← Nederland

ECLI:NL:GHARL:2017:11347

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.218.445/01 (zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/152444 / FA RK 16-1820) beschikking van 19 december 2017 inzake [verzoekster] , wonende te [A] ,verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder, advocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden. en de gecertificeerde instelling Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, kantoorhoudende te Leeuwarden, verder te noemen: de GI. Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt: [de pleegouders] , wonende te [B] , verder te noemen: de pleegouders. Als informant is aangemerkt: [de vader] , wonende te [A] , verder te noemen: de vader. 1Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 april 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2Het geding in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 29 juni 2017; - het verweerschrift van de GI met productie(s); - een brief van de pleegouders van 15 september

  1. 2.2 De mondelinge behandeling heeft op 20 november 2017 plaatsgevonden. De moeder is verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI is verschenen mevrouw [C] en mr. [D] . De vader is eveneens verschenen. 3De feiten 3.1 [In] 2010 is [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) geboren. Hij is door de vader erkend. Bij beschikking van 21 mei 2010 is de GI tijdelijk en bij beschikking van 23 juli 2010 is de GI definitief met de voogdij belast omdat de moeder vanwege haar leeftijd niet bevoegd was tot het uitoefenen van het ouderlijk gezag. 3.2 [de minderjarige] is op 10 juli 2010 uit huis geplaatst. Op 24 augustus 2010 is hij thuis geplaatst en vanaf maart 2011 is [de minderjarige] uit huis geplaatst in het gezin van de pleegouders. 3.
  2. Bij beschikking van de toenmalige rechtbank Leeuwarden van 18 juli 2012 is het verzoek van de moeder om haar met het gezag over [de minderjarige] te belasten afgewezen. 4De omvang van het geschil 4.1 Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de moeder om haar met het gezag over [de minderjarige] te belasten afgewezen. 4.2 De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van die beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, haar verzoek om haar voor zover de wet zulks toelaat te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] en het ouderlijk gezag aan te tekenen in het gezagsregister. 4.3 De GI voert verweer en verzoekt het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. 5De motivering van de beslissing 5.1 Op het (herhaalde) verzoek van de moeder om haar met het gezag te belasten dient te worden beslist conform het criterium van artikel 1:253b lid 5 van het Burgerlijk Wetboek. Dat betekent dat het verzoek van de tot het gezag bevoegde ouder alleen wordt afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de minderjarige zouden worden verwaarloosd. Gegronde vrees bestaat niet alleen bij vrees voor daadwerkelijke verwaarlozing van de belangen van het kind, maar kan ook zijn gelegen in de vrees dat de minderjarige de overgang van een gezin waar het vanaf zijn eerste levensjaar is verzorgd en opgevoed naar het milieu van de ouders niet zal kunnen verwerken. 5.2 Het hof is van oordeel dat zich in het onderhavige geval de situatie voordoet dat gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Uit de stukken van het geding en de behandeling ter zitting is namelijk het volgende naar voren gekomen. 5.3 [de minderjarige] is toen hij 10 maanden oud was en al eerder uit huis geplaatst was geweest in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin opgenomen omdat zijn moeder niet in staat was - ook niet met hulp van professionals - om hem een voldoende veilige, voorspelbare en gestructureerde opvoedingssituatie te bieden. [de minderjarige] woont inmiddels 6,5 jaar bij zijn pleegouders samen met zijn pleegbroers en pleegzus. Hij heeft zich aan hen gehecht en zijn pleegouders zijn al jarenlang zijn primaire opvoeders. 5.4 [de minderjarige] is een kwetsbaar kind. Hij heeft een disharmonisch intelligentieprofiel en zijn schoolse ontwikkeling verloopt traag. Hij kan zich moeilijk concentreren. Hij vertoont kenmerken van een verstoorde hechting, maar heeft een goed contact met zijn pleegouders, laat zich door hen troosten en zoekt steun bij hen. Hij heeft last van regulatieproblemen en kan impulsief zijn. Duidelijk is geworden dat hij behandeling nodig heeft voor ervaringen in zijn eerste levensjaar die traumatisch voor hem zijn geweest, ook al is er nog wel discussie over wat die ervaringen exact geweest zijn. 5.5 De moeder erkent dat [de minderjarige] niet op korte termijn bij haar kan komen wonen. Zij heeft echter wel de wens dat [de minderjarige] op termijn opgroeit bij haar en de vader. De moeder kan niet accepteren dat [de minderjarige] blijvend opgroeit bij zijn pleegouders. De onzekerheid over het opvoedperspectief, die zou ontstaan bij jaarlijkse toetsingen van de uithuisplaatsing, is echter naar het oordeel van het hof niet goed voor [de minderjarige] omdat hij kwetsbaar is en al 6,5 jaar bij zijn pleegouders opgroeit, waar hij veiligheid, rust en stabiliteit ervaart. De aanvaardbare termijn om verandering te brengen in zijn opvoedsituatie is al lang verstreken. [de minderjarige] heeft belang bij zekerheid over en continuering van de huidige opvoedingssituatie. Verstoring hiervan en van het hechtingsproces aan zijn pleegouders alsook pleegbroers en pleegzus is schadelijk voor zijn ontwikkeling. 5.6 De verkrijging van het gezag betekent dat de ouder zelf het recht en de plicht heeft het kind te verzorgen en op te voeden. Als dat niet kan, zoals in deze situatie, dan is er geen plaats voor de verkrijging van het gezag, hoe graag ook een ouder daarmee voor zichzelf invulling zou willen geven aan het ouderschap. Het betoog van de ouders dat het beter met hen gaat, leidt niet tot een ander oordeel omdat dit verwaarlozing van het belang van [de minderjarige] zou inhouden. 5.7 De omstandigheid dat de moeder - als ouder zonder gezag - nooit de noodzaak van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] heeft kunnen laten toetsen, rechtvaardigt geen ander toetsingskader. 6De slotsom Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. 7De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 5 april 2017; wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, G.M. van der Meer en M.P. den Hollander, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 19 december 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.