Afdeling strafrecht Parketnummer: 21-004338-16 Uitspraak d.d.: 20 december 2017 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Overijssel van 27 juli 2016 met parketnummer 08-760147-16 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989, wonende te [geboortedatum] . Het hoger beroep De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 december 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vrijspraak van verdachte. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. B.H.J. van Rhijn, naar voren is gebracht. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Verdachte is door de politierechter in de rechtbank Overijssel bij vonnis van 27 juli 2016 integraal vrijgesproken ter zake van het onder 2 tenlastegelegde. Voor zover het onbeperkt ingestelde hoger beroep is gericht tegen deze vrijspraak, kan verdachte daarin op grond van het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet worden ontvangen. Het vonnis waarvan beroep De politierechter heeft verdachte wel veroordeeld ter zake van de onder 1 tenlastegelegde inbraak tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de politierechter de inbeslaggenomen scooter verbeurd verklaard. Het hof zal het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – vernietigen omdat het hof met betrekking tot de tekst van de bewezenverklaring en de beslissing omtrent het beslag tot een andersluidende beslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen. De tenlastelegging Aan verdachte is – voor zover in hoger beroep van belang – tenlastegelegd dat: 1:hij in of omstreeks 17 mei 2016 tot en met 22 mei 2016 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres 1] heeft weggenomen één of meer sieraden, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen sieraad/sieraden onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak/verbreking; Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Overweging met betrekking tot het bewijs Standpunten Zowel de advocaat-generaal als de raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft betoogd dat het proces-verbaal van relaas onoverkomelijke fouten bevat. Zo zou – onder meer – het bij de tenlastegelegde inbraak aangetroffen schoenspoor de grond zijn geweest voor de aanhouding van verdachte, terwijl de desbetreffende schoen van verdachte pas later, tijdens verdachtes aanhouding, in beslag is genomen. Het aangetroffen schoenspoor kan derhalve geen grond zijn geweest voor de aanhouding of binnentreding, dan wel de inbeslagname van voornoemde schoenen. De resterende aanwijzingen in de richting van verdachte bieden hiervoor evenmin voldoende grondslag, zodat onrechtmatig is binnengetreden. Daarom dient het bewijsmiddel dat daaruit verkregen is, namelijk het matchende schoenspoor, van het bewijs uitgesloten te worden. Het resterende bewijs is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen, zo stelt de advocaat-generaal. De raadsman heeft zich bij dit standpunt aangesloten en benadrukt dat de resterende getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] onvoldoende steun bieden voor verdachtes daderschap. Bruikbaarheid schoenspoor Blijkens het proces-verbaal van uitslag vergelijkend schoensporenonderzoek d.d. 30 mei 2016 zijn de schoenen van verdachte op 18 april 2016 in het kader van een zaak met BVH-nummer PL06-2016164028 inbeslaggenomen en gewaarmerkt met het SIN-nummer AAIK4343NL. Op 19 april 2016 zijn van deze schoenen proefafdrukken vervaardigd die zijn opgeslagen bij het Team Forensisch Opsporing Het politieonderzoek naar de onder 1 tenlastegelegde inbraak heeft BVH-nummer PL0600-2016354505Z. Blijkens het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 31 mei 2016 is in de woning waar deze inbraak heeft plaatsgevonden op 23 mei 2016 een sporenonderzoek verricht, waarbij ook schoensporen zijn veiliggesteld. Op 25 mei 2016 is vervolgens een vergelijkend onderzoek ingesteld. Tijdens dit vergelijkend onderzoek is gebleken dat een van de veiliggestelde schoensporen, aangetroffen op de vensterbank in de slaapkamer op algemene, maar ook op zeer specifieke punten overeenkomt met de proefdruk van een linkerschoen, gewaarmerkt met SIN-nummer AAIK4343NL, inbeslaggenomen onder [verdachte] . Wanneer de schoenen van de verdachte voor nader onderzoek worden aangeboden kan van het vergelijkend schoensporenonderzoek een uitgebreid proces-verbaal met foto’s worden opgemaakt, zo volgt uit het dossier. Naar aanleiding van deze aanwijzing in de richting van verdachte, alsmede het door getuigen genoemde signalement en de omstandigheid dat het door getuigen waargenomen kenteken van de bij de inbraak gesignaleerde scooter nagenoeg overeenkomt met het kenteken van de scooter die in gebruik is bij – onder meer – verdachte, wordt op 29 juni 2016 