GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden, afdeling civiel recht, handel zaaknummer gerechtshof 200.156.109/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/125739 / HA ZA 13-71) arrest van 6 december 2016 in de zaak van [appellant] , wonende te [A] , appellant in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiser, hierna: [appellant], advocaat: mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend te Amsterdam, tegen Coöperatieve Rabobank Heerenveen-Zuidoost Friesland U.A., gevestigd te Heerenveen, geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: Rabobank, advocaat: mr. R.M. Goudberg, kantoorhoudend te Heerenveen. 1Het geding in eerste aanleg In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 5 februari 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de dagvaarding in hoger beroep d.d. 25 april 2014, - de memorie van grieven, - de memorie van antwoord/ tevens van grieven in incidenteel hoger beroep, - de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep. 2.2 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. 2.3 De vordering van [appellant] in principaal hoger beroep luidt: "bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (…) 1. te vernietigen het vonnis van de Rechtbank Noord-Nederland, van 5 februari 2014, gewezen tussen partijen onder zaaknummer C/17/125739/HA ZA 13-71, en opnieuw rechtdoende 2. te verklaren voor recht dat de Rabobank jegens [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar (zorg)verplichtingen uit hoofde van genoemde kredietovereenkomst en de hoofdelijke verbintenis voor een krediet in rekeningcourant, dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens [B] Reclamebureau B.V. en [appellant] , althans ten onrechte niet de redelijkheid en billijkheid ex. artikel 6:248 BW in acht heeft genomen door eenzijdig, zonder in achtneming van een redelijke termijn, de kredietovereenkomst per direct op te zeggen; 3. de Rabobank te veroordelen tot vergoeding aan [appellant] van de door [appellant] dientengevolge geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg vonnis heeft gewezen tot aan de dag der algehele voldoening; 4. de Rabobank te veroordelen tot betaling van de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,00, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening." 2.4 De vordering in incidenteel appel strekt tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met in achtneming van het gestelde in het incidenteel appel. 3De vaststaande feiten 3.1 Tegen de door de rechtbank in rov. 2 (2.1 tot en met 2.11) vastgestelde feiten zijn geen grieven aangevoerd terwijl ook overigens van bezwaren daartegen niet is gebleken. Derhalve zal ook het hof van die feiten uitgaan. Aangevuld met wat overigens nog is gesteld en niet weersproken staat, voor zover van belang, het volgende vast. 3.2 [appellant] was enig bestuurder en enig aandeelhouder van [C] Beheer [D] B.V. (hierna [C] Beheer). [C] Beheer was enig bestuurder en enig aandeelhouder van [B] Reclamebureau B.V. (hierna [B] Reclamebureau). 3.3 De Rabobank heeft per overeenkomst van 7 mei 2003 voor onbepaalde tijd een krediet in rekening courant verstrekt tot een maximum van € 200.000,-- aan [appellant] Beheer en [B] Reclamebureau (hierna ook: het krediet). De omvang van het krediet werd bepaald door een stamkrediet van € 50.000,-- en een additioneel krediet ter hoogte van 60% van de waarde van de debiteuren (jonger dan 90 dagen). Tot zekerheid van voormeld krediet had de Rabobank een (tweede) hypotheekrecht op het bedrijfspand aan [a-straat] 71 te [D] (Frieslandbank had een eerste hypotheek tot € 950.000,-) alsmede op het woonhuis van [appellant] aan [b-straat] 19 te [D] . Voorts waren de vorderingen op de debiteuren van [B] Reclamebureau en haar roerende zaken aan de bank verpand. Bovendien had [appellant] (in privé) hoofdelijke aansprakelijkheid aanvaard voor de financiering. Hiertoe is op 7 mei 2003 een onderhandse akte getekend. 