Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-003561-17 Uitspraak d.d.: 20 december 2017 TEGENSPRAAK Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 21 juni 2017 met parketnummer 05-780133-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteland] op [1983] , thans verblijvende in [kliniek 1] . Het hoger beroep De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 december 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest en tot het gelasten van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.213,38, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] tot een bedrag van € 93.870,- en tot toewijzing van de gevorderde vergoeding van shockschade bij de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 4] met telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met (telkens) een dag vervangende hechtenis. De vordering van de advocaat-generaal is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.F.A.M. Collart, naar voren is gebracht. Ook heeft het hof kennisgenomen van hetgeen door of namens de spreekgerechtigden en namens de benadeelde partijen door mr. R. Korver en mr. C. Bijl, naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Bij het vonnis waarvan beroep is verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit en is verdachte niet strafbaar geacht van het subsidiair ten laste gelegde feit en is hij voor dat feit ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank heeft gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel dat hij van overheidswege zal worden verpleegd. Voorts heeft de rechtbank beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen in die zin dat: De vordering van [benadeelde 1] is toegewezen tot een bedrag van € 1.213,38 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel subsidiair een dag hechtenis; De vordering van [benadeelde 3] is toegewezen tot een bedrag van € 3.571,16 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel subsidiair een dag hechtenis; De vordering van [benadeelde 2] is toegewezen tot een bedrag van € 15.000,- met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel subsidiair een dag hechtenis; De vordering van [benadeelde 4] is toegewezen tot een bedrag van € 7.500,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel subsidiair een dag hechtenis. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: primair:hij op of omstreeks 16 juli 2016 te Maasbommel, gemeente West Maas en Waal, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door een of meerdere malen met een mes, althans met een (dergelijk) scherp voorwerp, in het (boven-) lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden; subsidiair:hij op of omstreeks 16 juli 2016 te Maasbommel, gemeente West Maas en Waal, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door een of meerdere malen met een mes, althans met een (dergelijk) scherp voorwerp, in het (boven-)lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden. Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte met voorbedachte raad zijn schoonmoeder [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, zodat verdachte van het primair ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken. Overweging met betrekking tot het bewijs Op 16 juli 2016 werd [slachtoffer] dood aangetroffen in haar slaapkamer in de woning te Maasbommel, met een mes tussen haar borsten. [benadeelde 3] zag verdachte direct nadat het dodelijk letsel was toegebracht aan het voeteneind van het bed staan. Verdachte riep: “Dit is wat jullie altijd gewild hebben!”. Het bloed gutste op dat moment uit het lichaam van [slachtoffer] , aldus [benadeelde 3] . [benadeelde 2] heeft vergeefs getracht haar moeder te reanimeren. Verdachte heeft verklaard dat hij op een zeker moment voelde alsof hij een klap tegen zijn hoofd kreeg. Vanaf dat moment weet hij niet meer wat hij gedaan heeft of wat er is gebeurd. Op de kleding die verdachte ten tijde van en direct na het feit droeg, is bloed van het slachtoffer aangetroffen. Er is eveneens bloed van haar aangetroffen in de auto waarmee verdachte direct na het feit is weggereden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, mede gelet op de aard van het letsel en de wijze waarop dat letsel is toegebracht, te weten door diep te steken met een mes in de borststreek ter hoogte van het hart, terwijl [slachtoffer] sliep en dus weerloos was, bewezen wordt geacht dat verdachte [slachtoffer] heeft gedood en dat hij opzet heeft gehad op haar dood. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op of omstreeks 16 juli 2016 te Maasbommel, gemeente West Maas en Waal, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door een of meerdere malen met een mes, althans met een (dergelijk) scherp voorwerp, in het (boven-)lichaam van die [slachtoffer] te steken en/of te snijden. Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het subsidiair bewezen verklaarde levert op: doodslag. Strafbaarheid van de verdachte De rechtbank heeft verdachte niet strafbaar verklaard omdat het feit hem wegens de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend. De officier van justitie heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis omdat naar zijn mening geen sprake was van volledig ontoerekenbaarheid zijdens verdachte. Het handelen is verdachte sterk verminderd toe te rekenen en daarom dient naast een tbs met dwangverpleging een gevangenisstraf te worden opgelegd. Het standpunt van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het handelen van verdachte, conform het advies van de rapporteurs van het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), hem sterk verminderd moet worden toegerekend. Daartoe is aangevoerd dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte zodanig psychotisch was, dat zijn handelen volledig werd bepaald door zijn psychotische vertekening van de realiteit en dat hij dus niet meer in staat was om fictie en realiteit van elkaar te scheiden. Ook zijn er wat de advocaat-generaal betreft geen aanwijzingen dat hij geen enkele keuzevrijheid meer in zijn gedrag had. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid, conform het oordeel van de rechtbank. Beoordeling door het hof Het hof ziet zich voor de vraag gesteld in hoeverre het feit aan verdachte kan worden toegerekend. In dat kader is verdachte in mei 2017 in het PBC onderzocht door een psycholoog en een psychiater. Van dit onderzoek hebben zij een rapportage opgesteld. De rapporteurs zijn eveneens gehoord ter terechtzitting in eerste aanleg. In hoger beroep zijn geen nieuwe stukken op dit punt toegevoegd. Het PBC-rapport Uit het rapport van het PBC volgt dat verdachte lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis met borderline-, antisociale- en histrionische (theatrale) trekken, stoornissen in het gebruik van middelen en (voorafgaand aan het ten laste gelegde) een psychotische stoornis. Het zwakke fundament van zijn persoonlijkheid maakt verdachte gevoelig voor stress. Wanneer verdachte onder stress staat heeft hij moeite zichzelf bij elkaar te houden en komen zijn emotieregulatie, agressieregulatie en impulscontrole onder druk te staan. Kleine veranderingen kunnen al leiden tot een verlies van controle. Door zijn zwakke zelfbegrenzing en beperkte integratievermogen, ontstaat vervolgens het risico van tijdelijke psychotische decompensaties die gekleurd worden door negatieve gedachtes over zichzelf, alsmede angst voor – en vernietiging door – een ander. In de weken voorafgaand aan het feit heeft zich onder invloed van diverse stressfactoren – welke invloed door het gebruik van middelen dan wel het stoppen met het gebruik van benzodiazepinen mogelijk is versterkt – een paranoïde psychotische ontregeling ontwikkeld. Het is mogelijk dat de ernst en omvang van de psychotische toestand gedurende deze weken hebben gefluctueerd. Uit het rapport volgt eveneens dat genoemde stoornissen aanwezig zijn geweest ten tijde van het plegen van het feit. Verdachte lijkt zich voortdurend zeer bedreigd en angstig te hebben gevoeld en zijn realiteitstoetsing was verstoord. Een delictscenario los van verdachtes ziekelijke stoornis is volgens de rapporteurs niet voorstelbaar. Zij kunnen uit alle voorhanden zijnde informatie ook geen reëel niet-pathologisch motief afleiden; verdachte en zijn schoonmoeder waren zeer op elkaar gesteld. Gelet op het voorgaande achten de rapporteurs een pathologisch motief zeer waarschijnlijk. Ter terechtzitting in eerste aanleg hebben de rapporteurs het volgende toegevoegd dan wel toegelicht. Verdachte had ten tijde van het feit paranoïde ideeën waarbij de realiteitstoetsing verminderd was. Het is aldus de rapporteurs evident dat verdachte in een psychotische periode verkeerde. De omstandigheid dat verdachte zowel in zijn gedrag als handelen op