GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer: 200.224.766 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/16/530 R) arrest van 14 december 2017 inzake [appellant] , wonende te [woonplaats] , appellant,hierna te noemen: [appellant] , advocaat: mr. R.G. van der Laan, tegen [verweerder 1] ,wonende te [woonplaats] ,[verweerders 2],wonende te [woonplaats] , [verweerder 3],wonende te [woonplaats] , verweerders, hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] , advocaat: mr. A.C. Mens,en [verweerder 4] ,wonende te [woonplaats] ,advocaat: mr. M.B.C.R. Heemskerk,verweerder,hierna te noemen: [verweerder 4] . 1Het geding in eerste aanleg 1.1 Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 12 juli 2016 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Daarbij is mr. M.C.C. Ording benoemd tot bewindvoerder. 1.2 Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 26 september 2017 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] , op verzoek van [geïntimeerden] en [verweerder 4] , tussentijds beëindigd. Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Bij ter griffie van het hof op 4 oktober 2017 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van laatstgenoemd vonnis van 26 september 2017 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en alsnog te bepalen dat het verzoek tot tussentijdse beëindiging van zijn schuldsaneringsregeling wordt afgewezen, eventueel met een verlenging van de looptijd van die regeling. 2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met één bijlage, de met de op 25 oktober 2017, 30 oktober 2017 en 1 november 2017 door mr. Van der Laan ingediende V6-formulieren meegezonden producties, de brief van 30 oktober 2017 van mr. Van der Laan (onderwerp: ‘laatste stand van zaken’) met vier producties, de brief met bijlagen van 6 november 2017 van de bewindvoerder en de brief met bijlagen van 13 november 2017 van mr. Mens.2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 november 2017, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat. De bewindvoerder is eveneens verschenen. Voorts waren ter zitting aanwezig [verweerder 1] en [verweerder 3] , bijgestaan door hun advocaat en [verweerder 4] , bijgestaan door zijn advocaat. 2.4 Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling is gebleken dat [geïntimeerden] en [verweerder 4] niet de beschikking hadden over de met het op 30 oktober 2017 door mr. Van der Laan ingediende V6-formulier meegezonden producties. Het hof heeft hen daarom in de gelegenheid gesteld hierop schriftelijk te reageren. Bij brief van 27 november 2017 heeft mr. Mens gereageerd op deze producties. Tevens heeft mr. Heemskerk bij brief van 29 november 2017 op de betreffende stukken gereageerd. Aansluitend heeft mr. Van der Laan bij faxbericht van 6 december 2017 een reactie gegeven op de brieven van mr. Mens en mr. Heemskerk. 3. De motivering van de beslissing in hoger beroep 3.1 De rechtbank heeft de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] op verzoek van [geïntimeerden] en [verweerder 4] tussentijds beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, aanhef en onder c en f, Faillissementswet (hierna: Fw). Daartoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen. Er zijn feiten en omstandigheden bekend geworden die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen. [appellant] is op 11 juli 2016 door de rechtbank gehoord omtrent zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De mededeling van [appellant] tijdens deze mondelinge behandeling dat hij de afgelopen jaren geen schulden meer is aangegaan, wordt door de feiten weersproken. Hij heeft in de vijf jaar voorafgaand aan zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling meerdere leningen afgesloten, terwijl hij op dat moment al een fors bedrag aan leningen had uitstaan waarop hij niet of nauwelijks afbetaalde. Voorts is gebleken dat de positieve restwaarde van de verkoop van een woning in [plaats] , waarvan [appellant] mede-eigenaar was, op de privérekening van [appellant] is gestort. Nu [appellant] heeft nagelaten met dit bedrag de bij