GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 14/01200 uitspraakdatum: 28 september 2016 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van [X] bv te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 oktober 2014, nummer AWB 14/1520, in het geding tussen belanghebbende en de ontvanger van de Belastingdienst/Kantoor Doetinchem (hierna: de Ontvanger) 1Ontstaan en loop van het geding 1.1 Aan belanghebbende is een aanmaning ter zake van de betaling van de aanslag vennootschapsbelasting 2008 (hierna: de aanslag Vpb) toegezonden, waarbij haar € 15 aan kosten in rekening zijn gebracht. 1.2 Belanghebbende is tegen de bij de aanmaning in rekening gebrachte kosten (hierna: de aanmaningskosten) in bezwaar gekomen. 1.3 Aan belanghebbende is een dwangbevel toegezonden, waarbij haar € 40 aan kosten in rekening zijn gebracht. 1.4 Belanghebbende is tegen de bij het dwangbevel in rekening gebrachte kosten van betekening (hierna: de betekeningskosten) in bezwaar gekomen. 1.5 Belanghebbende heeft in twee geschriften de Ontvanger in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraken op de onder 1.2 en 1.4 vermelde bezwaarschriften. 1.6 Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar is de Ontvanger aan de bezwaren van belanghebbende ter zake van de in rekening gebrachte aanmanings- en betekeningskosten tegemoetgekomen, waarbij de Ontvanger, naar het Hof begrijpt, heeft vastgesteld dat hij geen dwangsommen verschuldigd is. 1.7 Belanghebbende heeft tegen de afwijzing van de toekenning van de dwangsommen beroep ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 16 oktober 2014 ongegrond verklaard. 1.8 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend. 1.9 Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd. 1.10 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016 te Arnhem. Partijen zijn met voorafgaande kennisgeving aan het Hof niet verschenen. 2De vaststaande feiten 2.1 Belanghebbende is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. 2.2 De volgende stukken zijn tussen belanghebbende en de Belastingdienst gewisseld: Dagtekening Afzender Stuk 7 augustus 2010 inspecteur de aanslag Vpb 17 september 2010 belanghebbende bezwaar tegen de aanslag Vpb, belanghebbende heeft om uitstel van betaling verzocht 18 oktober 2010 Ontvanger aanmaning tot betaling van de aanslag Vpb, waarbij € 15 aan kosten in rekening is gebracht 25 oktober 2010, belanghebbende bezwaarschrift tegen de aanmaningskosten (ingekomen op 26 oktober 2010), belanghebbende is van mening dat tijdig bezwaar tegen deze aanslag is ingesteld en om uitstel van betaling is verzocht 10 november 2010 Ontvanger dwangbevel tot betaling van de aanslag Vpb, waarbij € 40 aan kosten in rekening is gebracht 22 december 2010 belanghebbende bezwaar tegen de betekeningskosten (ingekomen op 24 december 2010), belanghebbende is van mening dat tijdig bezwaar tegen deze aanslag is ingesteld en om uitstel van betaling is verzocht 10 december 2013 Ontvanger brief waarin de Ontvanger belanghebbende heeft medegedeeld dat het uitstel van betaling van de aanslag Vpb wordt beëindigd, omdat geen bezwaarschrift tegen deze aanslag (meer) in behandeling is. Belanghebbende dient binnen tien dagen na dagtekening van de brief de aanslag, de rente en de vervolgingskosten te betalen (hierna: de beëindigingsbrief) 17 december 2013 belanghebbende administratief beroep tegen de beslissing tot beëindiging van het verleende uitstel van betaling 19 december 2013 belanghebbende ingebrekestellingen vanwege het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften van 25 oktober en 22 december 2010 (ingekomen op 20 december 2013) 21 januari 2014 Ontvanger uitspraak op bezwaar waarin aan de bezwaren ten aanzien van de in rekening gebrachte aanmanings- en betekeningskosten wordt tegemoetgekomen 2.3 De Ontvanger heeft ter zitting van de Rechtbank verklaard dat automatisch uitstel van betaling is verleend voor de ingediende bezwaarschriften. 3Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen 3.1 In geschil is of de Ontvanger terecht bij beschikking de dwangsommen op nihil heeft gesteld bij zijn uitspraken op de bezwaarschriften tegen de aanmanings- en betekeningskosten. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Ontvanger beantwoordt deze bevestigend. 3.2 Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. 3.3 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Ontvanger en tot vaststelling van de dwangsommen op € 580 per bezwaarschrift (€ 1.160 in totaal). 