die ochtend voor anderen helder overkwam, zegt aldus de rapporteurs niets over zijn innerlijke psychische toestand. Volgens de rapporteurs ontbreekt echter informatie over wat verdachte ertoe heeft aangezet om de stap te zetten om [slachtoffer] te doden. Nu zij onvoldoende zicht hebben op de gedachten en het handelen van verdachte in de aanloop naar en ten tijde van het besluit om zijn schoonmoeder te doden en de uitvoering daarvan, achten zij zich niet in staat te concluderen tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid, hoewel zij de mogelijkheid van een volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet kunnen uitsluiten. Zij adviseren om die reden verdachte in ieder geval sterk verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Het hof leidt uit het dossier en ook uit het PBC-rapport af dat verdachte een paar weken voordat het delict plaatsvond er psychisch slecht aan toe was. Verdachte was heel achterdochtig en was bang dat hij geliquideerd zou worden. Verdachte wilde met zijn gezin weg uit [plaats] . Verdachte en zijn hoogzwangere vriendin trokken met hun beide jonge kinderen in bij de (schoon)moeder en haar partner in Maasbommel. Verdachte was zeer op hen gesteld. Hij is in die periode vier dagen opgenomen geweest in [kliniek 2] in [plaats] . Daar is hij ook bezocht door een ex-vriendin, die verklaarde dat verdachte heel erg angstig was en er slecht aan toe was. Zo had zij verdachte nog niet eerder gezien. Verdachte was bang dat hij vergiftigd zou worden. De dag voordat het delict plaatsvond is verdachte met zijn vriendin naar de huisarts geweest, verdachte gaf aan dat het niet goed met hem ging en dat hij weer wilde worden opgenomen. De huisarts verwees hem daarop naar de crisisdienst waar verdachte met zijn vriendin en zijn schoonvader die avond om 22.00 uur terecht kon. Tot een opname kwam het niet, onder andere omdat verdachte rustig overkwam. Wel kreeg verdachte andere medicijnen mee. ’s Nachts heeft verdachte nog een gesprek gehad met zijn schoonouders en zijn vriendin. ’s Ochtends vroeg leek hij rustig, zo verklaarde zowel zijn vriendin als haar broer. In de vroege ochtend heeft verdachte zijn schoonmoeder in haar slaap met één messteek in het hart geraakt. Hij heeft daarna volgens zijn schoonvader gezegd: “Dit is wat jullie gewild hebben”. Volgens zijn vriendin keek verdachte heel raar uit zijn ogen. Daarna is verdachte met medeneming van een tas met kleding met de auto vertrokken richting [plaats] . Onderweg is hij gebeld door zijn vriendin en door de politie. Verdachte heeft zich daarop meteen gemeld bij een politiebureau waar hij is aangehouden. De eerste paar dagen na zijn aanhouding is geprobeerd om hem te horen. Uit de verslagen die van die verhoren zijn gemaakt is af te leiden dat verdachte warrig overkwam. De verhoren zijn op beeld vastgelegd en deze beelden zijn bekeken door de deskundigen van het PBC. In het PBC-rapport is daarover het volgende opgenomen: “Opvallende bevindingen zijn dat betrokkene met name in de eerste verhoren een andere indruk op ondergetekenden maakt dan hoe zij hem gedurende de huidige onderzoeksperiode in het PBC hebben leren kennen. Hij maakt tijdens het verhoor een geladen en gespannen indruk, toont zich achterdochtig naar de rechercheurs en denkt dat er en spelletje met hem wordt gespeeld. Betrokkene lacht een aantal keer oninvoelbaar, kennelijk zonder directe aanleiding. Hij stampt onrustig met zijn voeten op de grond wanneer hij vertelt over ‘de andere [verdachte] ’. Hij lijkt gedesoriënteerd in tijd; zo is hij en blijft hij er stellig van overtuigd op het moment van verhoor al een week vast te zitten terwijl de verhoren één dag na het ten laste gelegde plaatsvinden”. Ook is verdachte kort na het delict gezien door de psychiater Gotink. Hij beschrijft dat betrokkene in contact een wat bizarre indruk maakt. Er is veel weerstand tegen het bevraagd worden, waarbij moeilijk is te differentiëren tussen onmacht en onwil. Psycholoog [rapporteur 2] beschrijf in het PBC rapport het volgende. “Dat er sprake was van een paranoïde psychotische decompensatie vanaf ongeveer vijf weken vóór het ten laste gelegde is, mijns inziens, op basis van het huidige onderzoek goed te onderbouwen, mede op basis van de informatie van referenten. Hoe het beloop precies is geweest, of er sprake was van enig herstel, in de dagen voorafgaand aan het ten