ING afgesloten hypothecaire lening voor deze woning af te lossen, is hij niet te goeder trouw geweest ten aanzien van het onbetaald laten van deze schuld aan ING. Ten slotte heeft [appellant] bij zijn toelating ten onrechte geen melding gemaakt van de omstandigheid dat [verweerder 4] een vordering van € 150.000,- op hem heeft. Voorts komt [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren na (artikel 350, derde lid, aanhef en onder c, Fw). Hij heeft onder meer zijn inlichtingenplicht geschonden, omdat hij zijn bewindvoerder niet heeft geïnformeerd over de omstandigheid dat de kapperszaak, waar [appellant] in loondienst was, al enige tijd te koop stond. 3.2 [appellant] komt met zijn eerste grief op tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van feiten en omstandigheden die ten tijde van de toelating tot de schuldsaneringsregeling niet bekend waren en, indien dat wel het geval was, tot afwijzing van zijn schuldsaneringsverzoek hadden geleid. Met zijn tweede en laatste grief stelt [appellant] dat, als er toch sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 350 lid 3, aanhef en onder f Fw dat de rechtbank dan ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 288, derde lid Fw. [appellant] verzoekt het hof om het vonnis van 26 september 2017 te vernietigen en alsnog te bepalen dat het verzoek tot tussentijdse beëindiging wordt afgewezen, althans om de schuldsaneringsregeling te verlengen voor zover nodig om de tekortkomingen te compenseren. [geïntimeerden] en [verweerder 4] voeren gemotiveerd verweer. 3.3 Het hof stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 350, derde lid, aanhef en onder f, Fw alleen feiten en omstandigheden aan de beoordeling van het hof kunnen worden onderworpen, die op het moment van toelating (HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0709) tot de schuldsaneringsregeling al bestonden en die, indien zij op dat tijdstip bekend waren geweest, reden zouden zijn geweest om het verzoek af te wijzen overeenkomstig het bepaalde in artikel 288, eerste en tweede lid, Fw. Het wettelijk stelsel brengt verder met zich dat een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van feiten en omstandigheden die bij de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling aan de rechter bekend waren, niet mogelijk is (HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3425). Uit HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:111 blijkt voorts dat, als relevante feiten en omstandigheden zijn vermeld in de stukken die aan de rechtbank zijn voorgelegd, ervan uitgegaan moet worden dat die in de toelatingsbeslissing zijn verdisconteerd. 3.4 [geïntimeerden] en [verweerder 4] voeren onder meer aan dat [appellant] in de vijf jaar voorafgaand aan zijn toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke schulden niet te goeder trouw heeft laten ontstaan en onbetaald gelaten. Als de toelatingsrechter daarmee bekend was geweest, zou dit reden zijn geweest het toelatingsverzoek af te wijzen. [appellant] heeft voorafgaand aan zijn toelating aanzienlijke geldsommen geleend van [verweerder 1] (de ex-echtgenote van [appellant] ), [verweerders 2] (de voormalige schoonouders van [appellant] ) en [verweerder 3] (de voormalige zwager van [appellant] ). Voorts heeft [appellant] schulden laten ontstaan en onbetaald gelaten bij [verweerder 4] , ING, Interbank, Rabobank, [schuldeiser] en Directautoleasen B.V. [appellant] heeft schulden laten ontstaan, terwijl hij wist dat hij de bedragen niet zou kunnen terugbetalen. [appellant] stelde, aldus [geïntimeerden] en [verweerder 4] , dat hij het geld nodig had om onder andere zijn (eerdere) ex-echtgenote uit te kopen, voor de verbouwing van een woning en voor investeringen in zijn kapperszaak. [appellant] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij de grote geleende bedragen heeft aangewend ter financiering van het vorenstaande. Hij zal het geld waarschijnlijk hebben weggesluisd en hebben aangewend ter financiering van zijn handel in onroerende zaken en zijn luxe leven. 