binnengetreden in de woning aan de [adres 2] te [plaats 2] , die bewoond zou worden door verdachte. Deze woning werd betreden ter aanhouding van verdachte en ter inbeslagneming, zo volgt uit het proces-verbaal van binnentreden. Daartoe is ook een machtiging afgegeven door de hulpofficier van justitie. In de woning zijn verschillende schoenen inbeslaggenomen, waaronder de ‘blauwe Nikes’ die al eerder onder verdachte in beslag genomen waren en waarvan de opgeslagen proefafdruk bij het vergelijkend schoensporenonderzoek een match heeft opgeleverd met het bij de inbraak aangetroffen schoenspoor. Het hof leidt uit het voorgaande af dat de schoenen van verdachte kennelijk in het kader van een ander politieonderzoek al op 18 april 2016 in beslag zijn genomen. Van deze schoenen zijn proefafdrukken gemaakt en opgeslagen, waarna de schoenen kennelijk aan verdachte zijn teruggegeven. Op basis van de opgeslagen proefafdrukken is een eerste match ontstaan tussen de opgeslagen schoenafdruk van verdachte en de bij de inbraak aangetroffen schoensporen. Uiteindelijk worden dezelfde schoenen op 29 juni 2016 opnieuw in beslag genomen in verdachtes woning, waarna uitgebreider vergelijkend onderzoek wordt verricht tussen deze schoen en het aangetroffen schoenspoor. Anders dan de advocaat-generaal heeft gesteld, heeft het binnentreden in verdachtes woning ter aanhouding en inbeslagname wel degelijk plaatsgevonden op grond van de eerste match tussen het in april 2016 reeds vervaardigde en opgeslagen schoenspoor en het bij de inbraak aangetroffen schoenspoor, ondersteund door de voornoemde nadere aanwijzingen. Het hof is van oordeel dat deze aanwijzingen voldoende grond opleveren om te spreken van een verdenking – een redelijk vermoeden van schuld – jegens verdachte. Reeds gelet hierop is het hof van oordeel dat er geen vormverzuimen of gebreken kleven aan het binnentreden in de woning van verdachte en de daar opnieuw in beslag genomen schoenen. Het hof zal de advocaat-generaal derhalve niet volgen in zijn standpunt. Daderschap Op 22 mei 2016 doet aangever [slachtoffer] aangifte van de inbraak in zijn woning aan de [adres 1] te [plaats 1] . Hij heeft zijn woning op 17 mei 2016 afgesloten achtergelaten en treft vervolgens bij thuiskomst ’s avonds op 22 mei 2016 de reeds gealarmeerde politie aan bij zijn woning. Uit aangevers verklaring volgt dat het badkamerraam is opengebroken, waarna in ieder geval zijn studeer- en slaapkamer zijn doorzocht. Ook het raam van de slaapkamer wordt open aangetroffen, met het gordijn hangend naar buiten. Aangever mist een aantal kleine zaken, waaronder sieraden. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat aangever nadien contact heeft gehad met het beveiligingsbedrijf, dat hem verteld heeft dat het alarm in zijn woning is afgegaan op zondag 22 mei 2016 zowel om 17.00 uur als om 22.00 uur. Blijkens het proces-verbaal van sporenonderzoek is het badkamerraam open gewrikt met een breek of steekvoorwerp. Het slaapkamerraam is het vermoedelijke uitklimraam; in de vensterbank van dit raam worden aan de binnenzijde twee schoensporen aangetroffen die zijn veiliggesteld (SIN-nummer AAJH1564NL en AAJH1563NL). Voorts volgt uit het dossier dat een buurtbewoner, getuige [getuige 1], op zondag 22 mei 2016 rond 22.00 uur een ‘rood lampje’ heeft gezien op de oprit van de buren die wonen aan de [adres 1] . Dit rode lampje bewoog over de oprit naar de woning toe. Een paar minuten later is het alarm van deze woning afgegaan; getuige [getuige 1] heeft vervolgens uit het raam gekeken en ziet dan een ‘wit licht’ bij voornoemde woning wegrijden. Getuige [getuige 1] is vervolgens samen met haar zus in de auto gestapt en naast de scooter gaan rijden die uit de richting van de woning van [adres 1] kwam. Blijkens haar verklaring was deze scooter zwart van kleur, met als kenteken [kenteken 1] . De persoon zelf is gekleed in een zwarte jas met een bontkraag rond de capuchon en wordt omschreven als getint, met een normaal postuur en lengte, aldus getuige [getuige 1] . De verklaring van [getuige 1] zus, [getuige 3], is vergelijkbaar, met dien verstande dat zij ook heeft gezien dat de persoon een blauwe Albert Heijn tas tussen zijn benen had staan. Op de door getuigen beschreven route wordt door verbalisanten later ook daadwerkelijk een blauwe Albert Heijn tas aangetroffen met daarin in ieder geval een broche. Aangevers dochter denkt dit sieraad te herkennen als een broche die aangevers elf jaar geleden overleden vrouw heel soms droeg. Uit het nader onderzoek naar voornoemde gegevens volgt dat het kenteken [kenteken 1] niet bestaat, maar het kenteken [kenteken 2] bestaat wel. Dit betreft een zwarte scooter van het merk Turbho, type CS-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.