laste gelegde, of, zoals op basis van betrokkenes verhaal, juist een verdere verergering door een gebrek aan slaap met (daardoor?) een chaotisch gebruik van benzadiazepinen, is heel lastig precies te reconstrueren. (…) Of betrokkenes handelen in die periode geheel door psychotische motieven werd gekleurd, of dat er ook langere momenten waren van relatieve helderheid (zoals de informatie van de crisisdienst en de verklaringen van getuigen impliceren) is heel moeilijk vast te stellen. Het is immers ook goed mogelijk dat betrokkene wel degelijk in ernstige mate door paranoïde ideeën werd geplaagd maar dat dit niet (voortdurend) voor anderen zichtbaar was.” Uit het dossier is echter niet af te leiden wat er in het hoofd van verdachte omging kort voorafgaand en ten tijde van zijn handelen (het steken met een mes in de borst van schoonmoeder). De vraag is of en zo ja, welke gevolgen hieraan moeten worden verbonden voor de mate van toerekeningsvatbaarheid van zijn handelen aan de verdachte. De deskundigen van het PBC achten zich, nu zij onvoldoende zicht hebben op die gedachten en het handelen van verdachte, niet in staat te concluderen tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid, hoewel zij de mogelijkheid van een volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet kunnen uitsluiten. Net als de rapporteurs acht het hof een pathologisch motief zeer waarschijnlijk. Het hof neemt, anders dan de rechtbank, niet zonder meer aan dat verdachte heeft gehandeld onder invloed van stemmen in zijn hoofd. Over de invloed van stemmen is in het onderzoek in het PBC wisselend gerapporteerd en verklaard. Eerder is gesproken over stemmen die verdachte commentaar gaven op zijn handelen en niet over stemmen die hem opdroegen om handelingen te verrichten. Of verdachte daadwerkelijk stemmen heeft gehoord die hem ertoe hebben aangezet om zijn schoonmoeder te doden kan naar het oordeel van het hof niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Een reëel niet‑pathologisch motief ontbreekt en mede daarom staat naar het oordeel van het hof het ontbreken van volledig inzicht in wat in de verdachte omging kort vóór en tijdens het delict er niet aan in de weg de psychotisch ontregelde verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te achten. Uiteindelijk komt het hof op basis van hetgeen bekend is geworden over de psychische situatie van verdachte kort vóór en kort na het delict tot de conclusie dat aannemelijk is geworden dat verdachtes handelen werd bepaald door zijn psychotische vertekening van de realiteit en wel dusdanig, dat het feit hem niet kan worden toegerekend. De verdachte is ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde niet strafbaar en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Oplegging van de maatregel Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De advocaat-generaal, de verdachte en zijn raadsman zijn het eens over de oplegging van deze maatregel. Gelet op de bij verdachte geconstateerde stoornissen ziet het hof zich net als de rechtbank voor de vraag gesteld of een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk is. Gezien het strafmaximum van het bewezenverklaarde feit is dit mogelijk wanneer bij verdachte eveneens een stoornis is vastgesteld ten tijde van het delict – zoals hiervoor is overwogen – en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist (artikel 37a eerste lid Wetboek van Strafrecht). De deskundigen hebben bij verdachte een persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. Met betrekking tot de kans op herhaling spelen het middelengebruik, de persoonlijkheidspathologie van verdachte en met name zijn wantrouwen dat kan verworden tot pathologische achterdocht en kwetsbaarheid in de realiteitstoetsing een rol. De rapporteurs [rapporteur 1] en [rapporteur 2] menen dat er gevaar is voor herhaling indien verdachte onbehandeld blijft. Er is bij verdachte namelijk sprake van eerder geweld, antisociaal gedrag, problemen met middelengebruik, eerdere episodes van psychotisch ontregelen, een persoonlijkheidsstoornis, problemen in de kindertijd en een traumatische voorgeschiedenis. Deze factoren hebben een ongunstige invloed op elkaar en zij versterken elkaar ook. De factoren maken verdachte kwetsbaar voor ontregeling en recidive van een geweldsdelict. Concluderend kan gesteld worden dat voornoemde rapporteurs het pathologisch bepaalde