3.5 Het hof heeft de beschikking gekregen over de door [appellant] aan de rechtbank bij zijn verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling overgelegde stukken. Daartoe behoort onder meer een door [appellant] opgestelde crediteurenlijst met een toelichting. In die toelichting is verwezen naar een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 26 april 2016 waarbij de echtscheiding tussen [appellant] en [verweerder 1] is uitgesproken. Een kopie van deze echtscheidingsbeschikking (tevens verdeling van het huwelijkse vermogen en de schulden) is destijds (als bijlage 8) bij het verzoekschrift/de schuldenlijst gevoegd. Schuld aan Interbank 3.6 Wat betreft de schuld aan Interbank van € 50.000,- stelt het hof vast dat deze schuld staat vermeld op de door [appellant] bij zijn toelating overgelegde crediteurenlijst. In de toelichting op de schuldenlijst heeft [appellant] vermeld dat hij de betreffende schuld op 29 januari 2010 is aangegaan tezamen met zijn ex-echtgenote voor de renovatie van hun woning in [plaats] . Verwezen wordt echter naar een als bijlage 2 overgelegde kredietovereenkomst met Santander Consumer Finance Benelux B.V. (Comfort Card). Wat daar ook van zij, op de schuldenlijst staat ook een schuld aan [verweerders 2] ad € 201.578,75 en in de toelichting op die schuld staat de lening aan Interbank vermeld voor een bedrag van € 20.000,- onder verwijzing naar de echtscheidingsbeschikking van 26 april 2016. In die echtscheidingsbeschikking (zie rov. 3.27 tot en met 3.30) staat vermeld dat [appellant] en zijn ex-echtgenote op 17 maart 2011 een geldlening hebben afgesloten bij Interbank. Gelet op het vorenstaande was de toelatingsrechter op de hoogte van het bestaan en de achtergrond van de schuld aan Interbank. Nu de rechtbank de beschikking had over zowel de door [appellant] opgestelde toelichting bij de crediteurenlijst als de echtscheidingsbeschikking, was zij tevens op de hoogte van de in de echtscheidingsbeschikking genoemde ontstaansdata van de schuld. Dat [appellant] dit bedrag, aldus [verweerder 1] , van de rekening heeft gehaald staat ook duidelijk in de echtscheidingsbeschikking, waarvan de rechtbank dus kennis heeft kunnen nemen. Schuld aan Rabobank 3.7 Ten aanzien van de schuld aan Rabobank van € 84.000,- geldt eveneens dat deze staat vermeld op de door [appellant] bij zijn toelating overgelegde crediteurenlijst. [appellant] heeft in de toelichting op zijn schuldenlijst vermeld dat dit een lening betreft die hij op 25 november 2011 heeft afgesloten in verband met de verbouwing van zijn kapsalon. De toelatingsrechter was aldus op de hoogte van het bestaan en de achtergrond van deze schuld. [geïntimeerden] en [verweerder 4] worden niet gevolgd in hun stelling dat [appellant] de rechtbank destijds had moeten informeren over de omstandigheid dat er ter zake van de betreffende geldlening een onderzoek liep bij de afdeling Financial Economic Crime van de Rabobank. Zij hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit onderzoek ten tijde van de toelatingprocedure van [appellant] reeds aan de orde was. De bevestiging van de Rabobank aan [geïntimeerden] dat er een onderzoek loopt bij de afdeling Financial Economic Crime van de Rabobank dateert immers van 22 december 2016, terwijl [appellant] al op 12 juli 2016 was toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Schuld aan [schuldeiser] 3.8 [appellant] en [verweerder 1] zijn op 18 oktober 2011 een geldlenings-overeenkomst voor een bedrag van € 40.000,- aangegaan met [schuldeiser] . Uit het e-mailbericht van [schuldeiser] aan [verweerder 1] van 11 januari 2016 is af te leiden dat [verweerder 1] met een betaling van een (schikkings)bedrag van € 20.000,- de gehele schuld aan [schuldeiser] heeft afgelost. De toelatingsrechter was bekend met de schuld aan [schuldeiser] . In de toelichting op de schuld aan [verweerder 1] staat deze als ‘post’ vermeld met verwijzing naar de echtscheidingsbeschikking en in die beschikking staat dat [appellant] en [verweerder 1] samen een geldleningsovereenkomst hebben afgesloten bij [schuldeiser] (zie rov. 3.40 en 3.41). Uit de echtscheidings-beschikking blijkt voorts