3.4 In de op de rechtsrelatie van toepassing verklaarde Algemene voorwaarden voor rekening-courant van de Rabobank 2001 is – voor zover hier belang – het volgende bepaald: Opzegging kredietfaciliteit Art. 17 Zowel de bank als een rekeninghouder kan te allen tijde een kredietfaciliteit opzeggen, met inachtneming van een termijn van ten minste drie maanden. Gedurende die termijn zal de rekeninghouder van het krediet geen gebruik meer mogen maken en terstond na afloop van die termijn moet de rekeninghouder een eventueel debetsaldo voldoen. (..) Onmiddellijke opeisbaarheid debetsaldo Art. 26 (..) Een kredietfaciliteit kan door de bank onmiddellijk worden beëindigd en het door de rekeninghouder verschuldigde debetsaldo is terstond en zonder opzegging, ingebrekestelling of andere formaliteit opeisbaar: (..) g. wanneer zich enige omstandigheid voordoet die aanleiding geeft tot gegronde vrees dat het door de rekeninghouder aan de bank verschuldigde niet of niet geheel op de opbrengst van ten behoeve van de bank verbonden goederen of op de zekerheidsgever kan worden verhaald, dan wel wanneer ten behoeve van de bank verbonden goederen in waarde zijn verminderd of teniet gegaan. (..)“ 3.5 Voorts zijn op de rechtsrelatie van toepassing de algemene bankvoorwaarden, geldende in het verkeer tussen de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank BA, gevestigd te Amsterdam, c.q. de bij haar aangesloten banken, en haar cliënten. Deze voorwaarden houden onder meer in: 20 Zekerheidstelling De cliënt is verplicht desgevraagd voldoende zekerheid te stellen voor de nakoming van zijn bestaande verplichtingen jegens de bank. Is een gestelde zekerheid onvoldoende geworden, dan is de cliënt verplicht desgevraagd die zekerheid aan te vullen of te vervangen. Een verzoek als hiervoor bedoeld dient schriftelijk te geschieden en de reden van het verzoek te vermelden. De omvang van de gevraagde zekerheid dient in redelijke verhouding te staan tot het beloop van de desbetreffende verplichtingen van de cliënt. 21 Onmiddellijke opeisbaarheid Indien de cliënt na ingebrekestelling tekortschiet in de nakoming van enige verplichting jegens de bank, is de bank bevoegd haar vorderingen op de cliënt door opzegging onmiddellijk opeisbaar te maken. Zodanige opzegging dient schriftelijk te geschieden en de reden van de opzegging te vermelden. (..)” 3.6 Drs. [E] , registeraccountant bij Ae&E Accountants te [D] (hierna: [E] ), heeft op 10 juli 2003 de tussentijdse cijfers van [B] Reclamebureau over de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2003 opgesteld. Deze cijfers vermelden een winst van € 36.038,-. Op 16 februari 2004 heeft [E] voor [B] Reclamebureau een begroting over 2004 opgesteld. Door hem is over dat jaar een positief resultaat begroot van € 143.305,-. Op 16 april 2004 heeft [E] de jaarcijfers over 2003 opgesteld. Het resultaat na belastingen over dat jaar bedroeg volgens die cijfers € 2.786,-. 3.7 Op 14 april 2004 vindt er een gesprek plaats tussen medewerkers [F] en [G] van [appellant] Reclamebureau (hierna: [F] en [G] ) en de Rabobank waarbij zij aangeven dat zij bezorgd zijn over de betaling van de salarissen over die maand. 3.8 Op 18 april 2004 is [appellant] , die sedert 7 april 2004 kampte met een burn-out, voor vakantie vertrokken naar Mauritius. 3.9 Op 20 april 2004 hebben [F] en [G] een debiteurenlijst van [B] Reclamebureau, gedateerd 19 april 2004, verstrekt aan de Rabobank. Op deze lijst is een aantal vorderingen aangestreept met de vermelding "zeer dubieus". 3.10 Op 21 april 2004 heeft [F] op verzoek van de Rabobank een liquiditeitsprognose over 2004 aan de Rabobank verstrekt. Deze begroting is opgesteld door hem en mevrouw [H] , medewerkster van [B] Reclamebureau. Naar aanleiding hiervan heeft de Rabobank de kredietlimiet op € 97.500,- gesteld. 