GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.195.483/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/418078 / JL RK 16-392) beschikking van 25 augustus 2016 inzake [verzoekster] , verblijvende te [A] , verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: [verzoekster] , advocaat: mr. G.I.H. Schulte te Almere, en Stichting Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd te Almere, verweerster in hoger beroep, verder te noemen: de GI. Als overige belanghebbende is aangemerkt: [de moeder] , wonende te [B] , verder te noemen: de moeder. Als informanten zijn aangemerkt: 1 [de vader] , zonder bekende woon- of verblijfplaats, verder te noemen: de vader, 2. [C] , wonende te [B] , verder te noemen: de heer en mevrouw [C] . 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 5 juli 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 19 juli 2016; - het verweerschrift met productie(s); - een faxbericht van mr. Schulte van 19 juli 2016 met productie(s); - een brief van de GI van 1 augustus 2016 met productie(s); - een brief van mr. Schulte van 2 augustus 2016 met productie(s); - een faxbericht van de GI van 15 augustus 2016 met productie(s). 2.2 Bij beschikking van 19 juli 2016 heeft het hof de Raad voor Rechtsbijstand last gegeven om mr. Schulte toe te voegen als advocaat aan [verzoekster] . 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 16 augustus 2016 plaatsgevonden. Verschenen is [verzoekster] , bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI is mevrouw [D] verschenen. Voorts zijn de heer en mevrouw [C] verschenen. De vader en de moeder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Namens de raad, opgeroepen in het kader van zijn adviserende taak, is niemand verschenen. 3De vaststaande feiten 3.1 Uit het - inmiddels ontbonden - huwelijk van de vader en de moeder zijn geboren: - de meerderjarige [E] en - [verzoekster] , voormeld, [in] 2001. De moeder is alleen belast met het gezag over [verzoekster] . De vader heeft [verzoekster] erkend. De moeder woont samen met haar huidige partner, [F] , en haar zoon [E] . 3.2 [verzoekster] staat sinds 15 oktober 2015 onder toezicht van de GI. De termijn van de ondertoezichtstelling loopt tot en met 14 oktober 2016. 3.3 De GI heeft ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet (Jw) op 21 juni 2016 bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is. Een gekwalificeerde gedragswetenschapper die [verzoekster] met het oog daarop heeft onderzocht, heeft ingestemd met het verzoek. 3.4 Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter ten aanzien van [verzoekster] een machtiging gesloten jeugdhulp verleend met ingang van 5 juli 2016 tot 15 oktober 2016. 4De omvang van het geschil 4.1 [verzoekster] is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 5 juli 2016. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. [verzoekster] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende: - primair: het verzoek tot verlening van de machtiging gesloten uithuisplaatsing af te wijzen; - subsidiair: ten aanzien van haar een voorwaardelijke machtiging gesloten uithuisplaatsing te verstrekken. 4.2 De GI heeft verweer gevoerd en het hof verzocht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing 5.1 Ingevolge artikel 6.1.1 lid 2 Jw is [verzoekster] ontvankelijk in haar hoger beroep. 5.2 Ingevolge artikel 6.1.2 lid 1 Jw kan de kinderrechter op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. Een machtiging kan ingevolge artikel 6.1.2 lid 2 Jw slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. 5.3 Een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, kan ingevolge artikel 6.1.2 lid 3 Jw bovendien slechts worden verleend indien: a. de jeugdige onder toezicht is gesteld, b. de voogdij over de jeugdige berust bij een gecertificeerde instelling, of c. degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt. 5.4 Ingevolge artikel 6.1.2 lid 5 Jw kan een machtiging voorts slechts worden verleend indien het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is. Het verzoek behoeft ingevolge artikel 6.1.2 lid 6 Jw instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. 5.5 Ingevolge artikel 6.1.10 lid 1 Jw hoort de kinderrechter alvorens een machtiging te verlenen de jeugdige, degene die het gezag over de minderjarige uitoefent en degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt alsmede de verzoeker en, in gevallen als bedoeld in artikel 6.1.7 Jw, de jeugdhulpaanbieder. 5.6 Het hof stelt vast dat is voldaan aan de in artikel 6.1.2 lid 3, 6.1.2 lid 5, 6.1.2 lid 6 en 6.1.10 lid 1 Jw aan het verlenen van een machtiging als bedoeld in artikel 6.1.2 lid 1 Jw gestelde formele eisen. 5.7 Naar het oordeel van het hof is er sprake van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [verzoekster] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De ouders van [verzoekster] zijn uit elkaar gegaan toen [verzoekster] twee jaar oud was. Daarna is [verzoekster] , met haar broer [E] , bij de moeder gaan wonen. De moeder is echter onmachtig gebleken om [verzoekster] de opvoeding te geven die zij nodig heeft. De band tussen [verzoekster] en de moeder is ernstig verstoord geraakt en er is regelmatig sprake geweest van escalerende conflicten. [verzoekster] , thans 15 jaar oud, is vanaf januari 2015 steeds vaker van huis weggelopen. [verzoekster] accepteerde het gezag van de moeder niet en vertoonde en vertoont nog altijd zelfbepalend gedrag. Door dit gedrag kan zij in risicovolle situaties terecht komen. [verzoekster] heeft een beperkt aanpassingsvermogen en het lukt haar niet zich te voegen naar de regels, de structuur en het gezag van anderen. Als [verzoekster] wegloopt, is er geen zicht op waar en bij wie zij is. De raad heeft in zijn rapport van 25 september 2015 geconstateerd dat er grote zorgen zijn over [verzoekster] ’s gedrag en sociaal-emotionele ontwikkeling. Volgens de raad bestaat de bedreiging voor [verzoekster] uit de onduidelijkheid en onrust die zij ervaart, onder meer met betrekking tot haar toekomstperspectief, waardoor haar ontwikkeling op alle gebieden dreigt vast te lopen. 5.8 [verzoekster] heeft sinds begin 2015 op veel verschillende plekken gewoond. In mei 2015 is zij op een crisisgroep van [G] geplaatst. Tijdens haar verblijf op de leefgroep van [G] heeft [verzoekster] aangegeven zich niet op haar gemak te voelen in een grote groep en liever in een zo normaal mogelijke situatie te willen wonen. Medio 2015 kon [verzoekster] (door middel van 'Begeleiding zonder Maatregel') in een regulier pleeggezin in [B] geplaatst worden, maar [verzoekster] is na het kennismakingsgesprek weggelopen en de betreffende instanties hebben geen contact met haar kunnen krijgen. Pleegzorg heeft vervolgens geconcludeerd dat het wegloopgedrag van [verzoekster] een te grote belemmering is voor plaatsing van [verzoekster] in een regulier pleeggezin. In de zomer van 2015 is het wegloopgedrag van [verzoekster] op de groep van [G] toegenomen en heeft [G] aangegeven een gesloten plaatsing meer passend te vinden. Een oom en tante (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.