WAHV 200.186.159 18 december 2017 CJIB 183404015 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zittingsplaats Leeuwarden Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 13 januari 2016 betreffende [betrokkene] B.V. (hierna te noemen: betrokkene), wonende te [A] , voor wie als gemachtigde optreedt [B] , h.o.d.n. [C] , gevestigd te [D] ; voor wie als ondergemachtigde optreedt [E] kantoorhoudende te [D] De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard. Het procesverloop De ondergemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De ondergemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt. Beoordeling
- Aan de betrokkene, [betrokkene] B.V., is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 103,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid”, welke gedraging zou zijn verricht op 2 augustus 2014 om 20.22 uur op de A2 te Baambrugge met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
- De ondergemachtigde voert aan dat het beroep op artikel 8 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) ten onrechte is verworpen. De gemachtigde, [B] , heeft de auto namelijk van de betrokkene gehuurd en heeft deze auto via zijn bedrijf [C] aan [F] doorverhuurd. Gelet hierop had de inleidende beschikking vernietigd moeten worden en de sanctie aan de huurder, [F] , opgelegd moeten worden. De ondergemachtigde heeft een huurovereenkomst tussen [C] en [F] overgelegd.
- Artikel 5 van de Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken was ingeschreven in het kentekenregister ten tijde van de gedraging.
- Artikel 8, aanhef en onder b, Wahv luidt als volgt: "De officier van justitie vernietigt de beschikking indien, in het geval van artikel 5 onderscheidenlijk artikel 5a, degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven: b. een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen was."
- Op grond van artikel 5 van de Wahv is de inleidende beschikking opgelegd aan de betrokkene - [betrokkene] B.V. - in de hoedanigheid van kentekenhouder. Door de ondergemachtigde is een huurovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat het voertuig met voornoemd kenteken door de gemachtigde is verhuurd aan [F] . Ter beoordeling staat of voornoemde huurovereenkomst is aan te merken als een huurovereenkomst in de zin van artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv.
- In zijn arrest van 4 mei 1993 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:HR:1993:ZC9348) heeft de Hoge Raad met betrekking hiertoe overwogen dat de wetgever klaarblijkelijk heeft beoogd de verhuurder op wiens naam het kenteken staat bij uitzondering en slechts dan niet op grond van artikel 5 van de Wahv aansprakelijk te doen zijn voor een in dat artikel bedoelde gedraging, indien de verhuurder door overlegging van een van de totstandkoming van de huurovereenkomst opgemaakt bewijsstuk, kan aantonen dat hij ten tijde van de gedraging het motorrijtuig met bedoeld kenteken heeft verhuurd voor ten hoogste de in artikel 8 van de Wahv genoemde periode aan een daarin met name genoemde huurder.
- Gelet hierop moet voor de toepassing van artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv een huurovereenkomst zijn overgelegd waarbij de kentekenhouder partij is.
- Dat is niet gebeurd. De overgelegde huurovereenkomst kan, nu de gemachtigde niet de kentekenhouder is, niet worden aangemerkt als een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv. De kantonrechter heeft het beroep op voornoemd artikel dus terecht verworpen.
- De overige bezwaren die namens de gemachtigde zijn aangevoerd, regarderen niet de betrokkene en de aan de betrokkene opgelegde sanctie, maar betreffen de gemachtigde. De sanctie is echter niet opgelegd aan de gemachtigde. Gelet hierop kunnen de aangevoerde bezwaren niet tot de conclusie leiden dat de inleidende beschikking ten onrechte aan de betrokkene, [betrokkene] B.V., is opgelegd.
- Nu de verweren geen doel treffen, zal de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd.
- Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen, nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld. Beslissing Het gerechtshof: bevestigt de beslissing van de kantonrechter; wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.