3.11 Eveneens op 21 april 2004 is aan Rabobank een kopie toegezonden van een koopovereenkomst tussen waarbij [appellant] het bedrijfspand verkoopt voor 1,1 miljoen euro, met als leveringsdatum 1 juni 2004. De koopovereenkomst bevat een financieringsvoorbehoud lopend tot 1 juni 2004. Het financieringsvoorbehoud is op enig moment daadwerkelijk ingeroepen en het pand is uiteindelijk verkocht voor € 630.000,-. 3.12 Rabobank heeft het krediet op 22 april 2004 opgezegd. De rekening-courant schuld bedroeg op dat moment € 171.383,27. 3.13 Op 23 april 2004 heeft de heer [I] , directeur van Reclame, Advies en Management B.V. te [J] , een faxbericht aan de Rabobank verzonden. Hij deelt daarin mee dat hij in vergaande bespreking is inzake een eventuele overname, participatie of deelname in het reclamebureau en dat hij daarvoor een budget heeft gereserveerd van € 100.000,- tot € 150.000,-. De Rabobank heeft niet gereageerd op dit faxbericht. 3.14 Op 28 april 2004 heeft de Rabobank de debiteuren van de verpande vorderingen aangeschreven tot betaling aan haar. Op 13 mei 2004 heeft de (voormalige) rechtbank Leeuwarden het faillissement (op eigen aangifte) van [C] Beheer en [B] Reclamebureau uitgesproken. 3.15 Bij vonnis van 15 november 2006 heeft de (voormalige) rechtbank Leeuwarden [appellant] uit hoofde van diens hoofdelijke aansprakelijkheid in privé veroordeeld om aan de Rabobank het nog openstaande debetsaldo van het verstrekte krediet ad € 157.850,07 vermeerderd met wettelijke rente te betalen. Het (voormalige) gerechtshof te Leeuwarden heeft dit vonnis bij arrest van 23 juni 2009 bekrachtigd. Op 10 maart 2010 is [appellant] in privé failliet verklaard. Zijn faillissement is opgeheven bij beschikking van 9 oktober 2012 door de (voormalige) rechtbank Leeuwarden. 4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg 4.1 [appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: a. voor recht verklaart dat tussen de Rabobank en [C] Beheer en [B] Reclamebureau een kredietovereenkomst was gesloten tot een bedrag van € 200.000,--, waarbij tot zekerheid onder meer de debiteuren waren verpand en dat de Rabobank toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van genoemde kredietovereenkomst, door deze eenzijdig, zonder inachtneming van een redelijke opzegtermijn, te beëindigen, alsmede door zonder inachtneming van een redelijke termijn, de debiteuren van [B] Reclamebureau te verzoeken de openstaande vorderingen rechtstreeks aan de Rabobank te voldoen, nu een dergelijk verzoek juist leidt tot stagnatie van betaling en daarmee tekort is geschoten in haar zorgplicht; b. de Rabobank veroordeelt tot vergoeding van de door [appellant] als gevolg van voormelde tekortkoming geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening; c. de Rabobank veroordeelt tot betaling van de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,--, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 4.2 De Rabobank heeft verweer gevoerd. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. 5De eiswijziging in het principaal hoger beroep 5.1 [appellant] heeft in hoger beroep zijn eis in die zin gewijzigd dat deze thans is komen te luiden als hiervoor onder 2.3 is weergegeven. Nu Rabobank daar geen bezwaren tegen heeft aangevoerd en het hof ambtshalve de eiswijziging niet in strijd acht met de beginselen van een goede procesorde, zal recht worden gedaan op de gewijzigde eis. Het hof merkt op dat in hoger beroep niet langer gevorderd wordt (tevens) voor recht te verklaren dat "de Rabobank toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van genoemde kredietovereenkomst, door (…) zonder inachtneming van een redelijke termijn, de debiteuren van [B] Reclamebureau te verzoeken de openstaande vorderingen rechtstreeks aan de Rabobank te voldoen, nu een dergelijk verzoek juist leidt tot stagnatie van betaling en daarmee tekort is geschoten in haar zorgplicht" en Rabobank te veroordelen de dientengevolge geleden schade te vergoeden. Dit is door Rabobank gesignaleerd (memorie van antwoord sub 8) waarna door [appellant] niet is aangegeven dat sprake is van een vergissing, zodat het hof ervan uitgaat dat in zoverre de eis is verminderd. 