cheques') tot koop van appartementen in onderdeel C. Ook zij wijst erop dat de prijzen in de sociale sector lager liggen dan in de commerciële sector. 3.5 Nu de verklaringen van [X] en [Z] niet eensluidend zijn en (met name) door [Y] worden bestreden, moet de conclusie luiden dat Belmar niet in de bewijsopdracht is geslaagd. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. 3.6 Indien Belmar heeft bedoeld ter zake van de discussie over de vangnetconstructie te stellen dat op Woonconcept een garantieverplichting uit hoofde van het vangnet rust die moest worden nagekomen voordat haar eigen vordering opeisbaar wordt of voordat Belmar in verzuim kon raken, en dat Woonconcept in de nakoming van die verbintenis is tekortgeschoten (zie met name de conclusie van antwoord onder 25 en 27), dan kan dat de uitkomst van de discussie daarover niet anders maken. In dat geval zou, uitgaande van de zogenoemde Haviltexformule bij de uitleg van overeenkomsten, namelijk voorafgaand aan de getuigenverhoren voorshands het standpunt van Woonconcept hebben vastgestaan dat op haar slechts een inspanningsverbintenis rustte. Door middel van de afgelegde getuigenverklaringen is dat niet ontzenuwd. Voor de motivering van dat dat laatste, verwijst het hof naar de voorgaande bespreking van die verklaringen. 3.7 Het hof overweegt verder het volgende. 3.8 Woonconcept heeft zich er in de conclusie van repliek uitdrukkelijk op beroepen dat de samenwerkingsovereenkomst van 26 september 2006 op grond van het bepaalde in artikel 2 van die overeenkomst in 'geëindigd' en 'uitgewerkt'. Zij heeft om die reden geen belang bij de beoordeling van haar vordering voor zover die ziet op deze overeenkomst. Het hof herstelt in dit verband een verschrijving in rechtsoverweging 4.1 van het arrest van 24 maart 2015, waarin abusievelijk wordt gesproken over een overeenkomst van 16 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.