← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2016:7748

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.158.206 (zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem 2292277) arrest van 27 september 2016 in de zaak van [appellant] , wonende te [plaatsnaam] , appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, eiser in conventie tevens verweerder in reconventie, hierna: [appellant] , advocaat: mr. W.M.H. Weijmans, tegen: [geïntimeerde] , wonende te [plaatsnaam] geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellant in het incidenteel hoger beroep, gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie, hierna: [geïntimeerde] , advocaat: mr. A. van Weverwijk. 1Het verdere verloop van het geding in hoger beroep 1.1 Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 31 mei 2016 hier over. 1.2 Het verdere verloop blijkt uit: akte na tussenarrest van de zijde van [appellant] ; akte na tussenarrest van de zijde van [geïntimeerde] . 1.3 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep 2.1 Bij voormeld tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de overeenkomst (mede) gekwalificeerd dient te worden als pacht en of in dat geval verwijzing naar de pachtkamer dient te volgen. 2.2 [appellant] heeft bij akte na tussenarrest kort weergegeven aangevoerd dat met name blijkens de afspraken omtrent investeringen en delen van de winst geen sprake is van zuivere pacht maar van een samenwerking op zoveel mogelijk gelijke basis, waarbij beiden zeggenschap hadden omtrent de (wijze van) samenwerking, zijnde de bessenteelt, en dat het hof is gebonden aan het bevoegdheidsoordeel van de rechtbank. Ter onderbouwing van zijn stelling dat er geen sprake is van zuivere pacht verwijst [appellant] naar een (als productie 13 overgelegd) e-mailbericht van 9 juni

  1. [geïntimeerde] heeft bij akte na tussenarrest in de kern aangevoerd dat de rechtsverhouding tussen partijen niet als pacht kwalificeert omdat beide partijen ondernemersrisico lopen en dat de goede procesorde zich verzet tegen verwijzing naar de pachtkamer. Ook volgens [geïntimeerde] is het hof gebonden aan het impliciete bevoegdheidsoordeel van de rechtbank. 2.3 Naar het oordeel van het hof dient de tussen partijen bestaande rechtsverhouding niettemin (mede) te worden gekwalificeerd als pacht. Hetgeen [appellant] met verwijzing naar de als productie 13 overgelegde e-mail van [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) van 9 juni 2016 heeft aangevoerd doet niet af aan hetgeen het hof in rechtsoverweging 3.3 van voormeld tussenarrest heeft overwogen omtrent de considerans en de inhoud van de overeenkomst van samenwerking. Daaruit blijkt dat [appellant] zich jegens [geïntimeerde] heeft verbonden tegen voldoening van een vergoeding een perceel grond ter beschikking te stellen ten behoeve van de bedrijfsmatige uitoefening van de landbouw, meer specifiek de fruitteelt, als bedoeld in artikel 7:311 in verbinding met artikel 7:312 BW. [appellant] heeft voorts met genoemde e-mail van [persoon 1] onvoldoende onderbouwd weersproken dat [geïntimeerde] in de aanvangsfase het overgrote deel van de werkzaamheden en daarna alle werkzaamheden naar eigen inzicht heeft (laten) verricht(en). [geïntimeerde] heeft zich hierover in zijn akte niet uitgelaten. Dat [appellant] de investeringen voor zijn rekening zou nemen en dat beide partijen ondernemersrisico lopen in de zin dat beide partijen voor 50% delen in winst en verlies, maakt gelet op het voorgaande niet dat de rechtsverhouding tussen partijen niet als pacht dient te worden gekwalificeerd. Hetgeen partijen daaromtrent ( [appellant] bij akte na tussenarrest, sub 3 en [geïntimeerde] bij akte na tussenarrest, sub I) hebben aangevoerd is onvoldoende voor een andersluidend oordeel. 2.4 Hetgeen [appellant] met verwijzing naar genoemde e-mail van [persoon 1] heeft aangevoerd doet evenmin af aan hetgeen het hof in rechtsoverweging 3.4 heeft overwogen omtrent het document “Bessen overzicht verdeling kosten/baten”, de e-mail van 23 april 2012, het document “saldo berekeningen toekomstige samenwerking” en de e-mail van 13 januari
  2. Daarin wordt immers steeds met zoveel woorden gesproken van pacht. 2.5 Gelet hierop dient de gewone rechter zich onbevoegd te verklaren en dient de zaak ter verdere behandeling en beoordeling te worden verwezen naar de pachtkamer van dit hof (vgl. HR 28 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0050). Van strijd met de eisen van de goede procesorde is geen sprake. Dat de zaak vanwege de materiële aspecten van het geschil wordt behandeld door de bij uitstek daartoe geëquipeerde pachtrechter acht het hof van essentieel belang. Dit belang weegt zwaarder dan de omstandigheid dat partijen door verwijzing een instantie zou worden onthouden omdat zij zich hieromtrent in eerste aanleg niet hebben uitgelaten. 3De beslissing Het hof, recht doende in hoger beroep: verwijst de zaak naar de pachtkamer van dit hof. Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H.C. Frankena en D. Stoutjesdijk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 september 2016.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.