6De beoordeling van de grieven in het principaal en incidenteel hoger beroep 6.1 De grieven in het principaal hoger beroep zijn gericht tegen rechtsoverwegingen 4.4 tot en met 4.10 van het bestreden vonnis en lenen zich (mede vanwege de in elkaar overlopende toelichtingen daarop) voor gezamenlijke bespreking. [appellant] heeft geen belang bij bespreking van (onderdelen) van grieven die zijn gericht tegen overwegingen inzake de in hoger beroep niet gehandhaafde verklaring voor recht (zie hiervoor onder 5.1). In de context van de principale grieven zal ook de incidentele grief aan de orde komen. Deze is gericht tegen rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis. Het incidenteel appel is overigens onnodig ingesteld omdat de positieve zijde van de devolutieve werking van het appel meebrengt dat het hof het daarin aan de orde gestelde, reeds in eerste aanleg verdedigde, standpunt van de Rabobank hoe dan ook in haar beoordeling dient te betrekken bij de beantwoording van de vraag of de principale grieven uiteindelijk tot vernietiging kunnen leiden. 6.2 Het gaat in deze zaak, naar de kern genomen, om de beantwoording van de vraag of de onmiddellijke beëindiging van het krediet door Rabobank rechtens stand houdt en, zo nee, wat daar dan de gevolgen van zijn in de verhouding tot [appellant] . 6.3 Partijen en de rechtbank hebben aansluiting gezocht bij de criteria als verwoord in het arrest van het (voormalige) gerechtshof Arnhem van 18 februari 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AF5233. Sinds dat arrest is de rechtspraak ten aanzien van opzegging van kredietovereenkomsten in het bijzonder en van duurovereenkomsten in het algemeen echter in ontwikkeling geweest. In zijn arrest van HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929 heeft de Hoge Raad ten aanzien van de beëindiging van een kredietovereenkomst door een bank beslist dat de rechtsgeldigheid daarvan beoordeeld moet worden aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW. Dat laatste brengt mee dat de beëindiging door de bank op grond van een dergelijke bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarbij komt betekenis toe aan de zorgplicht van de bank (zoals die ook is neergelegd in artikel 2 van de Algemene Bankvoorwaarden (productie 7 van [appellant] in eerste aanleg). In zijn arrest van 10 juni 2016; ECLI:NL:HR:2016:1134 heeft de Hoge Raad de rechtsontwikkeling inzake opzegging van duurovereenkomsten tot dan toe samengevat en heeft hij voor de opzegging van duurovereenkomsten die voor onbepaalde tijd zijn aangegaan het volgende overwogen: "Opzegging is dus in beginsel mogelijk, ongeacht of wet en overeenkomst voorzien in een regeling van de opzegging. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat, dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. (HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, NJ 2012/685; HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163, NJ 2013/341) (…) Ook als een overeenkomst voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst in de omstandigheden van het geval in de weg staan aan respectievelijk opzegging, opzegging zonder zwaarwegende grond, opzegging op een bepaald moment, of opzegging zonder aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding." Het voorgaande laat onverlet dat bij de beoordeling van de vraag of in het licht van de zorgplicht de redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen de (wijze van) beëindiging van een kredietrelatie de factoren als genoemd in genoemde uitspraak van het (voormalige) hof Arnhem in de vorm van gezichtspunten een rol kunnen spelen, met dien verstande dat acht dient te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval. Het hof stelt vast dat [appellant] in hoger beroep heeft betwist dat zich gronden hebben voorgedaan die volgens de op de overeenkomst toepasselijke voorwaarden Rabobank het recht gaven het krediet met onmiddellijke ingang te beëindigen (onder andere grieven 1 en 2) en hij zich voorts op het standpunt heeft gesteld dat de opzegging per direct gelet op de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was (mvg 15.3.5). 