Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002538-16 Uitspraak d.d.: 27 september 2016 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 15 februari 2016 met parketnummer 18-032507-15 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteland] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats] , [woonadres] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 september 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte wegens de feiten 1 tot en met 3 tot een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, wegens feit 1 tot een rijontzegging voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest en wegens feit 4 tot een geldboete van tweehonderdvijfentwintig euro. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – tenlastegelegd dat: 1:hij op of omstreeks 13 februari 2015 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen; 2:hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden te of bij [plaats] , in de gemeente [gemeente] , op/aan het verkeersplein te [plaats] , op of omstreeks 13 februari 2015, te (ongeveer) 04.00 uur, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten aan Rijkswaterstaat) schade was toegebracht; 3:hij op of omstreeks 13 februari 2015 te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 2 van de Wet op de Identificatieplicht en/of artikel 3 van de Politiewet, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd, medewerking te verlenen aan een identiteitsonderzoek door middel van een BV-I.D.-zuil, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering; 4:hij op of omstreeks 13 februari 2015 te of bij [plaats] , in de gemeente [gemeente] , een wapen van categorie IV heeft gedragen, te weten een vleesmes, in elk geval een voorwerp, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Met betrekking tot hetgeen onder 3 aan verdachte is ten laste gelegd overweegt het hof het volgende. In het proces-verbaal van bevindingen met nummer PL0100-2015043525-5, d.d. 3 april 2015 in de wettelijke vorm opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is – zakelijk weergegeven – onder meer als relaas van verbalisant [verbalisant 2] opgenomen dat verdachte, nadat verbalisant [verbalisant 2] hem gevraagd had om zijn rijbewijs te tonen, een Nederlands rijbewijs en een Nederlands paspoort overhandigde. Daarmee heeft verdachte voldaan aan de op grond van artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht op hem rustende verplichting om op de eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft te gelden dat artikel 3 van de Politiewet op zichzelf niet kan worden aangemerkt als ‘wettelijk voorschrift’ op basis waarvan vorderingen kunnen worden gedaan of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van artikel 184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet worden voldaan. Slechts wanneer een burger het op basis van artikel 3 van de Politiewet geënte optreden van de politie belet, belemmert of verijdelt is sprake van overtreding van artikel 184 Sr. Een wettelijke basis voor een identiteitsonderzoek door middel van een BV-I.D.-zuil, waarbij van een verdachte een of meer foto’s worden gemaakt en diens vingerafdrukken worden afgenomen, ontbreekt in het onderhavige geval, nu verdachte niet was aangehouden of werd verhoord wegens een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het voorgaande brengt mee dat niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: 1:hij op 13 februari 2015 te [plaats] , als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen; 2:hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden te [plaats] , in de gemeente [gemeente] , op het verkeersplein te [plaats] , op 13 februari 2015, te ongeveer 04.00 uur, de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan een ander (te weten aan Rijkswaterstaat) schade was toegebracht; 4:hij op 13 februari 2015 bij [plaats] , in de gemeente [gemeente] , een wapen van categorie IV heeft gedragen, te weten een mes, waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het onder 1 bewezen verklaarde levert op: overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.