GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.213.988/01 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 4659053 / MC EXPL 15-13864) arrest van 28 november 2017 in het incident ex art. 843a Rv in de zaak van: [appellant] , wonende te [A] (België), appellant, tevens eiser in het incident, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: [appellant], advocaat: mr. M.J.P. Faassen, kantoorhoudend te Breda, tegen [geïntimeerde] , wonende te [B] , geïntimeerde, tevens verweerder in het incident, in eerste aanleg: eiser, hierna: [geïntimeerde], advocaat: mr. P. de Haan, kantoorhoudend te Almere. 1Het geding in eerste instantie 1.1 In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 24 februari 2016 en 1 februari 2017 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere (hierna: de kantonrechter). 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure is als volgt: - de appeldagvaarding van 20 maart 2017; - de memorie van grieven tevens houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv (met één productie); - de antwoordconclusie in het incident (met producties). 2.2 De conclusie van de memorie van grieven strekt in de hoofdzaak tot vernietiging van het eindvonnis van de kantonrechter van 1 februari 2017, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] ter uitvoering van dat vonnis heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente, en tot veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, uitvoerbaar bij voorraad. 2.3 De vordering in het incident ex art. 843a Rv, luidt: "dat het uw gerechtshof moge behagen bij (tussen)arrest, uitvoerbaar bij voorraad, verweerder in het incident te veroordelen tot afgifte c.q. het verstrekken van een afschrift van alle in de in het geding zijnde geldleningsovereenkomst genoemde facturen met de factuurnummers 82402251, 82402279, 82402278, 82402288, 82402308, 82402367, 82402387, 82402430, 82402428, 82402449, 82402488, 82402517, de corresponderende afleverbewijzen alsmede het betalingsbewijs ter zake het bedrag ad € 12.500,-, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel indien verweerder in het incident niet binnen 7 dagen na betekening van het ten deze te wijzen (tussen)arrest aan deze veroordeling voldoet dan wel een door uw hof in goede justitie te bepalen dwangsom, met veroordeling van verweerder in het incident in de proceskosten in het incident." 2.4 [geïntimeerde] heeft in het incident geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring dan wel tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident, uitvoerbaar bij voorraad. 2.5 [geïntimeerde] heeft de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident. 3De feiten, het geschil en de beslissing in eerste aanleg 3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. 3.2 [geïntimeerde] is eigenaar en bestuurder van [C] B.V. te Harderwijk. Deze vennootschap exploiteert (als franchisenemer) een groothandel in verwarmingsapparaten en aanverwante producten onder de naam Warmteservice Harderwijk. 3.3 [appellant] is eigenaar en bestuurder van [D] Onderhoudsbedrijf B.V. te Zeewolde. Deze vennootschap is klant bij Warmteservice Harderwijk. 3.4 Op 17 april 2014 hebben [appellant] en [geïntimeerde] een overeenkomst ondertekend, genaamd "Leningsovereenkomst". De overeenkomst luidt, voor zover relevant, als volgt: "(...) De heer [appellant] van de firma [D] BV is een lening aangegaan van 12.500,- euro bij de heer [geïntimeerde] en mevrouw [E] . Deze hebben zij vanuit privégeld verstrekt zodat de volgende facturen door [appellant] aan Warmteservice Harderwijk konden worden voldaan. Het betreft de factuurnummers: [hof: volgt vermelding van twaalf factuurnummers met daarachter steeds een bedrag]. Dit is een totaalbedrag van € 13.419,19 waarvan € 919,19 direct zal worden overgemaakt en het overige leningsbedrag 12.500,= euro in wekelijkse termijnen van minimaal 300,= euro per week. (...)" 3.5 In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van € 10.250,- in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande 13 juni 2014, en tot betaling van € 1.876,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, met nevenvorderingen. [geïntimeerde] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat [appellant] - behoudens enkele betalingen - in gebreke is gebleven met de nakoming van de afspraken over de aflossing zoals die zijn vastgelegd in de overeenkomst van 17 april 2014. 3.6 In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 10.250,=, vermeerderd met de wettelijke rente ingaande 13 juni 2014 tot de dag van voldoening. [appellant] is in de proceskosten verwezen en de veroordelingen zijn door de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 4De beoordeling in het incident 4.1 Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering heeft [appellant] (samengevat) het volgende aangevoerd. In 2014 is [appellant] door [geïntimeerde] benaderd, omdat [geïntimeerde] problemen vreesde met zijn franchisegever, de Warmteservice Groep B.V. [geïntimeerde] zou diverse c.v.-ketels dan wel -installaties aan derden hebben geleverd zonder bon of overeenkomst, hetgeen in strijd is met de regels van de franchisegever. [geïntimeerde] heeft [appellant] gevraagd om mee te werken aan het opstellen van de in 3.4 bedoelde overeenkomst waarin concrete factuurnummers zijn vermeld, zodat [geïntimeerde] de zonder bon of overeenkomst aan derden geleverde c.v.-ketels dan wel -installaties aan derden zou kunnen verantwoorden in zijn administratie. Gelet op de toenmalige goede verstandhouding tussen partijen, heeft [appellant] daarin bewilligd. Hij heeft echter nimmer een bedrag van € 12.500,= van [geïntimeerde] ontvangen en [appellant] kent de in de overeenkomst van 17 april 2014 genoemde facturen niet. [appellant] heeft reeds in eerste aanleg gevraagd om overlegging van de in 2.3 genoemde stukken, maar [geïntimeerde] heeft dat geweigerd. [appellant] stelt belang te hebben bij deze stukken teneinde te kunnen aantonen dat van een geldleningsovereenkomst geen sprake is geweest. 4.2 [geïntimeerde] heeft ten verwere (samengevat) het volgende aangevoerd. Vaste klanten van Warmteservice Harderwijk (zoals het bedrijf van [appellant] ) kunnen hun goederen op rekening meenemen na het tonen van de juiste papieren. De goederen worden dan direct meegegeven en nadien wordt een factuur gezonden. In 2014 bereikte (het bedrijf van) [appellant] echter de bestedingslimiet, waardoor hij niet langer goederen op rekening mee kon krijgen. [appellant] heeft toen aangegeven dat hij hierdoor inkomsten mis zou lopen, waardoor hij ook zijn rekeningen niet zou kunnen betalen. Omdat ze al jarenlang zaken deden en [geïntimeerde] erop vertrouwde dat [appellant] de openstaande facturen wel zou betalen, heeft [geïntimeerde] de goederen die [appellant] kocht toch meegegeven en de kosten hiervan uit zijn privé-vermogen voorgeschoten. Om één en ander schriftelijk vast te leggen, is de leningsovereenkomst van 17 april 2014 opgesteld. Daarin is duidelijk aangegeven om welke facturen het gaat en hoe er terugbetaald zou gaan worden. Uiteraard heeft [appellant] het leenbedrag niet ontvangen, dat blijkt volgens [geïntimeerde] duidelijk uit de leningsovereenkomst. [appellant] heeft de goederen gekregen die op de facturen zijn vermeld en bij het ophalen van de goederen heeft hij de factuur direct meegekregen. Hoewel [geïntimeerde] de bedoelde facturen (op diens verzoek) al meermaals heeft verstrekt aan [appellant] , is hij bereid om dat nogmaals te doen. De twaalf facturen zijn als productie gevoegd bij de antwoordconclusie in het incident. 4.3 Het hof overweegt dat een exhibitievordering in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt, indien is voldaan aan de volgende uit art. 843a lid 1 Rv voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.