GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.213.418 (zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 398161) beschikking van 21 december 2017 inzake [verzoekster] , wonende te [woonplaats] ,verzoekster in het principaal hoger beroep, verweerster in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de vrouw, advocaat: mr. A.L. Mijnssen te Amersfoort, en [verweerder] , wonende te [woonplaats] , verweerder in het principaal hoger beroep, verzoeker in het incidenteel hoger beroep, verder te noemen: de man, advocaat: mr. N. Baouch te Amsterdam. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 april 2016 en 13 januari 2017 en de herstelbeschikking van 21 maart 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: het beroepschrift met producties, ingekomen op 7 april 2017; het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties; het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties; een journaalbericht van mr. Baouch van 13 oktober 2017 met producties; een journaalbericht van mr. Mijnssen van 19 oktober 2017 houdende een wijziging/ vermeerdering van het verzoek van de vrouw. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 24 oktober 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. 2.3 Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.” 2.4 Desgevraagd heeft mr. Baouch ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van het journaalbericht van mr. Mijnssen van 19 oktober 2017 met producties, aangezien hierin een wijziging/vermeerdering van het verzoek van de vrouw behelst en een dergelijke wijziging/vermeerdering van het verzoek uiterlijk bij beroepschrift kan worden gedaan en mr. Mijnssen bij het zogenaamde viergesprek tussen partijen aanwezig is geweest en zodoende op de hoogte was van de ingangsdatum. Het hof heeft daarop beslist dat op het journaalbericht van 19 oktober 2017 met producties geen acht wordt geslagen, omdat het stuk omvangrijk en niet eenvoudig is te doorgronden, zonder noodzaak binnen de tien kalenderdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling is ingekomen ter griffie van het hof en mr. Baouch in redelijkheid niet voldoende heeft kunnen kennisnemen van de bijbehorende bijlagen en zich onvoldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen. 3De feiten 3.1 Partijen zijn op 3 september 2010 met elkaar gehuwd. 3.2 De man en de vrouw zijn de ouders van [kind] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] (hierna te noemen [kind] ), over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. [kind] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw. 3.3 Bij beschikking van 8 april 2016 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, voorlopig, totdat daarover nader zal zijn beslist of overeengekomen, bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2016 aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] zal verstrekken van € 220,- per maand, waarbij de man de ontstane achterstand van € 440,- in vier gelijke maandelijkse termijnen van € 110,- zal voldoen met ingang van 1 april 2016. 3.4 Bij beschikking van 13 januari 2017 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 6 februari 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij beschikking van 13 januari 2017 heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, in zoverre uitvoerbaar bij voorraad: bepaald dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] dient te betalen van € 196,- per maand; bepaald dat de man tegenover de vrouw het recht heeft om gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand of tot het moment van verkoop en levering van de woning aan een derde, in de woning [adres] te blijven wonen, op voorwaarde dat de man die woning op het ogenblik van inschrijving van deze beschikking bewoont, tegen een aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding van € 400,- per maand; de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen tot terugbetaling door de vrouw aan hem van € 247,50 aan taxatiekosten, € 517,69 aan zorgkosten en € 464,25 aan premie zorgverzekering; - het verzoek van de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) van € 145,- per maand vast te stellen, afgewezen. 4.2 Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 maart 2017 heeft de rechtbank het verzoek van de man om verbetering van de bestreden beschikking afgewezen. 4.3 De vrouw is met ongenummerde grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 13 januari 2017. De grieven zien op de behoefte van [kind] , de draagkracht van de man en de gebruiksvergoeding. De vrouw verzoekt het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking van 13 januari 2017 gedeeltelijk te vernietigen en: I. te bepalen dat de behoefte van [kind] € 528,- per maand bedraagt, althans een zodanig bedrag dat het hof juist acht, hoger dan € 450,- per maand en een zodanige datum als het hof juist acht; II. te bepalen dat de man aan haar met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] zal betalen van € 427,- per maand, althans een zodanig bedrag dat het hof juist acht hoger dan € 196,- per maand; III. te bepalen dat de man aan haar een vergoeding dient te betalen voor het gebruik van de echtelijke woning zolang deze nog niet is verkocht van € 695,- per maand, althans een zodanig bedrag dat het hof juist acht hoger dan € 400,- per maand; IV. te bepalen dat de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie € 2.250,- per maand bedraagt, althans een zodanig bedrag en een zodanige datum als het hof juist acht; V. te bepalen dat de man aan haar met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een partneralimentatie zal betalen van € 92,- bruto per maand, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht; VI. de in eerste aanleg en in hoger beroep toegewezen verzoeken uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; VII. kosten rechtens. 