← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2016:801

Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-002411-14 Uitspraak d.d.: 5 februari 2016 TEGENSPRAAK ONTNEMINGSZAAK Promis Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 15 april 2014 met parketnummer 16-701027-13 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , thans verblijvende in PI [plaats] . Het hoger beroep De veroordeelde heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 9 januari 2015 en 22 januari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsman, mr. M. van Dam, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan. Het vonnis waarvan beroep Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan. Vordering De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op totaal € 21.750,-. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 21.750,- en dat aan hem wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van eenzelfde bedrag. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 5 februari 2016 (parketnummer 21-002409-14) onder meer ter zake - kort gezegd - een gewapende overval op een juwelier, waarbij sierraden zijn buitgemaakt, veroordeeld tot straf. Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten. Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 10.875,-. Het hof komt als volgt tot deze schatting. Uit de aangifte van juwelier [naam] volgt dat tijdens de overval uit de vitrines in zijn winkel een groot aantal sierraden zijn weggenomen. De winkelwaarde van de weggenomen sierraden is geschat op een bedrag van € 87.000,-. Veroordeelde heeft verklaard dat hij en de mededader van de overval één tas met buitgemaakte sierraden op de vlucht zijn verloren. De overgebleven sierraden zijn verkocht aan een heler. De veroordeelde en diens mededader hebben daar in totaal € 15.000,- voor ontvangen welke opbrengst hij en zijn mededader hebben gedeeld. De juistheid van de stelling van de veroordeelde over het verlies van het gestolene kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven, omdat door de veroordeelden op het moment van de voltooiing van het bewezenverklaarde delict wederrechtelijk voordeel is verkregen. Dat zij één tas met sierraden op hun vlucht zouden zijn verloren, maakt dat niet anders. Het hof zal daarom uitgaan van het rapport berekening wederechtelijk verkregen voordeel. Het hof schat, conform die rapportage, de verkoopwaarde van de juwelen op 25 procent van de winkelwaarde en niet - zoals door de verdediging - is betoogd op 20 procent. 25% van € 87.000,- = € 21.750. Aangezien het aannemelijk is dat de daders de buit - gelet op hun gelijkwaardige rol tijdens en voorafgaand aan de overval - hebben gedeeld zal het hof de verkregen opbrengst pondspondsgewijs verdelen. Het door veroordeelde behaalde wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt dan € 10.875,- (€ 21.750 : 2). Het hof ziet, anders dan de rechtbank en de verdediging, geen aanleiding om het eigen risico ad € 2.500,- dat door de verzekeraar in mindering is gebracht op het aan de benadeelde partij uitbetaalde schadebedrag in mindering te brengen op het door veroordeelde behaalde voordeel. De verplichting tot betaling aan de Staat Op grond daarvan zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van het bewezenverklaarde. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 10.875,- (tienduizend achthonderdvijfenzeventig euro). Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 10.875,- (tienduizend achthonderdvijfenzeventig euro). Aldus gewezen door mr. H. Abbink, voorzitter, mr. R. de Groot en mr. M.J. Stolwerk, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. G.J.B. van Weegen, griffier, en op 5 februari 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr. M.J. Stolwerk is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen. Voor zover niet anders is vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar de bewijsmiddelen in de ordners 09anjer13. Daarbij gaat het, tenzij anders vermeld, om in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Ordner ‘zaakdossier I’, p. 173-174. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex 36e 2e lid Sr, zijnde een geschrift. Zie voetnoot nummer 3.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.