dat [appellant] door de rechtbank is veroordeeld een bedrag van € 20.000,- aan zijn ex-echtgenote ( [verweerder 1] ) te vergoeden, aangezien zij niet heeft geprofiteerd van de lening, maar met dit bedrag wel de schuld heeft afgelost. Dat [appellant] zou hebben beloofd dit bedrag aan [verweerder 1] terug te betalen en dat hij die belofte heeft gebroken, is geen omstandigheid die in de weg had gestaan aan de toewijzing van zijn schuldsaneringsverzoek.Schuld aan Directautoleasen B.V.3.9 Wat betreft de schuld aan Directautoleasen B.V. overweegt het hof dat voldoende aannemelijk is geworden dat ten tijde van de toelatingsprocedure van [appellant] geen schuld meer bestond aan Directautoleasen B.V. [appellant] is op 15 december 2015 met Directautoleasen B.V. overeengekomen dat hij de schuld van € 2.000,- afkoopt voor een bedrag van € 400,-. Blijkens de overgelegde kwitantie (bij de brief mr. Van der Laan van 30 oktober 2017) heeft [appellant] het betreffende bedrag op dezelfde dag voldaan. Schulden aan [verweerders 2] 3.10 Met betrekking tot de door [verweerders 2] aan [appellant] en hun dochter op 19 mei 2008, 20 mei 2009 en 28 februari 2012 geleende bedragen van respectievelijk € 125.000,-, € 25.000,- en € 25.000,-, overweegt het hof dat deze geleende bedragen en de achtergrond daarvan, alle staan vermeld in de echtscheidings-beschikking (zie rov. 3.36 en 3.37). Voorts heeft [appellant] op de crediteurenlijst aangegeven dat hij een schuld heeft aan zijn voormalige schoonouders van € 103.045,13. Hiervan was de toelatingsrechter derhalve op de hoogte. Ten aanzien van de door [verweerders 2] op 20 april 2010 en 31 mei 2012 aan [appellant] geleende bedragen van respectievelijk € 15.000,- en € 20.000,- stelt het hof vast dat deze niet vermeld staan op de door [appellant] opgestelde crediteurenlijst en de echtscheidingsbeschikking. Het hof acht echter niet aannemelijk dat als deze schulden bij de toelatingsrechter bekend waren geweest, deze op zichzelf beschouwd reden zouden zijn geweest het toelatingsverzoek af te wijzen. Daarbij betrekt het hof dat de op 20 april 2010 ontstane schuld van € 15.000,-, gerekend vanaf de datum van het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, buiten de in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw genoemde vijfjaarstermijn (hierna: de vijfjaarstermijn) valt. Over de op 31 mei 2012 ontstane schuld van € 20.000,- heeft [appellant] ter zitting verklaard dat zijn B.V. dat bedrag van zijn schoonouders heeft geleend maar uit een verstekvonnis van 13 mei 2015 van de rechtbank Midden-Nederland (dit bevindt zich bij de stukken bij het toelatingsverzoek) blijkt dat [appellant] is veroordeeld tot terugbetaling van ook dit bedrag. Het hof gaat er daarom van uit dat [appellant] dit bedrag in privé heeft geleend. Nu de toelatingsrechter op de hoogte was van het bestaan van een aanzienlijke schuld aan de voormalige schoonouders van [appellant] , is het niet aannemelijk dat als de toelatingsrechter op de hoogte was geweest van de schuld van € 20.000,-, deze schuld een beletsel zou zijn geweest om [appellant] toe te laten tot de schuldsaneringsregeling. [verweerder 3] 3.11 Voorts heeft [appellant] op 23 mei 2013 een bedrag van € 15.000,- van [verweerder 3] geleend. Het hof stelt vast op de door [appellant] opgestelde crediteurenlijst een (restant)schuld aan [verweerder 3] staat vermeld van € 13.135,22 en dat in de toelating is vermeld dat deze lening in 2013 is aangegaan. De rechtbank die op het toelatingsverzoek van [appellant] heeft beslist, was gelet hierop bekend met de betreffende schuld en ook dat deze binnen de vijfjaarstermijn viel. [verweerder 1] 3.12 De schulden van [appellant] aan zijn voormalige echtgenote [verweerder 1] waren tevens bekend bij de toelatingsrechter. Op de bij het door [appellant] ingediende toelatingsverzoek overgelegde crediteurenlijst staat, zoals hiervoor al overwogen, vermeld dat [appellant] schulden ten bedrage van € 201.578,75 heeft aan [verweerder 1] , waarbij wordt verwezen naar de (desbetreffende onderdelen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.