3.4 De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. 4Beoordeling van het geschil 4.1 Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Ingevolge het zesde lid is geen dwangsom verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. 4.2 In de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 4:17 van de Awb (Kamerstukken II 2004-2005, 29 934, nr. 6, blz. 5 en 13) is over het tijdstip waarop in gebreke moet worden gesteld onder meer het volgende opgemerkt: “De eerste uitzonderingen op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen. (…) Voor de ingebrekestelling geldt geen termijn, al mag ze ook weer niet onredelijk laat plaatsvinden (zie artikel 4: 17, vijfde lid, onderdeel a). (…) Ten eerste is geen dwangsom verschuldigd als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld (onderdeel a). Een overeenkomstige bepaling is opgenomen in artikel 6:12, derde lid, Awb voor het bezwaar of beroep tegen niet tijdig beslissen. Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (Zie bijvoorbeeld CRvB 26 februari 2004, LJN AO4639, en ABRvS 20 februari 2002, JB 2002/113).” 4.3 Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer (TK II 2005-2006, Handelingen, vergaderingnummer 76, blz. 4726, 26 april 2006) is door één van de indieners van het wetsvoorstel opgemerkt: “Wij denken dat die onredelijk lange termijn toch wel goed is. We doelen bijvoorbeeld op de situatie dat iemand een aanvraag indient, maar vervolgens niets meer van zich laat horen, nooit meer bij het overheidsorgaan informeert, niet tijdens de periode van zes of acht weken, maar ook niet daarna. Na twee jaar komt er opeens een ingebrekestelling en zou een dwangsom gaan lopen. Dan kun je in reden stellen dat het voor het overheidsorgaan niet echt duidelijk is geworden dat het de aanvrager om een kennelijk urgente zaak ging. Enige actie mag worden verwacht. (…) We praten dus echt over een periode van een jaar of twee jaar waarin men helemaal niets laat horen. Dan is het raar om opeens in gebreke te gaan stellen en heel snel een beslissing te willen. Het is echt bedoeld voor dat soort uitzonderingsgevallen.” 4.4 In de Memorie van antwoord (Kamerstukken I 2006-2007, 29 934, nr. D, blz. 6) heeft de wetgever opgemerkt over de keuze voor een variabele termijn in plaats van een vaste termijn waarbinnen de ingebrekestelling moet plaatsvinden: “Het is immers de burger die recht heeft op een tijdige beslissing. Het invoeren van een vaste termijn voor een ingebrekestelling zou kunnen betekenen dat een coulante burger die het bestuursorgaan meer tijd gunt om een beslissing te nemen of door dat bestuursorgaan aan het lijntje wordt gehouden, gestraft wordt in die zin dat hij zijn recht op een dwangsom daarmee verspeelt. Bovendien achten de indieners het risico dat een bestuursorgaan pas na lange tijd zal worden geconfronteerd met een ingebrekestelling niet zo groot, aangezien het vrijwel altijd in het belang van de burger zelf zal zijn om zo snel mogelijk een ingebrekestelling te sturen. Om het bestuursorgaan toch niet al te lang in het ongewisse te laten over de verschuldigdheid van een dwangsom hebben wij in ons voorstel wel de bepaling opgenomen dat een ingebrekestelling niet onredelijk laat mag worden ingediend.” 4.5 In het arrest van 13 november 2015, nr.14/01722, ECLI:NL:HR:2015:3293 heeft de Hoge Raad overwogen dat ingevolge artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a, van de Awb geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. De vraag of daarvan sprake is moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer van belang zijn of het uitblijven van een ingebrekestelling verband hield met bijzondere omstandigheden, zoals bijvoorbeeld een lopend overleg tussen de aanvrager en het bestuursorgaan. 4.6 Vast staat dat belanghebbende tijdig bij aangetekende brieven van 25 oktober 2010 en 22 december 2010 bezwaar heeft gemaakt tegen de aanmaningskosten en de betekeningskosten van het dwangbevel. Gelet op het bepaalde in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb bedraagt de beslistermijn voor het doen van uitspraak op bezwaar voor de Ontvanger zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De bezwaartermijn bedraagt zes weken. De dagtekening van de beschikkingen waarbij de aanmanings- en betekeningskosten zijn vastgesteld, is 18 oktober 2010 respectievelijk 10 november
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.