6.4 Het hof zal eerst nagaan welke contractuele opzeggrond in dit geval is uitgeoefend. 6.5 [appellant] stelt zich op het standpunt dat, nu een ingebrekestelling door Rabobank niet is uitgebracht, de opzegging van het krediet door de Rabobank niet gebaseerd kan zijn geweest op artikel 21 van de Algemene Bankvoorwaarden (dat een ingebrekestelling vereist) maar kennelijk is geschied op grond van artikel 26 onder g van de Algemene voorwaarden rekening-courant van de Rabobankorganisatie 2001. Laatst genoemde bepaling maakt onmiddellijke beëindiging van het krediet mogelijk wanneer "zich enige omstandigheid voordoet die aanleiding geeft tot gegronde vrees dat het door de rekeninghouder aan de bank verschuldigde niet of niet geheel op de opbrengst van ten behoeve van de bank verbonden goederen of op de zekerheidsgever kan worden verhaald, dan wel wanneer ten behoeve van de bank verbonden goederen in waarde zijn verminderd of teniet gegaan". Naar de mening van [appellant] was er voor de bank geen aanleiding om bedoelde gegronde vrees te hebben. De Rabobank had dan ook alleen maar kunnen opzeggen op grond van artikel 17 van de Algemene voorwaarden rekening-courant van de Rabobankorganisatie 2001, met in achtneming van een opzegtermijn van drie maanden, aldus [appellant] . 6.6 Rabobank heeft aangevoerd dat de opzegging wel is gebaseerd op artikel 17 van de Algemene voorwaarden rekening-courant van de Rabobankorganisatie 2001, alsmede wat betreft het directe beëindigen van de kredietfaciliteit en het opeisen van het debetsaldo op grond van artikel 26 onder g van diezelfde voorwaarden. Daarmee wordt niet toegekomen aan de eis van een ingebrekestelling in artikel 21, aldus Rabobank. 6.7 Het hof kan Rabobank in haar betoog niet volgen. Artikel 17 van de Algemene voorwaarden rekening-courant van de Rabobankorganisatie 2001 noemt alleen de wederzijdse opzegmogelijkheid met een opzegtermijn van drie maanden. Aangezien in het hier aan de orde zijnde geval per direct is opgezegd kan de opzegging niet op genoemd artikel zijn gebaseerd. Nu evenmin een ingebrekestelling is uitgebracht als bedoeld in artikel 21 van de Algemene Bankvoorwaarden, kan de opzegging uitsluitend gebaseerd zijn op een bepaling die onmiddellijke opzegging zonder voorafgaande ingebrekestelling mogelijk maakt, zoals artikel 26 onder g van de Algemene voorwaarden rekening-courant van de Rabobankorganisatie 2001, waarop Rabobank zich (dan ook eveneens) heeft beroepen. Aldus zal thans moeten worden nagegaan of de (onmiddellijke) opzeggrond als in die bepaling omschreven zich in dit geval heeft voorgedaan, derhalve of zich enige omstandigheid heeft voorgedaan die aanleiding gaf tot gegronde vrees dat het door de rekeninghouder aan de bank verschuldigde niet of niet geheel op de opbrengst van ten behoeve van de bank verbonden goederen of op de zekerheidsgever kan worden verhaald, dan wel of ten behoeve van de bank verbonden goederen in waarde zijn verminderd of teniet zijn gegaan. In het bevestigende geval zal tevens dienen te worden beoordeeld of, zoals [appellant] stelt, artikel 6:248 lid 2 BW in de weg stond aan uitoefening van die bevoegdheid. 6.8 Het hof acht daartoe in de eerste plaats de navolgende feiten en omstandigheden van belang. (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.