risico op herhaling van een (ernstig) geweldsdelict als hoog inschatten. Om bovenstaande redenen onderstrepen rapporteurs de noodzakelijkheid om verdachte zowel medicamenteus als psychotherapeutisch te behandelen. Een gedwongen behandeling in een forensisch kader is aangewezen om het recidivegevaar af te wenden. Volgens de rapporteurs bestaat er geen ruimte voor een behandeling binnen enig voorwaardelijk kader, gelet op de kwetsbaarheden in de persoonlijkheidsstructuur van verdachte, zijn verslavingsgevoeligheid en zijn neiging tot psychotische decompensaties afgezet tegen de ernst van het feit. De rapporteurs adviseren daarom om verdachte een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. Verdachte heeft ter zitting, ook in hoger beroep, laten weten graag een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd te krijgen, omdat hij zichzelf niet meer vertrouwt en bang is dat hij in de toekomst opnieuw een geweldsmisdrijf zal plegen. Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat gezien de ernst van het feit, de ernst van de stoornis en het herhalingsgevaar, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling en de verpleging van overheidswege eist. Deze maatregel wordt opgelegd wegens een geweldsmisdrijf in de zin van artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering en artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dat was gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand is gemaximeerd. Concluderend zal het hof verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen. Benadeelde partijen De door de benadeelde partijen gevorderde affectieschade Door benadeelde partijen, [benadeelde 3] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2] is onder meer een bedrag voor vergoeding van immateriële schade (affectieschade) gevorderd van respectievelijk € 20.000,-, € 20.000,- en € 17.500,-. Het hof is van oordeel dat de Nederlandse wet niet voorziet in het toekennen van vergoeding voor affectieschade en dat er geen sprake kan zijn van rechtstreekse werking van de EU‑Richtlijn minimumnormen slachtoffers. Aangezien, zoals in eerste aanleg terecht is overwogen, de rechter niet de vrijheid heeft om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een vergoeding voor affectieschade toe te kennen, zal het hof niet op het wetsvoorstel anticiperen. De gevorderde bedragen ter zake van affectieschade worden daarom afgewezen. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 42.575,-, bestaande uit € 75,- aan materiële schade, € 17.500,- aan affectieschade en € 25.000,- aan shockschade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 15.000,- ter zake van vergoeding van shockschade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering, met dien verstande dat geen vergoeding van materiële schade meer wordt gevorderd. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de gevorderde vergoeding van affectieschade. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden in de vorm van shockschade tot na te melden bedrag. Gelet op HR 22 februari 2002, NJ 2002/240 kan vergoeding van immateriële schade plaatsvinden als door het waarnemen van het ten laste gelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ten laste gelegde is gedood of gewond. Voor vergoeding is dan wel vereist dat het bestaan van het geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (HR 27 september 2016 ECLI:NL:HR:2016:2201). [benadeelde 2] heeft haar stervende moeder bloedend in bed aangetroffen met een mes tussen haar borsten. Zij heeft getracht eerste hulp te verlenen en heeft geprobeerd haar moeder te reanimeren. [benadeelde 2] is op deze wijze geconfronteerd met het misdrijf dan wel met de rechtstreekse gevolgen daarvan. Als gevolg hiervan lijdt [benadeelde 2] aan een posttraumatische stressstoornis. Zij heeft last van herbelevingen en is onder behandeling voor haar klachten. In het geval van de benadeelde partij is naar het oordeel van het hof voldaan aan de genoemde criteria. Gelet op het vorenstaande zal het hof in redelijkheid een bedrag van € 20.000,- ter vergoeding van shockschade toewijzen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 47.138,38, bestaande uit € 2.138,38 aan materiële schade, € 20.000,- aan affectieschade en € 25.000,- aan shockschade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.213,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.