4.4 De man voert verweer in het principaal hoger beroep en is op zijn beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen, onder vermeerdering van zijn verzoek. De grief ziet op zijn verzoek tot terugbetaling aan hem door de vrouw van (volledig/de helft van) de door hem na de peildatum (datum ontbinding huwelijksgemeenschap) betaalde kosten, die de man geheel heeft betaald, van in totaal € 1.229,- , welke kosten betreffen de taxatie echtelijke woning, premie zorgverzekering en zorgkosten, en, na vermeerdering van zijn verzoek, de betaling aan hem van alle lasten ter zake de echtelijke woning welke hij in de periode van mei 2015 tot en met januari 2017 heeft voldaan, door hem begroot op € 14.632,20. De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, in het principaal hoger beroep de vrouw in haar hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel dit af te wijzen en de bestreden beschikking, voor zover het betreft de door hem aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding en de partneralimentatie – zo nodig onder verbetering van gronden – te bekrachtigen en in het incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van het verzoek van de man te bepalen dat de vrouw aan hem voormelde taxatiekosten, zorgkosten en premie zorgverzekering zal voldoen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat zijn verzoek met betrekking tot (terug)betaling aan hem door de vrouw van (volledig/de helft van) de door hem betaalde kosten die ten laste van de vrouw zijn betaald, van in totaal € 1.229,-, alsnog wordt toegewezen en te bepalen dat de vrouw binnen twee weken na datum (van betekening) van deze beschikking aan hem dient te vergoeden de helft van alle lasten ter zake de woning die hij in de periode van mei 2015 tot en met januari 2017 heeft voldaan, door hem begroot op € 14.632,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van indiening van het verweerschrift tevens verzoekschrift incidenteel beroep tot de dag der algehele voldoening, kosten rechtens. 4.5 De vrouw voert verweer in het incidenteel beroep en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn verzoeken in incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking, voor zover het betreft de door de vrouw aan de man te betalen kosten voor taxatie, zorgkosten, premie ziektekosten en vergoeding van de helft van de door de man te betalen lasten ter zake van de woning over de periode van mei 2015 tot en met januari 2017 door de man begroot op € 14.632,20, te bekrachtigen, kosten rechtens. 5De motivering van de beslissing 5.1 Kinderen die de leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt, hebben op grond van artikel 1:400 lid 1 BW voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om dit levensonderhoud volledig aan allen te verschaffen. Nu de bijdrage van de man ten behoeve van het kind van partijen in geschil is, zal het hof allereerst beoordelen of en welke bijdrage de man dient te leveren in de kosten van opvoeding en verzorging van het kind, alvorens in te gaan op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie. Behoefte [kind] 5.2 Partijen zijn ter mondelinge behandeling het er over eens geworden dat de behoefte van [kind] op € 520,- per maand kan worden vastgesteld. Draagkracht 5.3 Bij het bepalen van het aandeel van de man/vrouw in de behoefte van het kind dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen te worden betrokken. Draagkracht man 5.4 Partijen hebben ter mondelinge behandeling er mee ingestemd om bij de vaststelling van de draagkracht van de man uit te gaan van drie periodes, te weten: de periode tot 1 juni 2017: de man woont in de echtelijke woning en betaalt ook de lasten van die woning (periode 1); de periode van 1 juni 2017 tot 10 juli 2017: de man betaalt de woonlasten van een door hem bewoonde huurwoning en betaalt daarnaast de lasten van de voormalige echtelijke woning en heeft dus dubbele woonlasten (periode 2); de periode met ingang van 10 juli 2017: de man betaalt alleen huurlasten van de door hem bewoonde huurwoning (periode 3). 5.5 Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt nemen. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. De draagkracht van de man zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 890,-)], nu het - naar volgt uit hetgeen hierna wordt overwogen onder 5.6 - een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.550,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten, behoudens voor zover aanleiding bestaat hiervan af te wijken (zie hierna onder 5.7), vermeerderd met een bedrag van € 890,- aan overige lasten, en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie. 5.6 Het hof gaat daarbij uit van de volgende gegevens. De man, geboren op [geboortedatum] , heeft blijkens de salarisspecificaties van maart tot en met mei 2017 een salaris van € 3.600,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantiegeld. De man is alleenstaand. Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen: algemene heffingskorting en arbeidskorting. Onder de gegeven omstandigheden en op basis van de stukken van het geding stelt het hof het netto besteedbaar inkomen van de man in 2017 vast op € 2.557,- per maand. 5.7 De woonlasten van de man bedragen per maand: - € 585,06 € 585,06 aan (de helft van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.